Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-17
ECLI:NL:RBROT:2026:4613
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,087 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4613 text/xml public 2026-05-13T10:44:27 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-17 11695212 CV EXPL 25-11301 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4613 text/html public 2026-05-13T10:43:47 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4613 Rechtbank Rotterdam , 17-04-2026 / 11695212 CV EXPL 25-11301 Verzekeraar vordert schadevergoeding van gedaagde. Gedaagde fietste volgens verzekeraar tegen het verkeer in en heeft daardoor schade veroorzaakt aan de auto van haar verzekerde. Gedaagde heeft dit tegengesproken. Bewijsopdracht aan verzekeraar dat gedaagde tegen het verkeer in fietste. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11695212 CV EXPL 25-11301 datum uitspraak: 17 april 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Achmea Schadeverzekeringen N.V. , die handelt onder de naam Centraal Beheer Achmea , vestigingsplaats: Apeldoorn, eiseres, gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V., tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘Achmea’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: - de dagvaarding van 30 maart 2025, met bijlagen; - het antwoord, met bijlagen; - de akte aanvullende producties, met bijlage; 1.2. Op 2 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: mr. T.M. Boesveld, namens de gemachtigde van Achmea, en de heer [gedaagde] . 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [gedaagde] heeft op 23 april 2019 als fietser een aanrijding gehad met een automobilist die bij Achmea verzekerd was. De aanrijding vond plaats toen de automobilist het fietspad waar [gedaagde] op fietste overstak. Daarbij is schade ontstaan aan de auto van de automobilist. Achmea heeft deze schade van € 407,37 aan de automobilist vergoed. Volgens Achmea was [gedaagde] verantwoordelijk voor de aanrijding, omdat hij op het fietspad tegen het verkeer in reed toen de aanrijding plaatsvond. Achmea eist daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld een bedrag van € 203,67 aan Achmea te betalen. Achmea eist de helft van het volledige schadebedrag, omdat zij rekening houdt met artikel 185 van de Wegenverkeerswet. Dat artikel beschermt [gedaagde] , omdat hij als fietser een zwakkere verkeersdeelnemer was dan de automobilist. Achmea eist ook rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. 2.2. [gedaagde] is het niet eens met de eis van Achmea. [gedaagde] betwist dat hij op het moment van de aanrijding tegen het verkeer in fietste. Volgens [gedaagde] was de automobilist verantwoordelijk voor de aanrijding. 2.3. De kantonrechter kan op dit moment nog geen eindoordeel geven. Achmea krijgt een bewijsopdracht. De kantonrechter licht dit hierna toe. Achmea krijgt een bewijsopdracht 2.4. Achmea heeft in deze zaak de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde] tijdens de aanrijding tegen het verkeer in reed. Achmea doet namelijk een beroep op de rechtsgevolgen van die feiten, te weten het bestaan van een betalingsverplichting van [gedaagde] tegenover Achmea (artikel 150 Rv). 2.5. Achmea heeft in haar dagvaarding en op de zitting toegelicht dat [gedaagde] en de automobilist na de aanrijding een schadeformulier hebben ingevuld. Dat schadeformulier heeft Achmea als bijlage bij de dagvaarding overgelegd. Op de situatieschets uit dat schadeformulier staat dat [gedaagde] op het moment van de aanrijding tegen het verkeer in reed. [gedaagde] en de automobilist hebben het schadeformulier allebei ondertekend. Ook de door de schade-expert vastgestelde schade aan de rechter voorkant van de auto strookt met deze situatieschets. 2.6. [gedaagde] heeft in zijn antwoord en op de zitting betwist dat hij tegen het verkeer in reed. Hij heeft toegelicht dat de situatieschets op het schadeformulier niet klopt. Op het moment van de aanrijding was [gedaagde] op weg naar metrostation Slinge. Hij fietste in de juiste rijrichting. [gedaagde] kan zich niet herinneren dat hij het schadeformulier heeft ondertekend. Toen het schadeformulier werd ingevuld was [gedaagde] nog in shock als gevolg van de aanrijding. [gedaagde] fietste samen met zijn collega [collega] . [gedaagde] heeft bij zijn antwoord een verklaring van [collega] overgelegd. In die verklaring bevestigt [collega] dat hij samen met [gedaagde] op weg was naar metrostation Slinge en dat zij in de juiste richting fietsten. 2.7. De kantonrechter is van oordeel dat Achmea haar stelling voldoende heeft onderbouwd en dat [gedaagde] zijn betwisting voldoende heeft gemotiveerd. Dit betekent dat de rechtbank niet kan vaststellen dat [gedaagde] tegen het verkeer in reed. De rechtbank geeft Achmea daarom een bewijsopdracht voor die stelling. Hoe gaat de zaak nu verder? 2.8. Achmea wordt in de gelegenheid gesteld zich bij akte op de rolzitting van 19 mei 2026 uit te laten over de vraag of zij bewijs wenst te leveren, en zo ja de wijze waarop zij dat bewijs wenst te leveren. 2.9. Direct nadat Achmea bewijs heeft geleverd, mag [gedaagde] (tegen)bewijs leveren. De partijen mogen pas op elkaars bewijs reageren als het leveren van bewijs door beide partijen is afgerond. De kantonrechter beoordeelt daarna of het bewijs geleverd is. 2.10. Als Achmea slaagt in het leveren van het bewijs, zal de kantonrechter de vordering van Achmea van € 203,67 toewijzen. In dat geval is de kantonrechter namelijk van oordeel dat [gedaagde] voor een belangrijk deel verantwoordelijk was voor de aanrijding op 23 april 2019. Dit betekent dat [gedaagde] (een deel van) de schade die Achmea aan de automobilist heeft vergoed aan Achmea moet betalen (artikel 6:162 BW en artikel 7:962 BW). De rechtbank zal in dat geval het gevorderde bedrag toewijzen, omdat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van dat bedrag. Bovendien heeft Achmea in haar dagvaarding terecht rekening gehouden met het feit dat [gedaagde] als zwakkere verkeersdeelnemer betrokken was bij een aanrijding met een automobilist (artikel 185 WVW). 2.11. Achmea vordert ook wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Als Achmea slaagt in het bewijs, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 28 augustus 2025. Achmea heeft namelijk gesteld dat [gedaagde] de schadevergoeding uiterlijk op die datum aan Achmea moest betalen. [gedaagde] heeft dat niet betwist. 2.12. De buitengerechtelijke incassokosten van € 48,40 zullen worden afgewezen. Het besluit buitengerechtelijke incassokosten is niet van toepassing op de schadevergoedingsvordering van Achmea. Dit betekent dat [gedaagde] alleen buitengerechtelijke incassokosten aan Achmea moet betalen als Achmea daadwerkelijk buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. Bovendien moeten die kosten zien op werkzaamheden die uit meer bestaan dan het versturen van een (herhaalde) sommatiebrief. Achmea heeft onvoldoende gesteld dat zij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt en voor welk bedrag. 2.13. Als Achmea slaagt in het bewijs zal [gedaagde] ook de proceskosten die Achmea voor deze procedure heeft gemaakt moeten betalen. Die kosten worden in het eindvonnis begroot. 2.14. Als Achmea niet slaagt in het bewijs zullen haar vorderingen worden afgewezen. 2.15. De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. draagt Achmea op om te bewijzen dat [gedaagde] op het moment van de aanrijding op 23 april 2019 tegen het verkeer in fietste; schriftelijk bewijs 3.2. bepaalt dat als Achmea schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van dinsdag 19 mei 2026 om 11:30 in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank; getuigenbewijs 3.3. bepaalt dat als Achmea getuigen wil laten horen, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden juni, juli en augustus 2026; 3.4. wijst erop dat Achmea na het bepalen van een datum en plaats voor een eventueel getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen; ander bewijs 3.5.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4613 text/xml public 2026-05-13T10:44:27 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-17 11695212 CV EXPL 25-11301 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4613 text/html public 2026-05-13T10:43:47 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4613 Rechtbank Rotterdam , 17-04-2026 / 11695212 CV EXPL 25-11301 Verzekeraar vordert schadevergoeding van gedaagde. Gedaagde fietste volgens verzekeraar tegen het verkeer in en heeft daardoor schade veroorzaakt aan de auto van haar verzekerde. Gedaagde heeft dit tegengesproken. Bewijsopdracht aan verzekeraar dat gedaagde tegen het verkeer in fietste. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11695212 CV EXPL 25-11301 datum uitspraak: 17 april 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Achmea Schadeverzekeringen N.V. , die handelt onder de naam Centraal Beheer Achmea , vestigingsplaats: Apeldoorn, eiseres, gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V., tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘Achmea’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: - de dagvaarding van 30 maart 2025, met bijlagen; - het antwoord, met bijlagen; - de akte aanvullende producties, met bijlage; 1.2. Op 2 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: mr. T.M. Boesveld, namens de gemachtigde van Achmea, en de heer [gedaagde] . 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [gedaagde] heeft op 23 april 2019 als fietser een aanrijding gehad met een automobilist die bij Achmea verzekerd was. De aanrijding vond plaats toen de automobilist het fietspad waar [gedaagde] op fietste overstak. Daarbij is schade ontstaan aan de auto van de automobilist. Achmea heeft deze schade van € 407,37 aan de automobilist vergoed. Volgens Achmea was [gedaagde] verantwoordelijk voor de aanrijding, omdat hij op het fietspad tegen het verkeer in reed toen de aanrijding plaatsvond. Achmea eist daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld een bedrag van € 203,67 aan Achmea te betalen. Achmea eist de helft van het volledige schadebedrag, omdat zij rekening houdt met artikel 185 van de Wegenverkeerswet. Dat artikel beschermt [gedaagde] , omdat hij als fietser een zwakkere verkeersdeelnemer was dan de automobilist. Achmea eist ook rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. 2.2. [gedaagde] is het niet eens met de eis van Achmea. [gedaagde] betwist dat hij op het moment van de aanrijding tegen het verkeer in fietste. Volgens [gedaagde] was de automobilist verantwoordelijk voor de aanrijding. 2.3. De kantonrechter kan op dit moment nog geen eindoordeel geven. Achmea krijgt een bewijsopdracht. De kantonrechter licht dit hierna toe. Achmea krijgt een bewijsopdracht 2.4. Achmea heeft in deze zaak de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde] tijdens de aanrijding tegen het verkeer in reed. Achmea doet namelijk een beroep op de rechtsgevolgen van die feiten, te weten het bestaan van een betalingsverplichting van [gedaagde] tegenover Achmea (artikel 150 Rv). 2.5. Achmea heeft in haar dagvaarding en op de zitting toegelicht dat [gedaagde] en de automobilist na de aanrijding een schadeformulier hebben ingevuld. Dat schadeformulier heeft Achmea als bijlage bij de dagvaarding overgelegd. Op de situatieschets uit dat schadeformulier staat dat [gedaagde] op het moment van de aanrijding tegen het verkeer in reed. [gedaagde] en de automobilist hebben het schadeformulier allebei ondertekend. Ook de door de schade-expert vastgestelde schade aan de rechter voorkant van de auto strookt met deze situatieschets. 2.6. [gedaagde] heeft in zijn antwoord en op de zitting betwist dat hij tegen het verkeer in reed. Hij heeft toegelicht dat de situatieschets op het schadeformulier niet klopt. Op het moment van de aanrijding was [gedaagde] op weg naar metrostation Slinge. Hij fietste in de juiste rijrichting. [gedaagde] kan zich niet herinneren dat hij het schadeformulier heeft ondertekend. Toen het schadeformulier werd ingevuld was [gedaagde] nog in shock als gevolg van de aanrijding. [gedaagde] fietste samen met zijn collega [collega] . [gedaagde] heeft bij zijn antwoord een verklaring van [collega] overgelegd. In die verklaring bevestigt [collega] dat hij samen met [gedaagde] op weg was naar metrostation Slinge en dat zij in de juiste richting fietsten. 2.7. De kantonrechter is van oordeel dat Achmea haar stelling voldoende heeft onderbouwd en dat [gedaagde] zijn betwisting voldoende heeft gemotiveerd. Dit betekent dat de rechtbank niet kan vaststellen dat [gedaagde] tegen het verkeer in reed. De rechtbank geeft Achmea daarom een bewijsopdracht voor die stelling. Hoe gaat de zaak nu verder? 2.8. Achmea wordt in de gelegenheid gesteld zich bij akte op de rolzitting van 19 mei 2026 uit te laten over de vraag of zij bewijs wenst te leveren, en zo ja de wijze waarop zij dat bewijs wenst te leveren. 2.9. Direct nadat Achmea bewijs heeft geleverd, mag [gedaagde] (tegen)bewijs leveren. De partijen mogen pas op elkaars bewijs reageren als het leveren van bewijs door beide partijen is afgerond. De kantonrechter beoordeelt daarna of het bewijs geleverd is. 2.10. Als Achmea slaagt in het leveren van het bewijs, zal de kantonrechter de vordering van Achmea van € 203,67 toewijzen. In dat geval is de kantonrechter namelijk van oordeel dat [gedaagde] voor een belangrijk deel verantwoordelijk was voor de aanrijding op 23 april 2019. Dit betekent dat [gedaagde] (een deel van) de schade die Achmea aan de automobilist heeft vergoed aan Achmea moet betalen (artikel 6:162 BW en artikel 7:962 BW). De rechtbank zal in dat geval het gevorderde bedrag toewijzen, omdat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van dat bedrag. Bovendien heeft Achmea in haar dagvaarding terecht rekening gehouden met het feit dat [gedaagde] als zwakkere verkeersdeelnemer betrokken was bij een aanrijding met een automobilist (artikel 185 WVW). 2.11. Achmea vordert ook wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Als Achmea slaagt in het bewijs, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 28 augustus 2025. Achmea heeft namelijk gesteld dat [gedaagde] de schadevergoeding uiterlijk op die datum aan Achmea moest betalen. [gedaagde] heeft dat niet betwist. 2.12. De buitengerechtelijke incassokosten van € 48,40 zullen worden afgewezen. Het besluit buitengerechtelijke incassokosten is niet van toepassing op de schadevergoedingsvordering van Achmea. Dit betekent dat [gedaagde] alleen buitengerechtelijke incassokosten aan Achmea moet betalen als Achmea daadwerkelijk buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. Bovendien moeten die kosten zien op werkzaamheden die uit meer bestaan dan het versturen van een (herhaalde) sommatiebrief. Achmea heeft onvoldoende gesteld dat zij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt en voor welk bedrag. 2.13. Als Achmea slaagt in het bewijs zal [gedaagde] ook de proceskosten die Achmea voor deze procedure heeft gemaakt moeten betalen. Die kosten worden in het eindvonnis begroot. 2.14. Als Achmea niet slaagt in het bewijs zullen haar vorderingen worden afgewezen. 2.15. De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. draagt Achmea op om te bewijzen dat [gedaagde] op het moment van de aanrijding op 23 april 2019 tegen het verkeer in fietste; schriftelijk bewijs 3.2. bepaalt dat als Achmea schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van dinsdag 19 mei 2026 om 11:30 in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank; getuigenbewijs 3.3. bepaalt dat als Achmea getuigen wil laten horen, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden juni, juli en augustus 2026; 3.4. wijst erop dat Achmea na het bepalen van een datum en plaats voor een eventueel getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen; ander bewijs 3.5.