Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-20
ECLI:NL:RBROT:2026:4555
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
4,009 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4555 text/xml public 2026-05-18T09:35:18 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-20 ROT 26/2169 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4555 text/html public 2026-05-18T09:34:03 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4555 Rechtbank Rotterdam , 20-04-2026 / ROT 26/2169 Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft gevraagd om een voorschot op een gevorderde schadevergoeding. Dit is een verstrekkend verzoek dat niet snel wordt toegewezen. Er zijn nog te veel vragen over het causale verband tussen de door verzoekster gestelde schade en het onrechtmatige besluit. De spoedprocedure is niet geschikt om deze vragen te beantwoorden. Het verzoek wordt afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/2169 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. Y.M. Venderbos), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: [persoon A] ). Inleiding 1. Verzoekster heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om het UWV te veroordelen tot vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden door een onrechtmatig besluit van het UWV. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om – in afwachting van een uitspraak op dat schadeverzoek – een voorlopige voorziening te treffen door het UWV op te dragen een voorschot op voornoemde schadevergoeding te verstrekken (hierna: het verzoek). 2. Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [persoon B] (verzoeksters echtgenoot) en de gemachtigde van het UWV. 4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter Wat is er gebeurd? 5. Verzoekster is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire en had als gevolg daarvan financiële problemen. Vervolgens is zij slachtoffer geworden van ongewenst (seksueel) gedrag door een collega. Uiteindelijk is het dienstverband geëindigd met een vaststellingsovereenkomst. Verzoekster is daarna ziek geworden en ontvangt sinds 5 april 2021 een WIA-uitkering omdat zij 65 tot 80% arbeidsongeschikt is verklaard. Volgens verzoekster was zij schuldenvrij op het moment dat het UWV het onrechtmatige besluit heeft genomen op 17 januari 2023. 6. Met het besluit van 17 januari 2023 heeft het UWV bepaald dat verzoekster vanaf 5 april 2023 een WGA-vervolguitkering zal ontvangen. Daarmee werd de uitkering van verzoekster fors verlaagd van € 3.072,86 bruto per maand naar € 981,58 per maand. Tijdens de bezwaarprocedure heeft er uiteindelijk een medische beoordeling plaatsgevonden. Hieruit is naar voren gekomen dat verzoekster vanaf 3 oktober 2022 geen benutbare mogelijkheden heeft en dat zij 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Met de beslissing op bezwaar van 12 september 2023 heeft het UWV bepaald dat verzoekster vanaf 5 april 2023 in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering van bruto € 3.072,86 per maand. Vooruitlopend op dit besluit heeft er op 10 augustus 2023 een nabetaling plaatsgevonden van € 3.772,90 netto. Eerder was al een bruto voorschot van € 1.100,- uitgekeerd. 7. Verzoekster heeft op 14 augustus 2024 een verzoek om schadevergoeding ingediend bij het UWV. Met het besluit van 7 oktober 2024 heeft het UWV dit verzoek afgewezen. Verzoekster heeft vervolgens op 4 april 2025 bij de rechtbank een verzoek om schadevergoeding ingediend. Waar gaat het in deze zaak om? 8. Partijen zijn het erover eens dat het besluit van 17 januari 2023 onrechtmatig was mede omdat – ondanks diverse verzoeken daartoe – in aanloop naar dat verzoek geen medische herbeoordeling heeft plaatsgevonden. Verzoekster stelt dat zij door dit besluit schade heeft geleden. Volgens verzoekster verkeerde zij tussen 5 april 2023 en 10 augustus 2023 in een financiële noodsituatie. Zij voelde zich daardoor gedwongen om in het kader van de afwikkeling van de toeslagenaffaire op 7 augustus 2023 een vaststellingsovereenkomst te tekenen met de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT). Daarbij heeft verzoekster een bedrag van € 32.866,- geaccepteerd, terwijl verzoekster stelt dat zij een hogere vergoeding had kunnen krijgen van het UHT als zij had doorgeprocedeerd. Verzoekster heeft bij de rechtbank in de hoofdzaak een bedrag van € 1.314.797,77 aan materiële schade gevorderd en een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade. Verzoekster wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij een voorschot krijgt op de gevorderde schadevergoeding. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af 8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 9. In een voorlopige voorzieningenprocedure zijn de kaders beperkter dan in de bodemprocedure die ook voorligt bij deze rechtbank. Daarnaast is het verzoek om een voorschot op de gevorderde schadevergoeding een verstrekkend verzoek, omdat nog niet vaststaat dat die schadevergoeding zal worden toegekend. Een dergelijk verzoek wordt niet snel toegewezen. In wat verzoekster naar voren heeft gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand duidelijk is dat het UWV het verzoek om schadevergoeding ten onrechte heeft afgewezen. De voorzieningenrechter vindt vooral dat er nog te veel vragen zijn over het causale verband tussen de door verzoekster gestelde schade en het onrechtmatige besluit. Verzoekster heeft daarbij onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de financiële situatie op 7 augustus 2023 dusdanig urgent was dat wel akkoord gegaan moest worden met het voorstel van de UHT. Daarbij houdt de voorzieningenrechter rekening met het feit dat verzoekster stelt op 5 april 2023 schuldenvrij geweest te zijn en de herbeoordeling bij het UWV al was gestart. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het verlies aan inkomsten kan leiden tot achterstallige betalingen, is onvoldoende duidelijk waar die achterstallige betalingen uit bestaan en hoe die zich verhouden tot de uiteindelijke nabetaling door het UWV. Ook anderszins bestaan er over de hoogte van de door verzoekster gevorderde schade nog vragen. Zo is ter zitting gebleken dat bij de berekening van het inkomstenverlies bijvoorbeeld geen rekening is gehouden met de (te) ontvangen uitkering. Ook heeft verzoekster zelf verklaard dat zij niet had verwacht dat een schadevergoeding van deze omvang zou worden uitgekeerd, maar eerder € 300.000,- of € 400.000,-. De spoedprocedure is niet geschikt om deze vragen te beantwoorden. De voorzieningenrechter zal dit dan ook overlaten aan de bodemrechter. Conclusie en gevolgen 10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het UWV verzoekster geen voorschot op de gevorderde schadevergoeding hoeft te betalen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 11. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026 door mr. F.P. Heijne, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit is een verzoek zoals bedoelt in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4555 text/xml public 2026-05-18T09:35:18 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-20 ROT 26/2169 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4555 text/html public 2026-05-18T09:34:03 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4555 Rechtbank Rotterdam , 20-04-2026 / ROT 26/2169 Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft gevraagd om een voorschot op een gevorderde schadevergoeding. Dit is een verstrekkend verzoek dat niet snel wordt toegewezen. Er zijn nog te veel vragen over het causale verband tussen de door verzoekster gestelde schade en het onrechtmatige besluit. De spoedprocedure is niet geschikt om deze vragen te beantwoorden. Het verzoek wordt afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/2169 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. Y.M. Venderbos), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: [persoon A] ). Inleiding 1. Verzoekster heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om het UWV te veroordelen tot vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden door een onrechtmatig besluit van het UWV. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om – in afwachting van een uitspraak op dat schadeverzoek – een voorlopige voorziening te treffen door het UWV op te dragen een voorschot op voornoemde schadevergoeding te verstrekken (hierna: het verzoek). 2. Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [persoon B] (verzoeksters echtgenoot) en de gemachtigde van het UWV. 4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter Wat is er gebeurd? 5. Verzoekster is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire en had als gevolg daarvan financiële problemen. Vervolgens is zij slachtoffer geworden van ongewenst (seksueel) gedrag door een collega. Uiteindelijk is het dienstverband geëindigd met een vaststellingsovereenkomst. Verzoekster is daarna ziek geworden en ontvangt sinds 5 april 2021 een WIA-uitkering omdat zij 65 tot 80% arbeidsongeschikt is verklaard. Volgens verzoekster was zij schuldenvrij op het moment dat het UWV het onrechtmatige besluit heeft genomen op 17 januari 2023. 6. Met het besluit van 17 januari 2023 heeft het UWV bepaald dat verzoekster vanaf 5 april 2023 een WGA-vervolguitkering zal ontvangen. Daarmee werd de uitkering van verzoekster fors verlaagd van € 3.072,86 bruto per maand naar € 981,58 per maand. Tijdens de bezwaarprocedure heeft er uiteindelijk een medische beoordeling plaatsgevonden. Hieruit is naar voren gekomen dat verzoekster vanaf 3 oktober 2022 geen benutbare mogelijkheden heeft en dat zij 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Met de beslissing op bezwaar van 12 september 2023 heeft het UWV bepaald dat verzoekster vanaf 5 april 2023 in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering van bruto € 3.072,86 per maand. Vooruitlopend op dit besluit heeft er op 10 augustus 2023 een nabetaling plaatsgevonden van € 3.772,90 netto. Eerder was al een bruto voorschot van € 1.100,- uitgekeerd. 7. Verzoekster heeft op 14 augustus 2024 een verzoek om schadevergoeding ingediend bij het UWV. Met het besluit van 7 oktober 2024 heeft het UWV dit verzoek afgewezen. Verzoekster heeft vervolgens op 4 april 2025 bij de rechtbank een verzoek om schadevergoeding ingediend. Waar gaat het in deze zaak om? 8. Partijen zijn het erover eens dat het besluit van 17 januari 2023 onrechtmatig was mede omdat – ondanks diverse verzoeken daartoe – in aanloop naar dat verzoek geen medische herbeoordeling heeft plaatsgevonden. Verzoekster stelt dat zij door dit besluit schade heeft geleden. Volgens verzoekster verkeerde zij tussen 5 april 2023 en 10 augustus 2023 in een financiële noodsituatie. Zij voelde zich daardoor gedwongen om in het kader van de afwikkeling van de toeslagenaffaire op 7 augustus 2023 een vaststellingsovereenkomst te tekenen met de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT). Daarbij heeft verzoekster een bedrag van € 32.866,- geaccepteerd, terwijl verzoekster stelt dat zij een hogere vergoeding had kunnen krijgen van het UHT als zij had doorgeprocedeerd. Verzoekster heeft bij de rechtbank in de hoofdzaak een bedrag van € 1.314.797,77 aan materiële schade gevorderd en een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade. Verzoekster wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij een voorschot krijgt op de gevorderde schadevergoeding. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af 8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 9. In een voorlopige voorzieningenprocedure zijn de kaders beperkter dan in de bodemprocedure die ook voorligt bij deze rechtbank. Daarnaast is het verzoek om een voorschot op de gevorderde schadevergoeding een verstrekkend verzoek, omdat nog niet vaststaat dat die schadevergoeding zal worden toegekend. Een dergelijk verzoek wordt niet snel toegewezen. In wat verzoekster naar voren heeft gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand duidelijk is dat het UWV het verzoek om schadevergoeding ten onrechte heeft afgewezen. De voorzieningenrechter vindt vooral dat er nog te veel vragen zijn over het causale verband tussen de door verzoekster gestelde schade en het onrechtmatige besluit. Verzoekster heeft daarbij onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de financiële situatie op 7 augustus 2023 dusdanig urgent was dat wel akkoord gegaan moest worden met het voorstel van de UHT. Daarbij houdt de voorzieningenrechter rekening met het feit dat verzoekster stelt op 5 april 2023 schuldenvrij geweest te zijn en de herbeoordeling bij het UWV al was gestart. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het verlies aan inkomsten kan leiden tot achterstallige betalingen, is onvoldoende duidelijk waar die achterstallige betalingen uit bestaan en hoe die zich verhouden tot de uiteindelijke nabetaling door het UWV. Ook anderszins bestaan er over de hoogte van de door verzoekster gevorderde schade nog vragen. Zo is ter zitting gebleken dat bij de berekening van het inkomstenverlies bijvoorbeeld geen rekening is gehouden met de (te) ontvangen uitkering. Ook heeft verzoekster zelf verklaard dat zij niet had verwacht dat een schadevergoeding van deze omvang zou worden uitgekeerd, maar eerder € 300.000,- of € 400.000,-. De spoedprocedure is niet geschikt om deze vragen te beantwoorden. De voorzieningenrechter zal dit dan ook overlaten aan de bodemrechter. Conclusie en gevolgen 10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het UWV verzoekster geen voorschot op de gevorderde schadevergoeding hoeft te betalen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 11. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026 door mr. F.P. Heijne, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit is een verzoek zoals bedoelt in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.