Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-16
ECLI:NL:RBROT:2026:4830
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Proces-verbaal
2,126 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4830 text/xml public 2026-05-18T13:19:48 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-16 ROT 26/2353 Uitspraak Proces-verbaal NL Rotterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4830 text/html public 2026-05-18T13:18:36 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4830 Rechtbank Rotterdam , 16-04-2026 / ROT 26/2353 Bij aanvang van de zitting heeft de gemachtigde van verzoekster erkend dat het griffierecht niet is betaald. De gemachtigde van verzoekster zag geen mogelijkheid om voorafgaand aan de behandeling van de zaak op de zitting voor betaling namens verzoekster zorg te dragen. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/2353 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster], verzoekster (gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college (gemachtigden: mr. A.M.H. Dellaert en mr. P.A.M. Badal). Procesverloop 1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een briefadres. Het college heeft hierop gereageerd bij e-mailbericht van 10 maart 2026. Verzoekster heeft tegen deze reactie bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van partijen. 1.2. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Het verschuldigde griffierecht is in deze zaak € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als de zitting eerder is, moet het verschuldigde griffierecht voor de zitting worden betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. 3. Op 19 maart 2026 heeft verzoekster verzocht om vrijstelling van het verschuldigde griffierecht. Dat verzoek kan alleen worden toegewezen als voldaan is aan criteria met betrekking tot het inkomen. Op dezelfde dag is verzoekster daarom in de gelegenheid gesteld om binnen één week hierover stukken in te dienen zodat het verzoek door de rechtbank kan worden beoordeeld. Hierop heeft de gemachtigde van verzoekster niet gereageerd. Dit betekent dat het verzoek om vrijstelling is afgewezen. Aan verzoekster is op 8 april 2026 een nota verstuurd om het verschuldigde griffierecht te voldoen, gelet op de naderende zittingsdatum uiterlijk voorafgaand aan de zitting van 16 april 2026. Bij aanvang van de zitting heeft de gemachtigde van verzoekster erkend dat het griffierecht niet is betaald. De gemachtigde van verzoekster zag geen mogelijkheid om voorafgaand aan de behandeling van de zaak op de zitting voor betaling namens verzoekster zorg te dragen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan en dat niet is gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim. 4. Gelet op het voorgaande verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4830 text/xml public 2026-05-18T13:19:48 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-16 ROT 26/2353 Uitspraak Proces-verbaal NL Rotterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4830 text/html public 2026-05-18T13:18:36 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4830 Rechtbank Rotterdam , 16-04-2026 / ROT 26/2353 Bij aanvang van de zitting heeft de gemachtigde van verzoekster erkend dat het griffierecht niet is betaald. De gemachtigde van verzoekster zag geen mogelijkheid om voorafgaand aan de behandeling van de zaak op de zitting voor betaling namens verzoekster zorg te dragen. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/2353 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster], verzoekster (gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college (gemachtigden: mr. A.M.H. Dellaert en mr. P.A.M. Badal). Procesverloop 1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een briefadres. Het college heeft hierop gereageerd bij e-mailbericht van 10 maart 2026. Verzoekster heeft tegen deze reactie bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van partijen. 1.2. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Het verschuldigde griffierecht is in deze zaak € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als de zitting eerder is, moet het verschuldigde griffierecht voor de zitting worden betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. 3. Op 19 maart 2026 heeft verzoekster verzocht om vrijstelling van het verschuldigde griffierecht. Dat verzoek kan alleen worden toegewezen als voldaan is aan criteria met betrekking tot het inkomen. Op dezelfde dag is verzoekster daarom in de gelegenheid gesteld om binnen één week hierover stukken in te dienen zodat het verzoek door de rechtbank kan worden beoordeeld. Hierop heeft de gemachtigde van verzoekster niet gereageerd. Dit betekent dat het verzoek om vrijstelling is afgewezen. Aan verzoekster is op 8 april 2026 een nota verstuurd om het verschuldigde griffierecht te voldoen, gelet op de naderende zittingsdatum uiterlijk voorafgaand aan de zitting van 16 april 2026. Bij aanvang van de zitting heeft de gemachtigde van verzoekster erkend dat het griffierecht niet is betaald. De gemachtigde van verzoekster zag geen mogelijkheid om voorafgaand aan de behandeling van de zaak op de zitting voor betaling namens verzoekster zorg te dragen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan en dat niet is gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim. 4. Gelet op het voorgaande verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.