Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-23
ECLI:NL:RBROT:2026:4918
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,001 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4918 text/xml public 2026-05-20T15:40:39 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-23 12009485 CV EXPL 25-4982 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4918 text/html public 2026-05-20T15:39:48 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4918 Rechtbank Rotterdam , 23-04-2026 / 12009485 CV EXPL 25-4982 (Pre)contractuele verplichtingen; overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument; artikelen 6:230m en 6:230v BW; Is er sprake van een kredietovereenkomst bij keuze achterafbetaling; ‘buy now pay later’; informatieplichten artikelen 7:60 BW en 7:61 BW en artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht (Wft): kredietwaardigheidstoets; In artikel 7:58 lid 2 BW zijn een aantal uitzonderingen opgenomen waarop die consumentenbeschermende bepalingen niet van toepassing zijn. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat kredietovereenkomsten zoals de in deze zaak gesloten kredietovereenkomst in beginsel onder genoemde uitzondering vallen. Dit kan weer anders zijn (dus een uitzondering op de uitzondering) als de kredietverstrekker er, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst op anticipeert dat de consument de betalingsverplichting niet zal nakomen. Met andere woorden, in het geval de bedongen kosten (zoals de rente en buitengerechtelijke kosten ongeacht of deze verschuldigd zijn op grond van de wet of de overeenkomst) deel uitmaken van het verdienmodel van de kredietverstrekker. Vervolgens heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de beoordeling of zich het hiervoor bedoelde geval voordoet, de rechter alle omstandigheden rond de sluiting van de kredietovereenkomst en andere relevante factoren dient te onderzoeken, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten; eiser in de gelegenheid stellen om te onderbouwen dat het door haar verleende krediet valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 BW en daarbij aan te tonen dat zij voldoet aan de regels om voor deze uitzondering in aanmerking te komen onder andere door uit te laten over het verdienmodel. Als de kantonrechter tot het oordeel komt dat de kredietovereenkomst niet is uitgezonderd van het toepassingsgebied van titel 7.2A BW, dan zal ambtshalve moeten worden getoetst of de informatieplichten van de artikelen 7:60 en 7:61 BW zijn nageleefd en of de in artikel 4:34 Wft bedoelde kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd. Als daar niet aan is voldaan, of als Coeo er niet in slaagt aan te tonen dat daaraan is voldaan, zal de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 12009485 CV EXPL 25-4982 datum uitspraak: 23 april 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Coeo Securitisation Limited , vestigingsplaats: Dublin, Ierland, eiseres, gemachtigde: Rosmalen gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘Coeo’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 5 december 2025, met bijlagen; het antwoord; de repliek, met een bijlage; de dupliek. 2 De beoordeling Wat is de kern? 2.1. [gedaagde] heeft op 16 juli 2023 online bij Ikea een matras gekocht voor een bedrag van € 300,64. [gedaagde] heeft voor de optie ‘achteraf betalen’ bij Klarna Bank AB (hierna: Klarna) gekozen. Klarna heeft [gedaagde] een factuur gestuurd en haar vordering op hem later verkocht en gecedeerd aan Coeo. Omdat [gedaagde] de factuur niet heeft betaald, eist Coeo betaling van dit bedrag. Ook eist zij bijkomende rente en incassokosten ad € 45,10. 2.2. [gedaagde] erkent uiteindelijk de vordering nadat hij deze in eerste instantie betwistte. Hij heeft ondertussen een betalingsregeling getroffen met de gemachtigde van Coeo. 2.3. Er wordt nu nog geen eindvonnis gewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is. Rechtsmacht en toepasselijk recht 2.4. Coeo en Klarna zijn rechtspersonen naar buitenlands recht. Daarom moet allereerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter wel bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Dat is zo. [gedaagde] woont namelijk in Nederland en is een consument. Verder overweegt de kantonrechter dat op de vordering het Nederlands recht van toepassing is. (Pre)contractuele verplichtingen 2.5. De eis van Coeo is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van een koopovereenkomst op afstand moet ter bescherming van de consument onder meer aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v BW worden voldaan. Artikel 6:230m BW bepaalt welke informatie moet worden verstrekt, artikel 6:230v BW bepaalt de wijze waarop die informatie moet worden gegeven. Dat verschilt naar gelang de aard en de inhoud van de overeenkomst. De kantonrechter moet er ambtshalve op toe zien dat die voorschriften worden nageleefd. Gelet op de stellingen van Coeo en de in het geding gebrachte stukken is de kantonrechter van oordeel dat de webwinkel aan deze verplichtingen heeft voldaan. Is er sprake van een kredietovereenkomst? 2.6. [gedaagde] heeft bij zijn aankoop bij Ikea gekozen voor betaling achteraf aan Klarna. Kort na het sluiten van deze koopovereenkomst krijgt Klarna de vordering van de verkoper overgedragen, dit is binnen de termijn waarin [gedaagde] de gelegenheid krijgt de koopprijs te betalen. Dit uitstel van betaling, het zogeheten ‘buy now pay later’ is een vorm van kredietverstrekking. Dit betekent dat in beginsel sprake is van een consumentenkrediet-overeenkomst waarop consumentenbeschermende bepalingen van toepassing zijn. De meeste van die bepalingen staan in titel 2A (artikel 57 en verder) van boek 7 BW. Het belangrijkste in dit verband zijn de informatieplichten van de artikelen 7:60 BW en 7:61 BW. Ook in artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) is een belangrijke consumentenbeschermende bepaling opgenomen, namelijk een kredietwaardigheidstoets, waarmee wordt beoogd het risico op terugbetalingsproblemen te beperken. 2.7. In artikel 7:58 lid 2 BW zijn een aantal uitzonderingen opgenomen waarop die consumentenbeschermende bepalingen niet van toepassing zijn. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat kredietovereenkomsten zoals de in deze zaak gesloten kredietovereenkomst in beginsel onder genoemde uitzondering vallen . Dit kan weer anders zijn (dus een uitzondering op de uitzondering) als de kredietverstrekker er, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst op anticipeert dat de consument de betalingsverplichting niet zal nakomen. Met andere woorden, in het geval de bedongen kosten (zoals de rente en buitengerechtelijke kosten ongeacht of deze verschuldigd zijn op grond van de wet of de overeenkomst) deel uitmaken van het verdienmodel van de kredietverstrekker. Vervolgens heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de beoordeling of zich het hiervoor bedoelde geval voordoet, de rechter alle omstandigheden rond de sluiting van de kredietovereenkomst en andere relevante factoren dient te onderzoeken, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten . 2.8. De kantonrechter zal dan ook Coeo in de gelegenheid stellen om te onderbouwen dat het door haar verleende krediet valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 BW en daarbij aan te tonen dat zij voldoet aan de regels om voor deze uitzondering in aanmerking te komen. Coeo dient zich in dat verband concreet en onderbouwd uit te laten over het verdienmodel.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4918 text/xml public 2026-05-20T15:40:39 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-23 12009485 CV EXPL 25-4982 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4918 text/html public 2026-05-20T15:39:48 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4918 Rechtbank Rotterdam , 23-04-2026 / 12009485 CV EXPL 25-4982 (Pre)contractuele verplichtingen; overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument; artikelen 6:230m en 6:230v BW; Is er sprake van een kredietovereenkomst bij keuze achterafbetaling; ‘buy now pay later’; informatieplichten artikelen 7:60 BW en 7:61 BW en artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht (Wft): kredietwaardigheidstoets; In artikel 7:58 lid 2 BW zijn een aantal uitzonderingen opgenomen waarop die consumentenbeschermende bepalingen niet van toepassing zijn. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat kredietovereenkomsten zoals de in deze zaak gesloten kredietovereenkomst in beginsel onder genoemde uitzondering vallen. Dit kan weer anders zijn (dus een uitzondering op de uitzondering) als de kredietverstrekker er, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst op anticipeert dat de consument de betalingsverplichting niet zal nakomen. Met andere woorden, in het geval de bedongen kosten (zoals de rente en buitengerechtelijke kosten ongeacht of deze verschuldigd zijn op grond van de wet of de overeenkomst) deel uitmaken van het verdienmodel van de kredietverstrekker. Vervolgens heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de beoordeling of zich het hiervoor bedoelde geval voordoet, de rechter alle omstandigheden rond de sluiting van de kredietovereenkomst en andere relevante factoren dient te onderzoeken, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten; eiser in de gelegenheid stellen om te onderbouwen dat het door haar verleende krediet valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 BW en daarbij aan te tonen dat zij voldoet aan de regels om voor deze uitzondering in aanmerking te komen onder andere door uit te laten over het verdienmodel. Als de kantonrechter tot het oordeel komt dat de kredietovereenkomst niet is uitgezonderd van het toepassingsgebied van titel 7.2A BW, dan zal ambtshalve moeten worden getoetst of de informatieplichten van de artikelen 7:60 en 7:61 BW zijn nageleefd en of de in artikel 4:34 Wft bedoelde kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd. Als daar niet aan is voldaan, of als Coeo er niet in slaagt aan te tonen dat daaraan is voldaan, zal de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 12009485 CV EXPL 25-4982 datum uitspraak: 23 april 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Coeo Securitisation Limited , vestigingsplaats: Dublin, Ierland, eiseres, gemachtigde: Rosmalen gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘Coeo’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 5 december 2025, met bijlagen; het antwoord; de repliek, met een bijlage; de dupliek. 2 De beoordeling Wat is de kern? 2.1. [gedaagde] heeft op 16 juli 2023 online bij Ikea een matras gekocht voor een bedrag van € 300,64. [gedaagde] heeft voor de optie ‘achteraf betalen’ bij Klarna Bank AB (hierna: Klarna) gekozen. Klarna heeft [gedaagde] een factuur gestuurd en haar vordering op hem later verkocht en gecedeerd aan Coeo. Omdat [gedaagde] de factuur niet heeft betaald, eist Coeo betaling van dit bedrag. Ook eist zij bijkomende rente en incassokosten ad € 45,10. 2.2. [gedaagde] erkent uiteindelijk de vordering nadat hij deze in eerste instantie betwistte. Hij heeft ondertussen een betalingsregeling getroffen met de gemachtigde van Coeo. 2.3. Er wordt nu nog geen eindvonnis gewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is. Rechtsmacht en toepasselijk recht 2.4. Coeo en Klarna zijn rechtspersonen naar buitenlands recht. Daarom moet allereerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter wel bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Dat is zo. [gedaagde] woont namelijk in Nederland en is een consument. Verder overweegt de kantonrechter dat op de vordering het Nederlands recht van toepassing is. (Pre)contractuele verplichtingen 2.5. De eis van Coeo is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van een koopovereenkomst op afstand moet ter bescherming van de consument onder meer aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v BW worden voldaan. Artikel 6:230m BW bepaalt welke informatie moet worden verstrekt, artikel 6:230v BW bepaalt de wijze waarop die informatie moet worden gegeven. Dat verschilt naar gelang de aard en de inhoud van de overeenkomst. De kantonrechter moet er ambtshalve op toe zien dat die voorschriften worden nageleefd. Gelet op de stellingen van Coeo en de in het geding gebrachte stukken is de kantonrechter van oordeel dat de webwinkel aan deze verplichtingen heeft voldaan. Is er sprake van een kredietovereenkomst? 2.6. [gedaagde] heeft bij zijn aankoop bij Ikea gekozen voor betaling achteraf aan Klarna. Kort na het sluiten van deze koopovereenkomst krijgt Klarna de vordering van de verkoper overgedragen, dit is binnen de termijn waarin [gedaagde] de gelegenheid krijgt de koopprijs te betalen. Dit uitstel van betaling, het zogeheten ‘buy now pay later’ is een vorm van kredietverstrekking. Dit betekent dat in beginsel sprake is van een consumentenkrediet-overeenkomst waarop consumentenbeschermende bepalingen van toepassing zijn. De meeste van die bepalingen staan in titel 2A (artikel 57 en verder) van boek 7 BW. Het belangrijkste in dit verband zijn de informatieplichten van de artikelen 7:60 BW en 7:61 BW. Ook in artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) is een belangrijke consumentenbeschermende bepaling opgenomen, namelijk een kredietwaardigheidstoets, waarmee wordt beoogd het risico op terugbetalingsproblemen te beperken. 2.7. In artikel 7:58 lid 2 BW zijn een aantal uitzonderingen opgenomen waarop die consumentenbeschermende bepalingen niet van toepassing zijn. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat kredietovereenkomsten zoals de in deze zaak gesloten kredietovereenkomst in beginsel onder genoemde uitzondering vallen . Dit kan weer anders zijn (dus een uitzondering op de uitzondering) als de kredietverstrekker er, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst op anticipeert dat de consument de betalingsverplichting niet zal nakomen. Met andere woorden, in het geval de bedongen kosten (zoals de rente en buitengerechtelijke kosten ongeacht of deze verschuldigd zijn op grond van de wet of de overeenkomst) deel uitmaken van het verdienmodel van de kredietverstrekker. Vervolgens heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de beoordeling of zich het hiervoor bedoelde geval voordoet, de rechter alle omstandigheden rond de sluiting van de kredietovereenkomst en andere relevante factoren dient te onderzoeken, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten . 2.8. De kantonrechter zal dan ook Coeo in de gelegenheid stellen om te onderbouwen dat het door haar verleende krediet valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 BW en daarbij aan te tonen dat zij voldoet aan de regels om voor deze uitzondering in aanmerking te komen. Coeo dient zich in dat verband concreet en onderbouwd uit te laten over het verdienmodel.