Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-14
ECLI:NL:RBROT:2026:4861
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,140 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4861 text/xml public 2026-05-12T14:01:47 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-14 12032430 HA VERZ 25-105 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4861 text/html public 2026-05-12T14:00:41 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4861 Rechtbank Rotterdam , 14-04-2026 / 12032430 HA VERZ 25-105 Werknemer stelt dat hij op staande voet is ontslagen, maar de kantonrechter oordeelt dat dat niet het geval is. De arbeidsovereenkomst is ook niet met wederzijds goedvinden geëindigd zoals werkgever aanvoert. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 12032430 HA VERZ 25-105 datum uitspraak: 14 april 2026 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van Mijnbudgetcoach.nl B.V. , in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam] , vestigingsplaats: Papendrecht, verzoekster, gemachtigde: mr. H.E.C. Heijkoop-Otterman, tegen [verweerder] , die handelt onder de naam [handelsnaam] , woonplaats: [woonplaats] , verweerder, gemachtigde: mr. L.A. Pruis en mr. N.D. van der Valk. De partijen worden hierna ‘de bewindvoerder’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd. De onderbewindgestelde wordt hierna ‘ [naam] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: het verzoekschrift van de bewindvoerder, met bijlagen; het verweerschrift van [verweerder] , met bijlagen; het herziene verzoekschrift van 27 februari 2026, met bijlagen; de brief van de bewindvoerder van 3 maart 2026, met bijlagen; de brief van de bewindvoerder van 13 maart 2026 waarin zij verduidelijkt dat de primaire verzoeken zijn ingetrokken. 1.2. Op 4 maart 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen en hun gemachtigden besproken. 2 De kern van de zaak Waar gaat de zaak over? 2.1. [naam] werkte sinds 12 maart 2025 bij [verweerder] als machinist op basis van een oproepcontract voor bepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Groen Grond en Infrastructuur van toepassing. Volgens [naam] is hij in een gesprek met [verweerder] op 30 oktober 2025 op staande voet ontslagen omdat hij zich ziek had gemeld. De bewindvoerder wil dat [verweerder] de transitievergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding aan haar betaalt. Daarnaast wil de bewindvoerder dat [verweerder] achterstallig salaris en vergoedingen op grond van de cao aan haar betaalt over de periode voor 30 oktober 2025. [verweerder] is het daar niet mee eens. Hij stelt zich primair op het standpunt dat hij [naam] niet op staande voet heeft ontslagen, maar dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. De uitkomst 2.2. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [naam] niet op staande voet is ontslagen en dat de arbeidsovereenkomst ook niet met wederzijds goedvinden is geëindigd. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst doorliep tot 11 maart 2026, de dag waarop de arbeidsovereenkomst van rechtswege afliep. Dat betekent dat de bewindvoerder geen aanspraak kan maken op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en ook niet op een billijke vergoeding. Wel moet [verweerder] over de periode voor 30 oktober 2025 achterstallig salaris en vergoedingen op grond van de cao aan de bewindvoerder betalen. [verweerder] moet ook de transitievergoeding aan de bewindvoerder betalen. 3 Het einde van de arbeidsovereenkomst De arbeidsovereenkomst is niet geëindigd op 30 oktober 2025 3.1. Vaststaat dat [verweerder] op 30 oktober 2025 [naam] bij zijn huis heeft opgezocht en zij een gesprek hebben gevoerd. Na dat gesprek hebben zij geen uitvoering meer gegeven aan de arbeidsovereenkomst. De partijen zijn het niet eens over wat er tijdens het gesprek precies is gezegd: volgens [naam] is hij op staande voet ontslagen, terwijl [verweerder] aanvoert dat zij in goed overleg besloten de arbeidsovereenkomst te beëindigen. 3.2. De kantonrechter oordeelt dat in het midden kan blijven of [naam] op 30 oktober 2025 heeft ingestemd met een beëindiging met wederzijds goedvinden. Zelfs als dat zou komen vast te staan, geldt dat een overeenkomst waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd alleen geldig is als deze schriftelijk is aangegaan en dat is niet gebeurd (artikel 7:670b lid 1 BW). De bevestiging van de beëindiging met wederzijds goedvinden die [verweerder] op 12 november 2025 aan [naam] heeft gestuurd, is dus niet van belang. Alleen al hierom is de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig met wederzijds goedvinden beëindigd. 3.3. Dan is het de vraag of [naam] op 30 oktober 2025 door [verweerder] op staande voet is ontslagen. Tijdens de zitting heeft hij daar zelf over verklaard dat hij niet meer precies weet hoe het gesprek is verlopen, maar dat er niet gesproken is over een ontslag. Wel was [verweerder] boos dat hij zich had ziek gemeld, werd hem succes gewenst met het zoeken naar ander werk en heeft [verweerder] de autosleutels van de werkbus meegenomen, aldus nog steeds [naam] . Volgens [verweerder] was het juist een vredig gesprek waarin vooral is gesproken over het vinden van een nieuwe baan voor [naam] , omdat hij steeds minder tevreden was over het functioneren van [naam] en hij misbruik zou hebben gemaakt van de tankpas die aan hem ter beschikking was gesteld. De kantonrechter oordeelt dat ook als de verklaring van [naam] over het gesprek van 30 oktober 2025 zou komen vast te staan, hij in redelijkheid de uitlatingen van [verweerder] niet heeft mogen opvatten als een ontslag op staande voet. Hij verklaart namelijk niet dat [verweerder] tegen hem heeft gezegd dat hij per direct was ontslagen. Integendeel, volgens [naam] is helemaal niet over een ontslag gesproken. 3.4. Weliswaar erkent [verweerder] subsidiair dat hij [naam] op 30 oktober 2025 op staande voet heeft ontslagen, maar dat kan niet. [verweerder] ‘erkent’ daarmee namelijk een juridische kwalificatie, terwijl hij alleen feiten kan erkennen die tot een bepaalde kwalificatie (oordeel over de feiten) leiden en dat doet hij juist niet. De brief van 2 december 2025 waarin [verweerder] vier ontslagredenen noemt, maakt de uitkomst ook niet anders, omdat het ‘ontslag’ al mondeling gegeven zou zijn op 30 oktober 2025. De arbeidsovereenkomst is wel geëindigd op 11 maart 2026 3.5. De tijdelijke arbeidsovereenkomst van [naam] is wel op 11 maart 2026 geëindigd, omdat partijen zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst per die datum van rechtswege eindigt (artikel 7:667 lid 1 BW). 4 De loonvordering tot 30 oktober 2025 4.1. Hierna bespreekt de kantonrechter de loonvordering die ziet op de periode tot 30 oktober 2025. Daarbij stelt zij voorop dat de bewindvoerder de vordering erg globaal heeft berekend en [verweerder] de vordering erg globaal betwist. Er is dus nog steeds veel onduidelijk, terwijl de partijen ook hebben aangegeven niet over meer relevante informatie te beschikken dan zij in deze procedure al hebben overgelegd. Daarom zal de kantonrechter beslissen aan de hand van wat partijen nu naar voren hebben gebracht. Het uurloon van [naam] was tot 1 juli 2025 € 14,34 bruto 4.2. Volgens de bewindvoerder heeft [naam] vanaf 11 maart 2025 tot 1 juli 2025 een te laag uurloon ontvangen, namelijk € 14,06 in plaats van € 14,34. Het uurloon van € 14,06 bruto staat weliswaar in de arbeidsovereenkomst, maar de bewindvoerder wijst op het cao-loon dat volgens haar uitkomt op het hogere bruto uurloon van € 14,34. Als dat zo is, is de loonafspraak in de arbeidsovereenkomst nietig, omdat de cao bepaalt dat voor de werknemer ten minste het cao-loon geldt en daar dus niet in het nadeel van [naam] van afgeweken mocht worden (artikel 12 Wet CAO en artikel 35 lid 1 cao). 4.3. De bewindvoerder gaat ervan uit dat de functie van [naam] viel onder functiegroep C en dat hij was ingedeeld in de laagste trede. Dit heeft [verweerder] niet weersproken. Daarom gaat de kantonrechter ook uit van deze uitgangspunten. [verweerder] voert aan dat [naam] ongeveer 36 uur per week werkte en dat daarom niet uitgegaan moet worden van een 40-urige werkweek voor het berekenen van het cao-loon zoals de bewindvoerder heeft gedaan.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4861 text/xml public 2026-05-12T14:01:47 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-14 12032430 HA VERZ 25-105 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4861 text/html public 2026-05-12T14:00:41 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4861 Rechtbank Rotterdam , 14-04-2026 / 12032430 HA VERZ 25-105 Werknemer stelt dat hij op staande voet is ontslagen, maar de kantonrechter oordeelt dat dat niet het geval is. De arbeidsovereenkomst is ook niet met wederzijds goedvinden geëindigd zoals werkgever aanvoert. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 12032430 HA VERZ 25-105 datum uitspraak: 14 april 2026 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van Mijnbudgetcoach.nl B.V. , in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam] , vestigingsplaats: Papendrecht, verzoekster, gemachtigde: mr. H.E.C. Heijkoop-Otterman, tegen [verweerder] , die handelt onder de naam [handelsnaam] , woonplaats: [woonplaats] , verweerder, gemachtigde: mr. L.A. Pruis en mr. N.D. van der Valk. De partijen worden hierna ‘de bewindvoerder’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd. De onderbewindgestelde wordt hierna ‘ [naam] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: het verzoekschrift van de bewindvoerder, met bijlagen; het verweerschrift van [verweerder] , met bijlagen; het herziene verzoekschrift van 27 februari 2026, met bijlagen; de brief van de bewindvoerder van 3 maart 2026, met bijlagen; de brief van de bewindvoerder van 13 maart 2026 waarin zij verduidelijkt dat de primaire verzoeken zijn ingetrokken. 1.2. Op 4 maart 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen en hun gemachtigden besproken. 2 De kern van de zaak Waar gaat de zaak over? 2.1. [naam] werkte sinds 12 maart 2025 bij [verweerder] als machinist op basis van een oproepcontract voor bepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Groen Grond en Infrastructuur van toepassing. Volgens [naam] is hij in een gesprek met [verweerder] op 30 oktober 2025 op staande voet ontslagen omdat hij zich ziek had gemeld. De bewindvoerder wil dat [verweerder] de transitievergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding aan haar betaalt. Daarnaast wil de bewindvoerder dat [verweerder] achterstallig salaris en vergoedingen op grond van de cao aan haar betaalt over de periode voor 30 oktober 2025. [verweerder] is het daar niet mee eens. Hij stelt zich primair op het standpunt dat hij [naam] niet op staande voet heeft ontslagen, maar dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. De uitkomst 2.2. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [naam] niet op staande voet is ontslagen en dat de arbeidsovereenkomst ook niet met wederzijds goedvinden is geëindigd. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst doorliep tot 11 maart 2026, de dag waarop de arbeidsovereenkomst van rechtswege afliep. Dat betekent dat de bewindvoerder geen aanspraak kan maken op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en ook niet op een billijke vergoeding. Wel moet [verweerder] over de periode voor 30 oktober 2025 achterstallig salaris en vergoedingen op grond van de cao aan de bewindvoerder betalen. [verweerder] moet ook de transitievergoeding aan de bewindvoerder betalen. 3 Het einde van de arbeidsovereenkomst De arbeidsovereenkomst is niet geëindigd op 30 oktober 2025 3.1. Vaststaat dat [verweerder] op 30 oktober 2025 [naam] bij zijn huis heeft opgezocht en zij een gesprek hebben gevoerd. Na dat gesprek hebben zij geen uitvoering meer gegeven aan de arbeidsovereenkomst. De partijen zijn het niet eens over wat er tijdens het gesprek precies is gezegd: volgens [naam] is hij op staande voet ontslagen, terwijl [verweerder] aanvoert dat zij in goed overleg besloten de arbeidsovereenkomst te beëindigen. 3.2. De kantonrechter oordeelt dat in het midden kan blijven of [naam] op 30 oktober 2025 heeft ingestemd met een beëindiging met wederzijds goedvinden. Zelfs als dat zou komen vast te staan, geldt dat een overeenkomst waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd alleen geldig is als deze schriftelijk is aangegaan en dat is niet gebeurd (artikel 7:670b lid 1 BW). De bevestiging van de beëindiging met wederzijds goedvinden die [verweerder] op 12 november 2025 aan [naam] heeft gestuurd, is dus niet van belang. Alleen al hierom is de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig met wederzijds goedvinden beëindigd. 3.3. Dan is het de vraag of [naam] op 30 oktober 2025 door [verweerder] op staande voet is ontslagen. Tijdens de zitting heeft hij daar zelf over verklaard dat hij niet meer precies weet hoe het gesprek is verlopen, maar dat er niet gesproken is over een ontslag. Wel was [verweerder] boos dat hij zich had ziek gemeld, werd hem succes gewenst met het zoeken naar ander werk en heeft [verweerder] de autosleutels van de werkbus meegenomen, aldus nog steeds [naam] . Volgens [verweerder] was het juist een vredig gesprek waarin vooral is gesproken over het vinden van een nieuwe baan voor [naam] , omdat hij steeds minder tevreden was over het functioneren van [naam] en hij misbruik zou hebben gemaakt van de tankpas die aan hem ter beschikking was gesteld. De kantonrechter oordeelt dat ook als de verklaring van [naam] over het gesprek van 30 oktober 2025 zou komen vast te staan, hij in redelijkheid de uitlatingen van [verweerder] niet heeft mogen opvatten als een ontslag op staande voet. Hij verklaart namelijk niet dat [verweerder] tegen hem heeft gezegd dat hij per direct was ontslagen. Integendeel, volgens [naam] is helemaal niet over een ontslag gesproken. 3.4. Weliswaar erkent [verweerder] subsidiair dat hij [naam] op 30 oktober 2025 op staande voet heeft ontslagen, maar dat kan niet. [verweerder] ‘erkent’ daarmee namelijk een juridische kwalificatie, terwijl hij alleen feiten kan erkennen die tot een bepaalde kwalificatie (oordeel over de feiten) leiden en dat doet hij juist niet. De brief van 2 december 2025 waarin [verweerder] vier ontslagredenen noemt, maakt de uitkomst ook niet anders, omdat het ‘ontslag’ al mondeling gegeven zou zijn op 30 oktober 2025. De arbeidsovereenkomst is wel geëindigd op 11 maart 2026 3.5. De tijdelijke arbeidsovereenkomst van [naam] is wel op 11 maart 2026 geëindigd, omdat partijen zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst per die datum van rechtswege eindigt (artikel 7:667 lid 1 BW). 4 De loonvordering tot 30 oktober 2025 4.1. Hierna bespreekt de kantonrechter de loonvordering die ziet op de periode tot 30 oktober 2025. Daarbij stelt zij voorop dat de bewindvoerder de vordering erg globaal heeft berekend en [verweerder] de vordering erg globaal betwist. Er is dus nog steeds veel onduidelijk, terwijl de partijen ook hebben aangegeven niet over meer relevante informatie te beschikken dan zij in deze procedure al hebben overgelegd. Daarom zal de kantonrechter beslissen aan de hand van wat partijen nu naar voren hebben gebracht. Het uurloon van [naam] was tot 1 juli 2025 € 14,34 bruto 4.2. Volgens de bewindvoerder heeft [naam] vanaf 11 maart 2025 tot 1 juli 2025 een te laag uurloon ontvangen, namelijk € 14,06 in plaats van € 14,34. Het uurloon van € 14,06 bruto staat weliswaar in de arbeidsovereenkomst, maar de bewindvoerder wijst op het cao-loon dat volgens haar uitkomt op het hogere bruto uurloon van € 14,34. Als dat zo is, is de loonafspraak in de arbeidsovereenkomst nietig, omdat de cao bepaalt dat voor de werknemer ten minste het cao-loon geldt en daar dus niet in het nadeel van [naam] van afgeweken mocht worden (artikel 12 Wet CAO en artikel 35 lid 1 cao). 4.3. De bewindvoerder gaat ervan uit dat de functie van [naam] viel onder functiegroep C en dat hij was ingedeeld in de laagste trede. Dit heeft [verweerder] niet weersproken. Daarom gaat de kantonrechter ook uit van deze uitgangspunten. [verweerder] voert aan dat [naam] ongeveer 36 uur per week werkte en dat daarom niet uitgegaan moet worden van een 40-urige werkweek voor het berekenen van het cao-loon zoals de bewindvoerder heeft gedaan.
Volledig
Wat daarvan ook zij, de cao kent maar twee loonschalen: voor een 38-urige werkweek (A1) en voor een 40-urige werkweek (A2). Beide schalen komen neer op een uurloon van € 14,34 bruto. De cao kent geen bepaling om het uurloon te bepalen op basis van een oproepcontract of een 36-urige werkweek. Daarom sluit de kantonrechter aan bij de loonschalen die er wel zijn en is de conclusie dat [naam] tot 1 juli 2025 aanspraak kan maken op een bruto uurloon van € 14,34. [verweerder] heeft niet te weinig uren uitbetaald 4.4. Volgens de bewindvoerder heeft [verweerder] te weinig uren uitbetaald aan [naam] . Zij stelt dat [naam] elke werkdag 9 uur werkte, namelijk van 7 tot 17 uur met een uur pauze. Dat onderbouwt zij met een screenshot van de Google Maps activiteit van de telefoon van [naam] op een aantal dagen in augustus en september 2025, waaruit blijkt tussen welke tijden de telefoon heeft aangestraald op een zendmast bij de werklocatie. [verweerder] betwist dat hij [naam] te weinig uren heeft betaald, omdat hij de uren die [naam] werkte wekelijks doorgaf aan zijn loonadministrateur, die uren op de loonstroken staan en dus uitbetaald zijn. Volgens [verweerder] werkte [naam] niet standaard 9 uur per dag, maar in de regel van 7 tot 16 uur met een uur pauze. 4.5. De kantonrechter oordeelt dat de bewindvoerder onvoldoende heeft onderbouwd dat [naam] meer heeft gewerkt dan hij uitbetaald heeft gekregen. Het overzicht van Google Maps is daarvoor onvoldoende, omdat – nog los van de betrouwbaarheid – daar niet uit volgt dat [naam] standaard van 7 tot 17 uur aanwezig was op de werklocatie. Dat was namelijk alleen het geval op 26 augustus 2025 en dat is echt onvoldoende om aan te nemen dat [naam] gedurende zijn hele dienstverband 9 uur per dag heeft gewerkt, te meer omdat niet is weersproken dat [verweerder] de gewerkte uren van [naam] wekelijks doorgaf aan zijn loonadministrateur. De uitbetaalde uren fluctueerde bovendien per periode, wat meer past bij het karakter van de oproepovereenkomst dan bij een vast arbeidspatroon van 45 uur per week waar de bewindvoerder vanuit gaat. 4.6. Tot 1 juli 2025 kan de bewindvoerder dus nog aanspraak maken op het verschil tussen het uitbetaalde salaris over de gewerkte uren (€ 14,06 bruto) en het salaris dat [verweerder] had moeten betalen (€ 14,34 bruto). Het gaat in totaal om € 143,64 bruto (513 uur x € 0,28). [verweerder] hoeft daarom ook geen overurentoeslag te betalen 4.7. De bewindvoerder verzoekt op grond van de cao om een overwerktoeslag van 30% over de uren die [naam] meer dan 40 uur per week werkte. Nu niet is komen vast te staan dat [naam] meer dan 40 uur per week heeft gewerkt, heeft [naam] ook geen recht op een overwerktoeslag. [verweerder] moet een vergoeding voor de reistijd van [naam] betalen 4.8. De bewindvoerder wil dat [verweerder] een vergoeding voor de reistijd van [naam] betaalt op grond van artikel 53 van de cao. Daarin staat dat de werkgever de normale reistijd boven de 30 minuten van de woning van werknemer naar de door de werkgever aangewezen werkplek vergoedt op basis van het feitelijk loon. Als een werknemer in overleg met de werkgever een of meerdere medewerknemers vervoert (carpoolen), wordt de volledige reistijd vergoed tegen het feitelijk loon. 4.9. Het volgende staat vast: [verweerder] heeft de reistijd van [naam] niet vergoed; de normale reistijd van de woning van [naam] naar de Maasvlakte is 50 minuten; [naam] werkte op de meeste dagen op de Maasvlakte, maar heeft ook op andere locaties gewerkt; voor 1 september 2025 is regelmatig sprake geweest van carpoolen in overleg met [verweerder] ; vanaf 1 september 2025 is er geen sprake meer geweest van carpoolen. 4.10. De kantonrechter kan niet precies vaststellen op welke dagen [naam] heeft gecarpoold en zijn reistijd dus volledig vergoed moet worden. Omdat wel vaststaat dat met regelmaat sprake is geweest van carpoolen gaat de kantonrechter ervan uit dat [naam] in de periode van 12 maart 2025 tot 1 september 2025 op 75% van zijn werkdagen heeft gecarpoold en daarna niet meer. Dat zijn afgerond 89 werkdagen waarop [naam] recht heeft op volledige vergoeding van zijn reistijd (100 minuten) en 30 werkdagen waarop [naam] recht heeft op vergoeding van een reistijd van 40 minuten. In de periode na 1 september 2025 tot 30 oktober 2025 gaat het om 43 dagen waarop [naam] recht heeft op vergoeding van een reistijd van 40 minuten. In totaal moet Batenberg dus 197 uur aan reistijd vergoeden op basis van het feitelijk loon. 4.11. De partijen zijn het er niet over eens of de vakantietoeslag behoort tot het feitelijk loon. Dat is niet het geval, want in artikel 44 van de cao staat dat de werkgever 8,33% van het feitelijk loon aan vakantietoeslag moet betalen. De kantonrechter gaat dus uit van het kale bruto uurloon van [naam] dat tot 1 juli 2025 € 14,34 bedroeg en daarna € 14,40. De kantonrechter neemt gelet op het kleine verschil voor haar berekening het gemiddelde van deze bedragen, te weten € 14,38 bruto. Al met al komt de kantonrechter uit op een bedrag van € 2.832,86 bruto aan reistijdvergoeding. De bewindvoerder heeft zelf een korting toegepast van € 41,48 omdat [naam] soms ook op een andere locatie heeft gewerkt. [verweerder] heeft niet aangegeven dat dit bedrag niet klopt en daarom trekt de kantonrechter dit bedrag ook af van de hiervoor berekende reistijdvergoeding. De conclusie is dat [verweerder] € 2.791,38 bruto aan de bewindvoerder moet betalen aan reistijdvergoeding. [verweerder] moet reiskosten van [naam] vergoeden 4.12. De bewindvoerder wil dat [verweerder] ook de reiskosten van [naam] vergoedt op grond van artikel 52 van de cao. Op grond van artikel 52 van de cao moet de werkgever een afstandsvergoeding betalen als de werknemer met een eigen vervoermiddel reist. Hoe hoog die vergoeding is, verschilt: € 0,23 per kilometer voor de afstand van de woning van de werknemer tot het bedrijf van werkgever, € 0,31 per kilometer als er wordt gecarpoold en € 0,33 per kilometer voor de afstand van het bedrijf van de werkgever en de daadwerkelijke werklocatie. [naam] heeft dus alleen recht op een reiskostenvergoeding op grond van de cao als hij in zijn eigen auto reed; op de dagen dat hij in de werkbus reed, heeft hij dat niet. 4.13. Het volgende staat vast: [naam] heeft tot 15 april 2025 in de werkbus van [verweerder] gereden. Dat blijkt namelijk uit een whatsappbericht van [naam] aan [verweerder] van 15 april 2025 waarin hij schrijft dat hij voortaan met zijn eigen auto naar de werklocatie komt ; [naam] heeft na 17 oktober 2025 in de werkbus van [verweerder] gereden; in de tussenliggende periode is de eigen auto van [naam] enige tijd kapot geweest; [naam] werkte op de meeste dagen op de Maasvlakte, maar heeft ook op andere locaties gewerkt; de afstand van de woning van [naam] tot de bedrijfslocatie van [verweerder] is 21,3 kilometer; de afstand van de bedrijfslocatie van [verweerder] tot de werklocatie Maasvlakte is 43,1 kilometer; voor 1 september 2025 is regelmatig sprake geweest van carpoolen in overleg met [verweerder] ; vanaf 1 september 2025 is er geen sprake meer geweest van carpoolen; 4.14. Op basis van deze uitgangspunten berekent de kantonrechter de reiskostenvergoeding van [naam] op € 4.910,37 netto. De uitleg van dit bedrag volgt hierna. 12 maart tot 15 april 2025: [naam] reed in de werkbus en heeft daarom geen recht op een reiskostenvergoeding op grond van de cao. 15 april 2025 tot 1 september 2025 [naam] reed in zijn eigen auto en op 75% van deze dagen was sprake van carpoolen. De kantonrechter gaat ervan uit dat de auto van [naam] één week kapot is geweest. In deze periode zitten dus 97 werkdagen waarop [naam] recht heeft op een reiskostenvergoeding op grond van de cao. Op afgerond 24 werkdagen (25% van 97) reed hij alleen. Op de overige werkdagen (73 dagen) was sprake van carpoolen. De reiskostenvergoeding bedraagt dus: 24 x 42,6 kilometer x € 0,23 = € 235,15 + 24 x 86,2 kilometer x € 0,31 = € 641,33 + 73 x 42,6 kilometer x € 0,23 = € 714,45 + 73 x 86,2 kilometer x € 0,33 = € 2.077,76. 1 september 2025 tot 17 oktober 2025 [naam] reed alleen in zijn eigen auto naar het werk. Dat zijn 34 werkdagen.
Volledig
Wat daarvan ook zij, de cao kent maar twee loonschalen: voor een 38-urige werkweek (A1) en voor een 40-urige werkweek (A2). Beide schalen komen neer op een uurloon van € 14,34 bruto. De cao kent geen bepaling om het uurloon te bepalen op basis van een oproepcontract of een 36-urige werkweek. Daarom sluit de kantonrechter aan bij de loonschalen die er wel zijn en is de conclusie dat [naam] tot 1 juli 2025 aanspraak kan maken op een bruto uurloon van € 14,34. [verweerder] heeft niet te weinig uren uitbetaald 4.4. Volgens de bewindvoerder heeft [verweerder] te weinig uren uitbetaald aan [naam] . Zij stelt dat [naam] elke werkdag 9 uur werkte, namelijk van 7 tot 17 uur met een uur pauze. Dat onderbouwt zij met een screenshot van de Google Maps activiteit van de telefoon van [naam] op een aantal dagen in augustus en september 2025, waaruit blijkt tussen welke tijden de telefoon heeft aangestraald op een zendmast bij de werklocatie. [verweerder] betwist dat hij [naam] te weinig uren heeft betaald, omdat hij de uren die [naam] werkte wekelijks doorgaf aan zijn loonadministrateur, die uren op de loonstroken staan en dus uitbetaald zijn. Volgens [verweerder] werkte [naam] niet standaard 9 uur per dag, maar in de regel van 7 tot 16 uur met een uur pauze. 4.5. De kantonrechter oordeelt dat de bewindvoerder onvoldoende heeft onderbouwd dat [naam] meer heeft gewerkt dan hij uitbetaald heeft gekregen. Het overzicht van Google Maps is daarvoor onvoldoende, omdat – nog los van de betrouwbaarheid – daar niet uit volgt dat [naam] standaard van 7 tot 17 uur aanwezig was op de werklocatie. Dat was namelijk alleen het geval op 26 augustus 2025 en dat is echt onvoldoende om aan te nemen dat [naam] gedurende zijn hele dienstverband 9 uur per dag heeft gewerkt, te meer omdat niet is weersproken dat [verweerder] de gewerkte uren van [naam] wekelijks doorgaf aan zijn loonadministrateur. De uitbetaalde uren fluctueerde bovendien per periode, wat meer past bij het karakter van de oproepovereenkomst dan bij een vast arbeidspatroon van 45 uur per week waar de bewindvoerder vanuit gaat. 4.6. Tot 1 juli 2025 kan de bewindvoerder dus nog aanspraak maken op het verschil tussen het uitbetaalde salaris over de gewerkte uren (€ 14,06 bruto) en het salaris dat [verweerder] had moeten betalen (€ 14,34 bruto). Het gaat in totaal om € 143,64 bruto (513 uur x € 0,28). [verweerder] hoeft daarom ook geen overurentoeslag te betalen 4.7. De bewindvoerder verzoekt op grond van de cao om een overwerktoeslag van 30% over de uren die [naam] meer dan 40 uur per week werkte. Nu niet is komen vast te staan dat [naam] meer dan 40 uur per week heeft gewerkt, heeft [naam] ook geen recht op een overwerktoeslag. [verweerder] moet een vergoeding voor de reistijd van [naam] betalen 4.8. De bewindvoerder wil dat [verweerder] een vergoeding voor de reistijd van [naam] betaalt op grond van artikel 53 van de cao. Daarin staat dat de werkgever de normale reistijd boven de 30 minuten van de woning van werknemer naar de door de werkgever aangewezen werkplek vergoedt op basis van het feitelijk loon. Als een werknemer in overleg met de werkgever een of meerdere medewerknemers vervoert (carpoolen), wordt de volledige reistijd vergoed tegen het feitelijk loon. 4.9. Het volgende staat vast: [verweerder] heeft de reistijd van [naam] niet vergoed; de normale reistijd van de woning van [naam] naar de Maasvlakte is 50 minuten; [naam] werkte op de meeste dagen op de Maasvlakte, maar heeft ook op andere locaties gewerkt; voor 1 september 2025 is regelmatig sprake geweest van carpoolen in overleg met [verweerder] ; vanaf 1 september 2025 is er geen sprake meer geweest van carpoolen. 4.10. De kantonrechter kan niet precies vaststellen op welke dagen [naam] heeft gecarpoold en zijn reistijd dus volledig vergoed moet worden. Omdat wel vaststaat dat met regelmaat sprake is geweest van carpoolen gaat de kantonrechter ervan uit dat [naam] in de periode van 12 maart 2025 tot 1 september 2025 op 75% van zijn werkdagen heeft gecarpoold en daarna niet meer. Dat zijn afgerond 89 werkdagen waarop [naam] recht heeft op volledige vergoeding van zijn reistijd (100 minuten) en 30 werkdagen waarop [naam] recht heeft op vergoeding van een reistijd van 40 minuten. In de periode na 1 september 2025 tot 30 oktober 2025 gaat het om 43 dagen waarop [naam] recht heeft op vergoeding van een reistijd van 40 minuten. In totaal moet Batenberg dus 197 uur aan reistijd vergoeden op basis van het feitelijk loon. 4.11. De partijen zijn het er niet over eens of de vakantietoeslag behoort tot het feitelijk loon. Dat is niet het geval, want in artikel 44 van de cao staat dat de werkgever 8,33% van het feitelijk loon aan vakantietoeslag moet betalen. De kantonrechter gaat dus uit van het kale bruto uurloon van [naam] dat tot 1 juli 2025 € 14,34 bedroeg en daarna € 14,40. De kantonrechter neemt gelet op het kleine verschil voor haar berekening het gemiddelde van deze bedragen, te weten € 14,38 bruto. Al met al komt de kantonrechter uit op een bedrag van € 2.832,86 bruto aan reistijdvergoeding. De bewindvoerder heeft zelf een korting toegepast van € 41,48 omdat [naam] soms ook op een andere locatie heeft gewerkt. [verweerder] heeft niet aangegeven dat dit bedrag niet klopt en daarom trekt de kantonrechter dit bedrag ook af van de hiervoor berekende reistijdvergoeding. De conclusie is dat [verweerder] € 2.791,38 bruto aan de bewindvoerder moet betalen aan reistijdvergoeding. [verweerder] moet reiskosten van [naam] vergoeden 4.12. De bewindvoerder wil dat [verweerder] ook de reiskosten van [naam] vergoedt op grond van artikel 52 van de cao. Op grond van artikel 52 van de cao moet de werkgever een afstandsvergoeding betalen als de werknemer met een eigen vervoermiddel reist. Hoe hoog die vergoeding is, verschilt: € 0,23 per kilometer voor de afstand van de woning van de werknemer tot het bedrijf van werkgever, € 0,31 per kilometer als er wordt gecarpoold en € 0,33 per kilometer voor de afstand van het bedrijf van de werkgever en de daadwerkelijke werklocatie. [naam] heeft dus alleen recht op een reiskostenvergoeding op grond van de cao als hij in zijn eigen auto reed; op de dagen dat hij in de werkbus reed, heeft hij dat niet. 4.13. Het volgende staat vast: [naam] heeft tot 15 april 2025 in de werkbus van [verweerder] gereden. Dat blijkt namelijk uit een whatsappbericht van [naam] aan [verweerder] van 15 april 2025 waarin hij schrijft dat hij voortaan met zijn eigen auto naar de werklocatie komt ; [naam] heeft na 17 oktober 2025 in de werkbus van [verweerder] gereden; in de tussenliggende periode is de eigen auto van [naam] enige tijd kapot geweest; [naam] werkte op de meeste dagen op de Maasvlakte, maar heeft ook op andere locaties gewerkt; de afstand van de woning van [naam] tot de bedrijfslocatie van [verweerder] is 21,3 kilometer; de afstand van de bedrijfslocatie van [verweerder] tot de werklocatie Maasvlakte is 43,1 kilometer; voor 1 september 2025 is regelmatig sprake geweest van carpoolen in overleg met [verweerder] ; vanaf 1 september 2025 is er geen sprake meer geweest van carpoolen; 4.14. Op basis van deze uitgangspunten berekent de kantonrechter de reiskostenvergoeding van [naam] op € 4.910,37 netto. De uitleg van dit bedrag volgt hierna. 12 maart tot 15 april 2025: [naam] reed in de werkbus en heeft daarom geen recht op een reiskostenvergoeding op grond van de cao. 15 april 2025 tot 1 september 2025 [naam] reed in zijn eigen auto en op 75% van deze dagen was sprake van carpoolen. De kantonrechter gaat ervan uit dat de auto van [naam] één week kapot is geweest. In deze periode zitten dus 97 werkdagen waarop [naam] recht heeft op een reiskostenvergoeding op grond van de cao. Op afgerond 24 werkdagen (25% van 97) reed hij alleen. Op de overige werkdagen (73 dagen) was sprake van carpoolen. De reiskostenvergoeding bedraagt dus: 24 x 42,6 kilometer x € 0,23 = € 235,15 + 24 x 86,2 kilometer x € 0,31 = € 641,33 + 73 x 42,6 kilometer x € 0,23 = € 714,45 + 73 x 86,2 kilometer x € 0,33 = € 2.077,76. 1 september 2025 tot 17 oktober 2025 [naam] reed alleen in zijn eigen auto naar het werk. Dat zijn 34 werkdagen.
Volledig
De reiskostenvergoeding bedraagt dus: 34 x 42,6 kilometer x € 0,23 = € 333,13 + 34 x 86,2 kilometer x € 0,31 = € 908,55. 17 oktober 2025 tot 30 oktober 2025 [naam] reed in de werkbus van [verweerder] en heeft daarom geen recht op een reiskostenvergoeding op grond van de cao. De kosten van de tankpas worden daarvan afgetrokken 4.15. De partijen zijn het er ook over eens dat van de totale reiskostenvergoeding de kosten die [naam] heeft gemaakt met de tankpas die [verweerder] aan hem ter beschikking had gesteld, moeten worden afgetrokken. Het gaat in totaal om € 2.793,98 inclusief btw. Daarom wordt [verweerder] veroordeeld om € 2.116,39 netto aan reiskostenvergoeding aan de bewindvoerder te betalen. Geen eindafrekening van vakantie-uren 4.16. De bewindvoerder verzoekt ook om [verweerder] te veroordelen over te gaan tot een eindafrekening van opgebouwde vakantie-uren, maar uit de salarisstroken blijkt dat [verweerder] de vakantie-uren maandelijks heeft uitbetaald. Dat dit is gebeurd, heeft de bewindvoerder niet betwist. Daarom wordt dit verzoek afgewezen. [verweerder] moet wettelijke rente betalen en wettelijke verhoging over achterstallig loon 4.17. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing staat. De wettelijke verhoging is alleen toewijsbaar over het achterstallige loon en niet over de reisvergoedingen op grond van de cao, want die vergoedingen vallen niet onder het loonbegrip van artikel 7:625 BW. De kantonrechter ziet aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 10%. 5 Vergoedingen vanwege het einde van het dienstverband [verweerder] moet een transitievergoeding betalen 5.1. [naam] heeft recht op een transitievergoeding, omdat de arbeidsovereenkomst op 11 maart 2026 van rechtswege is geëindigd, op initiatief van [verweerder] niet aansluitend is voortgezet en het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [naam] (artikel 7:673 lid 1 en 7 BW). 5.2. Op basis van het loon en de duur van de arbeidsovereenkomst is de hoogte van de vergoeding € 798,93 bruto. Voor de berekening van het loon is de kantonrechter uitgegaan van het bruto uurloon van € 14,40 vermeerderd met 8,33% vakantietoeslag en vermenigvuldigd met het gemiddelde aantal gewerkte uren per maand op basis van de loonstroken (artikel 2 lid 1 Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding). Omdat de bewindvoerder heeft verzocht om een bedrag van € 642,30 bruto zal de kantonrechter dit lagere bedrag toewijzen. 5.3. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a BW). 5.4. De bewindvoerder verzoekt ook om een vergoeding vanwege onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding. Die verzoeken worden afgewezen, alleen al omdat niet is komen vast te staan dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. 6 Buitengerechtelijke kosten, proceskosten en uitvoerbaar bij voorraad [verweerder] moet buitengerechtelijke kosten te betalen 6.1. De bewindvoerder verzoekt om [verweerder] te veroordelen om buitengerechtelijke incassokosten te betalen, omdat [verweerder] geen gehoor heeft gegeven aan de sommaties om te betalen. Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 798,22 toegewezen. Dit is het bedrag waarop de bewindvoerder recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten worden gecompenseerd 6.2. De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad 6.3. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat de bewindvoerder dat heeft gevraagd en [verweerder] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 7 De beslissing De kantonrechter: 7.1. veroordeelt [verweerder] om aan de bewindvoerder de transitievergoeding van € 642,30 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 12 april 2026 tot de dag dat volledig is betaald; 7.2. veroordeelt [verweerder] om aan de bewindvoerder achterstallig loon van € 143,64 bruto te betalen met de wettelijke verhoging van 10% op grond van artikel 7:625 BW en het aldus verhoogde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald; 7.3. veroordeelt [verweerder] om aan de bewindvoerder een reistijdvergoeding van € 2.791,38 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald; 7.4. veroordeelt [verweerder] om aan de bewindvoerder een reiskostenvergoeding van € 2.116,39 netto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald; 7.5. veroordeelt [verweerder] om van de bedragen die staan onder 7.2 en 7.3 deugdelijke bruto-netto specificaties te verschaffen aan de bewindvoerder; 7.6. veroordeelt [verweerder] om aan de bewindvoerder buitengerechtelijke incassokosten van € 798,22 te betalen; 7.7. bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen; 7.8. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 7.9. wijst al het andere af. Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken. 49039 Bijlage 3 bij verzoekschrift. Bijlage 17 bij verzoekschrift. In totaal 119 werkdagen (zonder Feestdagen) x 75%. Bijlage 2 bij verweerschrift. In totaal 98 werkdagen – 5 werkdagen vanwege de kapotte auto x 75%, In totaal 1170 uur over 33 weken = 35,45 uur per week = 153,64 uur per maand x € 14,40 x 1,0833 = € 2.396,78 bruto per maand.
Volledig
De reiskostenvergoeding bedraagt dus: 34 x 42,6 kilometer x € 0,23 = € 333,13 + 34 x 86,2 kilometer x € 0,31 = € 908,55. 17 oktober 2025 tot 30 oktober 2025 [naam] reed in de werkbus van [verweerder] en heeft daarom geen recht op een reiskostenvergoeding op grond van de cao. De kosten van de tankpas worden daarvan afgetrokken 4.15. De partijen zijn het er ook over eens dat van de totale reiskostenvergoeding de kosten die [naam] heeft gemaakt met de tankpas die [verweerder] aan hem ter beschikking had gesteld, moeten worden afgetrokken. Het gaat in totaal om € 2.793,98 inclusief btw. Daarom wordt [verweerder] veroordeeld om € 2.116,39 netto aan reiskostenvergoeding aan de bewindvoerder te betalen. Geen eindafrekening van vakantie-uren 4.16. De bewindvoerder verzoekt ook om [verweerder] te veroordelen over te gaan tot een eindafrekening van opgebouwde vakantie-uren, maar uit de salarisstroken blijkt dat [verweerder] de vakantie-uren maandelijks heeft uitbetaald. Dat dit is gebeurd, heeft de bewindvoerder niet betwist. Daarom wordt dit verzoek afgewezen. [verweerder] moet wettelijke rente betalen en wettelijke verhoging over achterstallig loon 4.17. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing staat. De wettelijke verhoging is alleen toewijsbaar over het achterstallige loon en niet over de reisvergoedingen op grond van de cao, want die vergoedingen vallen niet onder het loonbegrip van artikel 7:625 BW. De kantonrechter ziet aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 10%. 5 Vergoedingen vanwege het einde van het dienstverband [verweerder] moet een transitievergoeding betalen 5.1. [naam] heeft recht op een transitievergoeding, omdat de arbeidsovereenkomst op 11 maart 2026 van rechtswege is geëindigd, op initiatief van [verweerder] niet aansluitend is voortgezet en het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [naam] (artikel 7:673 lid 1 en 7 BW). 5.2. Op basis van het loon en de duur van de arbeidsovereenkomst is de hoogte van de vergoeding € 798,93 bruto. Voor de berekening van het loon is de kantonrechter uitgegaan van het bruto uurloon van € 14,40 vermeerderd met 8,33% vakantietoeslag en vermenigvuldigd met het gemiddelde aantal gewerkte uren per maand op basis van de loonstroken (artikel 2 lid 1 Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding). Omdat de bewindvoerder heeft verzocht om een bedrag van € 642,30 bruto zal de kantonrechter dit lagere bedrag toewijzen. 5.3. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a BW). 5.4. De bewindvoerder verzoekt ook om een vergoeding vanwege onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding. Die verzoeken worden afgewezen, alleen al omdat niet is komen vast te staan dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. 6 Buitengerechtelijke kosten, proceskosten en uitvoerbaar bij voorraad [verweerder] moet buitengerechtelijke kosten te betalen 6.1. De bewindvoerder verzoekt om [verweerder] te veroordelen om buitengerechtelijke incassokosten te betalen, omdat [verweerder] geen gehoor heeft gegeven aan de sommaties om te betalen. Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 798,22 toegewezen. Dit is het bedrag waarop de bewindvoerder recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten worden gecompenseerd 6.2. De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad 6.3. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat de bewindvoerder dat heeft gevraagd en [verweerder] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 7 De beslissing De kantonrechter: 7.1. veroordeelt [verweerder] om aan de bewindvoerder de transitievergoeding van € 642,30 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 12 april 2026 tot de dag dat volledig is betaald; 7.2. veroordeelt [verweerder] om aan de bewindvoerder achterstallig loon van € 143,64 bruto te betalen met de wettelijke verhoging van 10% op grond van artikel 7:625 BW en het aldus verhoogde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald; 7.3. veroordeelt [verweerder] om aan de bewindvoerder een reistijdvergoeding van € 2.791,38 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald; 7.4. veroordeelt [verweerder] om aan de bewindvoerder een reiskostenvergoeding van € 2.116,39 netto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald; 7.5. veroordeelt [verweerder] om van de bedragen die staan onder 7.2 en 7.3 deugdelijke bruto-netto specificaties te verschaffen aan de bewindvoerder; 7.6. veroordeelt [verweerder] om aan de bewindvoerder buitengerechtelijke incassokosten van € 798,22 te betalen; 7.7. bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen; 7.8. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 7.9. wijst al het andere af. Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken. 49039 Bijlage 3 bij verzoekschrift. Bijlage 17 bij verzoekschrift. In totaal 119 werkdagen (zonder Feestdagen) x 75%. Bijlage 2 bij verweerschrift. In totaal 98 werkdagen – 5 werkdagen vanwege de kapotte auto x 75%, In totaal 1170 uur over 33 weken = 35,45 uur per week = 153,64 uur per maand x € 14,40 x 1,0833 = € 2.396,78 bruto per maand.