Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-11
ECLI:NL:RBROT:2026:4722
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,868 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4722 text/xml public 2026-05-13T11:09:54 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-11 C/10/709495 / HA ZA 24-975 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4722 text/html public 2026-05-13T11:09:35 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4722 Rechtbank Rotterdam , 11-02-2026 / C/10/709495 / HA ZA 24-975 Verzetprocedure, daadwerkelijke proceskosten RECHTBANK Rotterdam Team Handel en Haven Zaaknummer: C/10/709495 / HA ZA 24-975 Vonnis in verzet van 11 februari 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eiser in verzet, advocaat: mr. A.M.C.C. Verblackt, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde in verzet, advocaat: aanvankelijk vertegenwoordigd door mr. U. Özcan, nadien door mr. K. Tülü, welke zich aan de zaak hebben onttrokken, thans niet meer vertegenwoordigd. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de inleidende dagvaarding van 20 mei 2025, - het verstekvonnis van 30 juli 2025 met zaaknummer C/10/700347 / HA ZA 25-136, - de verzetdagvaarding van [eiser] met producties 1-5, - de akte overlegging nadere producties van [eiser] , met producties 6-18, - de akte overlegging nadere producties van [eiser] , met producties 19-22 tevens houdende een eiswijziging, - het proces-verbaal van de zitting van 12 januari 2026 waar [gedaagde] niet is verschenen, met de daarin genoemde stukken. 1.2. [gedaagde] heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, geen conclusie van antwoord in verzet genomen. 1.3. Mr. Tülü heeft zich op 30 december 2025 onttrokken. [gedaagde] heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, geen andere advocaat gesteld. [gedaagde] procedeert dus zonder procesvertegenwoordiging. Ingevolge artikel 79 lid 2 Rv kan hij daarom geen verdere proceshandelingen verrichten. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] heeft in de verstekprocedure (met zaaknummer C/10/700347 / HA ZA 25-136) gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser] zal veroordelen tot betaling van € 175.000,- aan hoofdsom, te vermeerderen met de contractuele rente van 8% berekend vanaf 1 januari 2025, subsidiair vanaf de dag der dagvaarding. [gedaagde] heeft tevens gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten te weten € 4.675,-, nakosten € 199,- en de kosten van de procedure. 2.2. Grondslag van de vordering is een (volgens [gedaagde] ) gesloten vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] . In de vaststellingsovereenkomst van 14 januari 2025 is volgens [gedaagde] overeengekomen dat de samenwerking tussen [eiser] (h.o.d.n. [naam 1]) en [gedaagde] per 1 januari 2025 definitief is geëindigd. In de vaststellingsovereenkomst staat dat [Bouwbedrijf] ter compensatie van de schade uiterlijk 31 januari 2025 eenmalig een vergoeding van € 175.000,- aan [gedaagde] dient te voldoen. Verder is in de vaststellingsovereenkomst opgenomen dat partijen zich niet negatief over elkaar zullen uitlaten, dat zij strikte geheimhouding zullen betrachten ten aanzien van de totstandkoming en inhoud van de regeling en dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen. Volgens [gedaagde] is overeengekomen dat [Bouwbedrijf] , indien de betaling van € 175.000,- op 31 januari 2025 uitblijft, met terugwerkende kracht een rente van 8% per jaar verschuldigd is vanaf 1 januari 2025 tot aan het moment van algehele voldoening van het totaalbedrag van € 175.000,-. 2.3. Bij verstekvonnis van 30 juli 2025 is [eiser] veroordeeld tot betaling van € 177.525,- aan [gedaagde] , vermeerderd met de contractuele rente van 8% per jaar over € 175.000,- vanaf 1 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening en vermeerderd met de proceskosten, begroot op € 2316,40. 2.4. Het verstekvonnis is niet in persoon betekend aan [eiser] . 2.5. Op 12 september 2025 heeft [gedaagde] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de heer [naam 2] , wonende aan het [adres 1] te [woonplaats 2] . [eiser] heeft op basis van een vonnis van rechtbank Midden-Nederland van 13 november 2024 een opeisbare vordering op [naam 2] van € 89.404,68. Dit beslag is op 23 september 2025 aan [eiser] overbetekend. 2.6. De advocaat van [eiser] heeft vervolgens per mail bij de deurwaarder de inleidende dagvaarding met producties en het verstekvonnis opgevraagd. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [gedaagde] alsnog worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de reële proceskosten van het verzet, begroot op € 16.768,40. Tevens vordert [eiser] opheffing van op grond van het verstekvonnis gelegde beslagen en [gedaagde] te verbieden uit hoofde van het verstekvonnis opnieuw beslag te leggen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom door [gedaagde] aan [eiser] van € 5.000,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] hiermee in strijd handelt. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat tussen partijen geen samenwerkingsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. [eiser] stelt dat hij [gedaagde] noch diens bestuurder de heer [bestuurder] kent, en dat er nimmer correspondentie met hen heeft plaatsgevonden. De handtekening onder de vaststellingsovereenkomst is valselijk opgemaakt en komt niet overeen met de handtekening op het paspoort van [eiser] . Op 23 september 2025 is [eiser] geconfronteerd met twee executoriale beslagen die [gedaagde] ten laste van hem heeft gelegd. Voor die tijd was [eiser] niet op de hoogte van een verstekvonnis. [gedaagde] heeft op 20 mei 2025 namelijk een dagvaarding uitgebracht op een voor [eiser] onbekend adres aan de [adres 2] te [plaats 1] . Het verstekvonnis is eveneens op dit adres betekend. 3.2. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Ontvankelijkheid in verzet 4.1. Allereerst dient een oordeel gegeven te worden over de ontvankelijkheid van [eiser] in het verzet. Ingevolge artikel 143 lid 2 Rv dient het verzet te worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na betekening van het verstekvonnis aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van een daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is. 4.2. Het verstekvonnis is niet in persoon betekend aan [eiser] . [eiser] wijst er terecht op dat het adres [adres 2] te [plaats 1] een ander adres is dan waar [eiser] woont en in de Basisregistratie Personen geregistreerd staat namelijk [adres 3] te [woonplaats 1] . Het adres in [plaats 1] is, zo stelt [eiser] onbetwist, hem onbekend en komt voor het eerst voor in de vaststellingsovereenkomst. 4.3. Aangezien het verstekvonnis niet aan [eiser] in persoon is betekend, is bepalend wanneer voor het eerst sprake was van een daad waaruit blijkt dat [eiser] bekend was met het verstekvonnis. [eiser] geeft aan dat hij op 23 september 2025 bekend is geworden met het verstekvonnis, omdat hij toen ontdekte dat er beslag was gelegd. Dit betekent dat [eiser] binnen vier weken na 23 september 2025 de verzetdagvaarding moest uitbrengen. De verzetdagvaarding is op 6 oktober 2025 per exploot uitgebracht. Dit betekent dat het verzet op tijd en op de juiste wijze is ingesteld. Vordering van [gedaagde] 4.4. [gedaagde] baseert haar vordering op een samenwerkingsovereenkomst van 31 oktober 2024 en een daaruit voortvloeiende vaststellingsovereenkomst van 14 januari 2025 tussen partijen. 4.5. [eiser] betwist dat partijen een samenwerkingsovereenkomst en een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. [eiser] stelt [gedaagde] niet te kennen en nimmer zaken te hebben gedaan met [gedaagde] en evenmin met de bestuurder van [gedaagde] , de heer [bestuurder] . 4.6. [eiser] voert aan dat hij nimmer de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend en dat de handtekening is vervalst.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4722 text/xml public 2026-05-13T11:09:54 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-11 C/10/709495 / HA ZA 24-975 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4722 text/html public 2026-05-13T11:09:35 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4722 Rechtbank Rotterdam , 11-02-2026 / C/10/709495 / HA ZA 24-975 Verzetprocedure, daadwerkelijke proceskosten RECHTBANK Rotterdam Team Handel en Haven Zaaknummer: C/10/709495 / HA ZA 24-975 Vonnis in verzet van 11 februari 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eiser in verzet, advocaat: mr. A.M.C.C. Verblackt, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde in verzet, advocaat: aanvankelijk vertegenwoordigd door mr. U. Özcan, nadien door mr. K. Tülü, welke zich aan de zaak hebben onttrokken, thans niet meer vertegenwoordigd. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de inleidende dagvaarding van 20 mei 2025, - het verstekvonnis van 30 juli 2025 met zaaknummer C/10/700347 / HA ZA 25-136, - de verzetdagvaarding van [eiser] met producties 1-5, - de akte overlegging nadere producties van [eiser] , met producties 6-18, - de akte overlegging nadere producties van [eiser] , met producties 19-22 tevens houdende een eiswijziging, - het proces-verbaal van de zitting van 12 januari 2026 waar [gedaagde] niet is verschenen, met de daarin genoemde stukken. 1.2. [gedaagde] heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, geen conclusie van antwoord in verzet genomen. 1.3. Mr. Tülü heeft zich op 30 december 2025 onttrokken. [gedaagde] heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, geen andere advocaat gesteld. [gedaagde] procedeert dus zonder procesvertegenwoordiging. Ingevolge artikel 79 lid 2 Rv kan hij daarom geen verdere proceshandelingen verrichten. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] heeft in de verstekprocedure (met zaaknummer C/10/700347 / HA ZA 25-136) gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser] zal veroordelen tot betaling van € 175.000,- aan hoofdsom, te vermeerderen met de contractuele rente van 8% berekend vanaf 1 januari 2025, subsidiair vanaf de dag der dagvaarding. [gedaagde] heeft tevens gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten te weten € 4.675,-, nakosten € 199,- en de kosten van de procedure. 2.2. Grondslag van de vordering is een (volgens [gedaagde] ) gesloten vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] . In de vaststellingsovereenkomst van 14 januari 2025 is volgens [gedaagde] overeengekomen dat de samenwerking tussen [eiser] (h.o.d.n. [naam 1]) en [gedaagde] per 1 januari 2025 definitief is geëindigd. In de vaststellingsovereenkomst staat dat [Bouwbedrijf] ter compensatie van de schade uiterlijk 31 januari 2025 eenmalig een vergoeding van € 175.000,- aan [gedaagde] dient te voldoen. Verder is in de vaststellingsovereenkomst opgenomen dat partijen zich niet negatief over elkaar zullen uitlaten, dat zij strikte geheimhouding zullen betrachten ten aanzien van de totstandkoming en inhoud van de regeling en dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen. Volgens [gedaagde] is overeengekomen dat [Bouwbedrijf] , indien de betaling van € 175.000,- op 31 januari 2025 uitblijft, met terugwerkende kracht een rente van 8% per jaar verschuldigd is vanaf 1 januari 2025 tot aan het moment van algehele voldoening van het totaalbedrag van € 175.000,-. 2.3. Bij verstekvonnis van 30 juli 2025 is [eiser] veroordeeld tot betaling van € 177.525,- aan [gedaagde] , vermeerderd met de contractuele rente van 8% per jaar over € 175.000,- vanaf 1 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening en vermeerderd met de proceskosten, begroot op € 2316,40. 2.4. Het verstekvonnis is niet in persoon betekend aan [eiser] . 2.5. Op 12 september 2025 heeft [gedaagde] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de heer [naam 2] , wonende aan het [adres 1] te [woonplaats 2] . [eiser] heeft op basis van een vonnis van rechtbank Midden-Nederland van 13 november 2024 een opeisbare vordering op [naam 2] van € 89.404,68. Dit beslag is op 23 september 2025 aan [eiser] overbetekend. 2.6. De advocaat van [eiser] heeft vervolgens per mail bij de deurwaarder de inleidende dagvaarding met producties en het verstekvonnis opgevraagd. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [gedaagde] alsnog worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de reële proceskosten van het verzet, begroot op € 16.768,40. Tevens vordert [eiser] opheffing van op grond van het verstekvonnis gelegde beslagen en [gedaagde] te verbieden uit hoofde van het verstekvonnis opnieuw beslag te leggen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom door [gedaagde] aan [eiser] van € 5.000,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] hiermee in strijd handelt. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat tussen partijen geen samenwerkingsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. [eiser] stelt dat hij [gedaagde] noch diens bestuurder de heer [bestuurder] kent, en dat er nimmer correspondentie met hen heeft plaatsgevonden. De handtekening onder de vaststellingsovereenkomst is valselijk opgemaakt en komt niet overeen met de handtekening op het paspoort van [eiser] . Op 23 september 2025 is [eiser] geconfronteerd met twee executoriale beslagen die [gedaagde] ten laste van hem heeft gelegd. Voor die tijd was [eiser] niet op de hoogte van een verstekvonnis. [gedaagde] heeft op 20 mei 2025 namelijk een dagvaarding uitgebracht op een voor [eiser] onbekend adres aan de [adres 2] te [plaats 1] . Het verstekvonnis is eveneens op dit adres betekend. 3.2. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Ontvankelijkheid in verzet 4.1. Allereerst dient een oordeel gegeven te worden over de ontvankelijkheid van [eiser] in het verzet. Ingevolge artikel 143 lid 2 Rv dient het verzet te worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na betekening van het verstekvonnis aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van een daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is. 4.2. Het verstekvonnis is niet in persoon betekend aan [eiser] . [eiser] wijst er terecht op dat het adres [adres 2] te [plaats 1] een ander adres is dan waar [eiser] woont en in de Basisregistratie Personen geregistreerd staat namelijk [adres 3] te [woonplaats 1] . Het adres in [plaats 1] is, zo stelt [eiser] onbetwist, hem onbekend en komt voor het eerst voor in de vaststellingsovereenkomst. 4.3. Aangezien het verstekvonnis niet aan [eiser] in persoon is betekend, is bepalend wanneer voor het eerst sprake was van een daad waaruit blijkt dat [eiser] bekend was met het verstekvonnis. [eiser] geeft aan dat hij op 23 september 2025 bekend is geworden met het verstekvonnis, omdat hij toen ontdekte dat er beslag was gelegd. Dit betekent dat [eiser] binnen vier weken na 23 september 2025 de verzetdagvaarding moest uitbrengen. De verzetdagvaarding is op 6 oktober 2025 per exploot uitgebracht. Dit betekent dat het verzet op tijd en op de juiste wijze is ingesteld. Vordering van [gedaagde] 4.4. [gedaagde] baseert haar vordering op een samenwerkingsovereenkomst van 31 oktober 2024 en een daaruit voortvloeiende vaststellingsovereenkomst van 14 januari 2025 tussen partijen. 4.5. [eiser] betwist dat partijen een samenwerkingsovereenkomst en een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. [eiser] stelt [gedaagde] niet te kennen en nimmer zaken te hebben gedaan met [gedaagde] en evenmin met de bestuurder van [gedaagde] , de heer [bestuurder] . 4.6. [eiser] voert aan dat hij nimmer de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend en dat de handtekening is vervalst.
Volledig
[eiser] heeft daarvoor een kopie van zijn paspoort overgelegd om aan te tonen dat de handtekeningen niet overeenkomen. 4.7. De kracht van schriftelijk bewijs is gelegen in de oorspronkelijke akte, voorzien van originele handtekening. De bewijslast van de echtheid van de handtekening van [eiser] onder de oorspronkelijke vaststellingsovereenkomst rust op [gedaagde] , omdat [gedaagde] een beroep doet op die vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] heeft echter geen oorspronkelijke vaststellingsovereenkomst overgelegd en dit niet ontzenuwd. 4.8. De huidige stand van zaken is dat alleen een kopie van de vaststellingsovereenkomst is overgelegd. Voor zover de reden daarvan is dat [gedaagde] geen advocaat meer heeft, komt dat voor zijn eigen rekening en risico. De consequentie is dat de vaststellingsovereenkomst geen dwingend bewijs (als bedoeld in artikel 157 lid 2 Rv) oplevert. 4.9. Dit betekent ook dat artikel 159 lid 2 Rv niet van toepassing is. Aangezien geen originele vaststellingsovereenkomst is overgelegd, kan deze om die reden geen dwingend bewijs opleveren tegen [eiser] , zodat rechtens niet ervan kan worden uitgegaan dat tussen [eiser] en [gedaagde] een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. 4.10. De rechtbank komt tot het oordeel dat de samenwerkingsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende vaststellingsovereenkomst valselijk zijn opgemaakt. [eiser] heeft voldoende omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat beide overeenkomsten valselijk zijn opgemaakt om [eiser] te benadelen. [eiser] heeft onbetwist gesteld [gedaagde] niet te kennen en nimmer te zijn overeengekomen tot betaling van een bedrag van € 175.000,- aan [gedaagde] . [eiser] heeft verder onbetwist gesteld dat de handtekening van [eiser] onder de vaststellingsovereenkomst is vervalst. De dagvaarding en het verstekvonnis zijn bovendien betekend aan een voor [eiser] onbekend adres. Ingevolge artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. [gedaagde] heeft niet aan deze plicht voldaan, wat verstrekkende financiële gevolgen heeft voor [eiser] . Vernietiging verstekvonnis en opheffen beslag 4.11. Gelet op voornoemde overwegingen wordt het verstekvonnis vernietigd en bestaat er geen grond voor een beslag of betaling van [eiser] aan [gedaagde] . De vordering van [eiser] tot opheffing van de gelegde beslagen, waaronder de beslagen van 23 september 2025 onder [naam 2] en van 25 september 2025 onder ING Bank N.V., wordt toegewezen. 4.12. De rechtbank verbiedt [gedaagde] opnieuw beslag te leggen uit hoofde van de vordering. Grond daarvan vormen de overgelegde stukken in het geding en het op grond daarvan hiervoor geformuleerde oordeel. De rechtbank ziet daarin voorts aanleiding om daar een eenmalige dwangsom ter hoogte van € 100.000,- aan te verbinden. Proceskosten 4.13. Artikel 237 Rv bepaalt dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld, in beginsel, in de kosten wordt veroordeeld. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten, inclusief nakosten, in de verstek- en verzetprocedure betalen, alsmede de kosten voor de betekening van de dagvaarding in verzet. 4.14. [eiser] vordert vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Een vordering tot vergoeding van daadwerkelijke proceskosten (in afwijking van het liquidatietarief) is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, JN 2009/234). Vaststaat dat de vaststellingsovereenkomst niet bestaat, omdat deze valselijk is opgemaakt. [gedaagde] heeft verder geen originele vaststellingsovereenkomst overgelegd om de echtheid van de handtekening vast te stellen, heeft de dagvaarding op een voor [eiser] onbekend adres doen betekenen en heeft beslag heeft laten leggen waardoor [eiser] noodgedwongen een (verzet)procedure heeft moeten starten met alle kosten van dien. [gedaagde] heeft hiermee naar het oordeel van de rechter zowel misbruik gemaakt van procesrecht, als onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] . De vordering is namelijk gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan [gedaagde] de onjuistheid kende (dan wel behoorde te kennen). 4.15. [eiser] heeft bij akte de daadwerkelijk gemaakte proceskosten onderbouwd door meerdere facturen en kostenspecificaties over te leggen van in totaal € 16.768,40 inclusief griffierecht (ad. € 2723,-) en exclusief btw. De rechtbank bepaalt dat [gedaagde] de daadwerkelijke proceskosten van [eiser] moet vergoeden. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verklaart het door [eiser] ingestelde verzet gegrond, vernietigt het verstekvonnis van 30 juli 2025 met zaaknummer C/10/709495 / HA ZA 24-975, en opnieuw rechtdoende, 5.2. wijst de vordering af, 5.3. heft de door [gedaagde] ten laste van [eiser] gelegde beslagen van 23 september 2025 onder [naam 2] en van 25 september 2025 onder de ING Bank N.V. op, 5.4. verbiedt [gedaagde] om ten laste van [eiser] nog enig beslag te doen leggen uit hoofde van de vordering die bij dit vonnis is afgewezen, zulks op straffe van een dwangsom van een eenmalige dwangsom van € 100.000,- per overtreding, 5.5. veroordeelt [gedaagde] in de daadwerkelijke proceskosten inclusief griffierecht, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 16.768,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na heden tot aan de voldoening, 5.6. verklaart dit (verzet)vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.Y. Hu en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026. [3007/2009]
Volledig
[eiser] heeft daarvoor een kopie van zijn paspoort overgelegd om aan te tonen dat de handtekeningen niet overeenkomen. 4.7. De kracht van schriftelijk bewijs is gelegen in de oorspronkelijke akte, voorzien van originele handtekening. De bewijslast van de echtheid van de handtekening van [eiser] onder de oorspronkelijke vaststellingsovereenkomst rust op [gedaagde] , omdat [gedaagde] een beroep doet op die vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] heeft echter geen oorspronkelijke vaststellingsovereenkomst overgelegd en dit niet ontzenuwd. 4.8. De huidige stand van zaken is dat alleen een kopie van de vaststellingsovereenkomst is overgelegd. Voor zover de reden daarvan is dat [gedaagde] geen advocaat meer heeft, komt dat voor zijn eigen rekening en risico. De consequentie is dat de vaststellingsovereenkomst geen dwingend bewijs (als bedoeld in artikel 157 lid 2 Rv) oplevert. 4.9. Dit betekent ook dat artikel 159 lid 2 Rv niet van toepassing is. Aangezien geen originele vaststellingsovereenkomst is overgelegd, kan deze om die reden geen dwingend bewijs opleveren tegen [eiser] , zodat rechtens niet ervan kan worden uitgegaan dat tussen [eiser] en [gedaagde] een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. 4.10. De rechtbank komt tot het oordeel dat de samenwerkingsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende vaststellingsovereenkomst valselijk zijn opgemaakt. [eiser] heeft voldoende omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat beide overeenkomsten valselijk zijn opgemaakt om [eiser] te benadelen. [eiser] heeft onbetwist gesteld [gedaagde] niet te kennen en nimmer te zijn overeengekomen tot betaling van een bedrag van € 175.000,- aan [gedaagde] . [eiser] heeft verder onbetwist gesteld dat de handtekening van [eiser] onder de vaststellingsovereenkomst is vervalst. De dagvaarding en het verstekvonnis zijn bovendien betekend aan een voor [eiser] onbekend adres. Ingevolge artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. [gedaagde] heeft niet aan deze plicht voldaan, wat verstrekkende financiële gevolgen heeft voor [eiser] . Vernietiging verstekvonnis en opheffen beslag 4.11. Gelet op voornoemde overwegingen wordt het verstekvonnis vernietigd en bestaat er geen grond voor een beslag of betaling van [eiser] aan [gedaagde] . De vordering van [eiser] tot opheffing van de gelegde beslagen, waaronder de beslagen van 23 september 2025 onder [naam 2] en van 25 september 2025 onder ING Bank N.V., wordt toegewezen. 4.12. De rechtbank verbiedt [gedaagde] opnieuw beslag te leggen uit hoofde van de vordering. Grond daarvan vormen de overgelegde stukken in het geding en het op grond daarvan hiervoor geformuleerde oordeel. De rechtbank ziet daarin voorts aanleiding om daar een eenmalige dwangsom ter hoogte van € 100.000,- aan te verbinden. Proceskosten 4.13. Artikel 237 Rv bepaalt dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld, in beginsel, in de kosten wordt veroordeeld. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten, inclusief nakosten, in de verstek- en verzetprocedure betalen, alsmede de kosten voor de betekening van de dagvaarding in verzet. 4.14. [eiser] vordert vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Een vordering tot vergoeding van daadwerkelijke proceskosten (in afwijking van het liquidatietarief) is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, JN 2009/234). Vaststaat dat de vaststellingsovereenkomst niet bestaat, omdat deze valselijk is opgemaakt. [gedaagde] heeft verder geen originele vaststellingsovereenkomst overgelegd om de echtheid van de handtekening vast te stellen, heeft de dagvaarding op een voor [eiser] onbekend adres doen betekenen en heeft beslag heeft laten leggen waardoor [eiser] noodgedwongen een (verzet)procedure heeft moeten starten met alle kosten van dien. [gedaagde] heeft hiermee naar het oordeel van de rechter zowel misbruik gemaakt van procesrecht, als onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] . De vordering is namelijk gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan [gedaagde] de onjuistheid kende (dan wel behoorde te kennen). 4.15. [eiser] heeft bij akte de daadwerkelijk gemaakte proceskosten onderbouwd door meerdere facturen en kostenspecificaties over te leggen van in totaal € 16.768,40 inclusief griffierecht (ad. € 2723,-) en exclusief btw. De rechtbank bepaalt dat [gedaagde] de daadwerkelijke proceskosten van [eiser] moet vergoeden. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verklaart het door [eiser] ingestelde verzet gegrond, vernietigt het verstekvonnis van 30 juli 2025 met zaaknummer C/10/709495 / HA ZA 24-975, en opnieuw rechtdoende, 5.2. wijst de vordering af, 5.3. heft de door [gedaagde] ten laste van [eiser] gelegde beslagen van 23 september 2025 onder [naam 2] en van 25 september 2025 onder de ING Bank N.V. op, 5.4. verbiedt [gedaagde] om ten laste van [eiser] nog enig beslag te doen leggen uit hoofde van de vordering die bij dit vonnis is afgewezen, zulks op straffe van een dwangsom van een eenmalige dwangsom van € 100.000,- per overtreding, 5.5. veroordeelt [gedaagde] in de daadwerkelijke proceskosten inclusief griffierecht, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 16.768,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na heden tot aan de voldoening, 5.6. verklaart dit (verzet)vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.Y. Hu en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026. [3007/2009]