Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-01-27
ECLI:NL:RBROT:2026:4528
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
15,180 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4528 text/xml public 2026-05-07T14:26:25 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-01-27 C/10/662400 / FA RK 23-5270 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4528 text/html public 2026-05-07T14:25:35 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4528 Rechtbank Rotterdam , 27-01-2026 / C/10/662400 / FA RK 23-5270 Herstel ouderlijk gezag op grond van artikel 1:277 BW. Toeslagenaffaire. Afwijzing herstel ouderlijk gezag over de oudste minderjarige: De minderjarige groeit op bij pleegouders. Het belang van de minderjarige bij duidelijkheid en stabiliteit over waar zij opgroeit weegt zwaarder dan het belang van de vrouw bij herstellen van het gezag. Aanhouding beslissing over herstel ouderlijk gezag over de jongste minderjarige: De vrouw heeft geen gebruik gemaakt van de op haar verzoek door de rechtbank geboden mogelijkheid om contra-expertise uit te laten voeren op grond van artikel 810a Rv. De vrouw krijgt een laatste kans om door middel van een gezinsopname te laten zien dat ze in staat is duurzaam de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen. Rechtbank Rotterdam Team familie Zaaknummer / rekestnummer: C/10/662400 / FA RK 23-5270 Beschikking van 27 januari 2026 over herstel van het ouderlijk gezag in de zaak van: [naam vrouw] , hierna: de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. E.M. Buijs-van Bemmel te Krimpen aan den IJssel, t e g e n de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering , hierna: de GI, gevestigd te Rotterdam. De zaak gaat over de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] . Als belanghebbenden worden aangemerkt: [naam 1] ; [naam 2] , hierna: de pleegouders van [minderjarige 1] . 1 De verdere procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: de beschikking van 21 juni 2024; de berichten van de vrouw van 20 september 2024, 15 oktober 2024, 30 april 2025 (met bijlagen), 22 juli 2025, 15 oktober 2025 (met bijlagen) en 5 december 2025 (met bijlagen); de berichten met bijlage(n) van de GI van 15 oktober 2024, 28 juli 2025 en 16 oktober 2025; het bericht van de pleegouders van [minderjarige 1] van 22 juli 2025. 1.2. De verdere mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Daarbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de GI, vertegenwoordigd door [naam 3] en [naam 4] ; de pleegouders van [minderjarige 1] ; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), in zijn adviserende rol, vertegenwoordigd door [naam 5] . 1.3. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de vrouw op 30 december 2025 een stuk ingediend. Omdat de rechtbank partijen niet in de gelegenheid heeft gesteld nog aanvullende stukken in te sturen, zal zij dit stuk buiten beschouwing laten. 1.4. Omdat [minderjarige 2] – zoals hierna nog wordt besproken – niet meer bij de gezinshuisouders verblijft, zijn zij niet meer aangemerkt als belanghebbenden in deze procedure. 1.5. De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 2] heeft op 8 december 2025 en [minderjarige 1] heeft op 10 december 2025 met de voorzitter, in zijn hoedanigheid van kinderrechter, gesproken. 2 De verdere vaststaande feiten 2.1. Bij beschikking van 21 juni 2024 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden en partijen om aanvullende stukken verzocht. Die stukken zagen op: het volledige Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD)-rapport van 23 oktober 2023 (door de GI te overleggen); stukken die zijn opgesteld ten behoeve van de contra-expertise van iMindU (door de vrouw te overleggen); het verslag van het door iMindU te verrichten contra-expertise onderzoek inzake de minderjarigen (door te vrouw te overleggen). Verzocht is om deze stukken uiterlijk 1 oktober 2024 in de procedure in te brengen. 2.2. Op 15 oktober 2024 heeft de GI het volledige KSCD-rapport overgelegd. 2.3. De vrouw heeft op 20 september 2024 verzocht om uitstel voor het overleggen van de contra-expertise. Op 30 april 2025 heeft de vrouw bericht dat iMindU gestart is met een contra-expertise. De door de vrouw te overleggen stukken zijn uiteindelijk niet ingebracht in deze procedure. 2.4. [minderjarige 2] verblijft niet meer in het gezinshuis. Hij is op 11 juli 2025 teruggeplaatst bij de vrouw. 3 De standpunten van partijen 3.1. De vrouw handhaaft haar verzoek te bepalen dat zij in het gezag over de minderjarigen wordt hersteld. 3.2. De GI voert gemotiveerd verweer. 4 De beoordeling 4.1. Juridisch kader 4.1.1. Als gevolg van haar detentie was de vrouw in de onmogelijkheid het gezag over de minderjarigen uit te oefenen op grond waarvan volgens art. 1:253r lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) haar gezag van rechtswege is geschorst. Vervolgens is de GI als tijdelijke voogd over de minderjarigen benoemd. 4.1.2. Op grond van artikel 1:253r lid 2 BW is het gezag geschorst totdat de rechter de ouders of een van hen wederom met het gezag belast. Dit kan de rechter slechts doen indien is voldaan aan de vereisten zoals gesteld in artikel 1:277 lid 1 BW. Op grond van dit artikel kan de rechtbank de ouder wiens gezag is beëindigd op zijn of haar verzoek in het gezag herstellen indien: a. herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en b. de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in artikel 1: 247 lid 2 BW, in staat is te dragen. 4.1.3. Op grond van artikel 1:247 lid 2 BW wordt onder verzorging en opvoeding mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van de minderjarigen alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. 4.1.4. Gelet op de toepasselijkheid van de criteria uit art. 1:277 BW, is in aanvulling op het voornoemde toetsingskader de uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1570) van belang. Hieruit blijkt dat de rechter bij beslissingen op de voet van art. 1:277 BW alle relevante omstandigheden (bijvoorbeeld – zoals ook in onderhavige zaak aan de orde – erkend slachtofferschap van de toeslagenaffaire) in aanmerking dient te nemen, maar dat vooropstaat dat toewijzing van herstel in het gezag slechts mogelijk is als dit in het belang van de minderjarige is. 4.1.5. Het voorgaande betekent dat de rechtbank bij de beoordeling van onderhavig verzoek als primaire overweging het belang van de minderjarigen als uitgangspunt neemt. 4.1.6. De rechtbank zal hierna afzonderlijk het verzoek van de vrouw tot herstel van het gezag over [minderjarige 1] en over [minderjarige 2] beoordelen. 4.2. Herstel van het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] 4.2.1. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij het liefste wil dat haar gezin herenigd wordt. Zij begrijpt tegelijkertijd dat [minderjarige 1] bij haar pleegouders wil blijven. De vrouw ondersteunt dit ook, maar heeft de wens dat ze uiteindelijk het gezag terugkrijgt. Namens de vrouw wordt verzocht om de beslissing aan te houden, zodat verder gebouwd kan worden aan de band tussen [minderjarige 1] en haar moeder. 4.2.2. De GI bepleit afwijzing van het verzoek van de vrouw, omdat het perspectief van [minderjarige 1] bij haar pleegouders ligt, het daar goed gaat met haar en zij daar kan blijven. Herstel van het gezag van de vrouw over [minderjarige 1] kan deze stabiele situatie ondermijnen. De raad sluit zich aan bij dit standpunt. 4.2.3. De pleegouders geven aan dat [minderjarige 1] zich thuis voelt bij hen. Zij heeft ook zelf aan de kinderrechter verteld dat zij zich bij hen fijn voelt en dat het daar goed gaat. De pleegouders willen graag dat [minderjarige 1] onderdeel uit blijft maken van hun gezin. 4.2.4.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4528 text/xml public 2026-05-07T14:26:25 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-01-27 C/10/662400 / FA RK 23-5270 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4528 text/html public 2026-05-07T14:25:35 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4528 Rechtbank Rotterdam , 27-01-2026 / C/10/662400 / FA RK 23-5270 Herstel ouderlijk gezag op grond van artikel 1:277 BW. Toeslagenaffaire. Afwijzing herstel ouderlijk gezag over de oudste minderjarige: De minderjarige groeit op bij pleegouders. Het belang van de minderjarige bij duidelijkheid en stabiliteit over waar zij opgroeit weegt zwaarder dan het belang van de vrouw bij herstellen van het gezag. Aanhouding beslissing over herstel ouderlijk gezag over de jongste minderjarige: De vrouw heeft geen gebruik gemaakt van de op haar verzoek door de rechtbank geboden mogelijkheid om contra-expertise uit te laten voeren op grond van artikel 810a Rv. De vrouw krijgt een laatste kans om door middel van een gezinsopname te laten zien dat ze in staat is duurzaam de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen. Rechtbank Rotterdam Team familie Zaaknummer / rekestnummer: C/10/662400 / FA RK 23-5270 Beschikking van 27 januari 2026 over herstel van het ouderlijk gezag in de zaak van: [naam vrouw] , hierna: de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. E.M. Buijs-van Bemmel te Krimpen aan den IJssel, t e g e n de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering , hierna: de GI, gevestigd te Rotterdam. De zaak gaat over de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] . Als belanghebbenden worden aangemerkt: [naam 1] ; [naam 2] , hierna: de pleegouders van [minderjarige 1] . 1 De verdere procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: de beschikking van 21 juni 2024; de berichten van de vrouw van 20 september 2024, 15 oktober 2024, 30 april 2025 (met bijlagen), 22 juli 2025, 15 oktober 2025 (met bijlagen) en 5 december 2025 (met bijlagen); de berichten met bijlage(n) van de GI van 15 oktober 2024, 28 juli 2025 en 16 oktober 2025; het bericht van de pleegouders van [minderjarige 1] van 22 juli 2025. 1.2. De verdere mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Daarbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de GI, vertegenwoordigd door [naam 3] en [naam 4] ; de pleegouders van [minderjarige 1] ; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), in zijn adviserende rol, vertegenwoordigd door [naam 5] . 1.3. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de vrouw op 30 december 2025 een stuk ingediend. Omdat de rechtbank partijen niet in de gelegenheid heeft gesteld nog aanvullende stukken in te sturen, zal zij dit stuk buiten beschouwing laten. 1.4. Omdat [minderjarige 2] – zoals hierna nog wordt besproken – niet meer bij de gezinshuisouders verblijft, zijn zij niet meer aangemerkt als belanghebbenden in deze procedure. 1.5. De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 2] heeft op 8 december 2025 en [minderjarige 1] heeft op 10 december 2025 met de voorzitter, in zijn hoedanigheid van kinderrechter, gesproken. 2 De verdere vaststaande feiten 2.1. Bij beschikking van 21 juni 2024 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden en partijen om aanvullende stukken verzocht. Die stukken zagen op: het volledige Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD)-rapport van 23 oktober 2023 (door de GI te overleggen); stukken die zijn opgesteld ten behoeve van de contra-expertise van iMindU (door de vrouw te overleggen); het verslag van het door iMindU te verrichten contra-expertise onderzoek inzake de minderjarigen (door te vrouw te overleggen). Verzocht is om deze stukken uiterlijk 1 oktober 2024 in de procedure in te brengen. 2.2. Op 15 oktober 2024 heeft de GI het volledige KSCD-rapport overgelegd. 2.3. De vrouw heeft op 20 september 2024 verzocht om uitstel voor het overleggen van de contra-expertise. Op 30 april 2025 heeft de vrouw bericht dat iMindU gestart is met een contra-expertise. De door de vrouw te overleggen stukken zijn uiteindelijk niet ingebracht in deze procedure. 2.4. [minderjarige 2] verblijft niet meer in het gezinshuis. Hij is op 11 juli 2025 teruggeplaatst bij de vrouw. 3 De standpunten van partijen 3.1. De vrouw handhaaft haar verzoek te bepalen dat zij in het gezag over de minderjarigen wordt hersteld. 3.2. De GI voert gemotiveerd verweer. 4 De beoordeling 4.1. Juridisch kader 4.1.1. Als gevolg van haar detentie was de vrouw in de onmogelijkheid het gezag over de minderjarigen uit te oefenen op grond waarvan volgens art. 1:253r lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) haar gezag van rechtswege is geschorst. Vervolgens is de GI als tijdelijke voogd over de minderjarigen benoemd. 4.1.2. Op grond van artikel 1:253r lid 2 BW is het gezag geschorst totdat de rechter de ouders of een van hen wederom met het gezag belast. Dit kan de rechter slechts doen indien is voldaan aan de vereisten zoals gesteld in artikel 1:277 lid 1 BW. Op grond van dit artikel kan de rechtbank de ouder wiens gezag is beëindigd op zijn of haar verzoek in het gezag herstellen indien: a. herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en b. de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in artikel 1: 247 lid 2 BW, in staat is te dragen. 4.1.3. Op grond van artikel 1:247 lid 2 BW wordt onder verzorging en opvoeding mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van de minderjarigen alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. 4.1.4. Gelet op de toepasselijkheid van de criteria uit art. 1:277 BW, is in aanvulling op het voornoemde toetsingskader de uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1570) van belang. Hieruit blijkt dat de rechter bij beslissingen op de voet van art. 1:277 BW alle relevante omstandigheden (bijvoorbeeld – zoals ook in onderhavige zaak aan de orde – erkend slachtofferschap van de toeslagenaffaire) in aanmerking dient te nemen, maar dat vooropstaat dat toewijzing van herstel in het gezag slechts mogelijk is als dit in het belang van de minderjarige is. 4.1.5. Het voorgaande betekent dat de rechtbank bij de beoordeling van onderhavig verzoek als primaire overweging het belang van de minderjarigen als uitgangspunt neemt. 4.1.6. De rechtbank zal hierna afzonderlijk het verzoek van de vrouw tot herstel van het gezag over [minderjarige 1] en over [minderjarige 2] beoordelen. 4.2. Herstel van het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] 4.2.1. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij het liefste wil dat haar gezin herenigd wordt. Zij begrijpt tegelijkertijd dat [minderjarige 1] bij haar pleegouders wil blijven. De vrouw ondersteunt dit ook, maar heeft de wens dat ze uiteindelijk het gezag terugkrijgt. Namens de vrouw wordt verzocht om de beslissing aan te houden, zodat verder gebouwd kan worden aan de band tussen [minderjarige 1] en haar moeder. 4.2.2. De GI bepleit afwijzing van het verzoek van de vrouw, omdat het perspectief van [minderjarige 1] bij haar pleegouders ligt, het daar goed gaat met haar en zij daar kan blijven. Herstel van het gezag van de vrouw over [minderjarige 1] kan deze stabiele situatie ondermijnen. De raad sluit zich aan bij dit standpunt. 4.2.3. De pleegouders geven aan dat [minderjarige 1] zich thuis voelt bij hen. Zij heeft ook zelf aan de kinderrechter verteld dat zij zich bij hen fijn voelt en dat het daar goed gaat. De pleegouders willen graag dat [minderjarige 1] onderdeel uit blijft maken van hun gezin. 4.2.4.
Volledig
De rechtbank ziet geen aanleiding om haar beslissing aan te houden, zoals door de vrouw is verzocht. Er is belang bij duidelijkheid over de toekomst van [minderjarige 1] . Uit het gesprek dat [minderjarige 1] met de kinderrechter heeft gevoerd komt ook naar voren dat zij daar behoefte aan heeft. Dat is te begrijpen, aangezien deze procedure inmiddels al 2,5 jaar duurt. De pleegouders hebben toegelicht dat zij bij [minderjarige 1] frustratie zien, die voortkomt uit onzekerheid over wat er gaat gebeuren. Dat is niet in haar belang. 4.2.5. De rechtbank acht het belang dat [minderjarige 1] heeft bij stabiliteit en de waarborg dat zij mag opgroeien bij haar pleegouders, groter dan het belang van de vrouw bij het herstellen van het gezag. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. [minderjarige 1] woont sinds december 2020 bij haar pleegouders en daar heeft zij nu haar thuis. Het gaat goed met haar. Het is niet in het belang van [minderjarige 1] dat deze stabiliteit verdwijnt. Indien de vrouw in het gezag wordt hersteld, kan zij zelf bepalen waar [minderjarige 1] woont. De rechtbank heeft zorgen of de vrouw zal blijven accepteren dat [minderjarige 1] bij de pleegouders woont. [minderjarige 1] heeft contact met haar moeder, maar dit is beperkt tot een keer per maand. [minderjarige 1] vindt die contacten soms leuk en soms niet. Ze zou graag zelf willen kunnen beslissen om, als ze het erg druk heeft, een keer niet te gaan. Op een recent verzoek van de vrouw of [minderjarige 1] meer bij haar zou willen zijn, heeft [minderjarige 1] aangegeven daarover te willen nadenken. De vrouw heeft de wens om de huidige contactregeling uit te bouwen en zij heeft ook aangegeven dat zij uiteindelijk wil dat haar gezin herenigd wordt. Die wens is heel begrijpelijk, maar dat is zoals gezegd niet in het belang van [minderjarige 1] . De rechtbank is ook niet gebleken dat de vrouw op dit moment in staat zou zijn duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te dragen. 4.2.6. Het voorgaande betekent dat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen. De GI zal dus belast blijven met de voogdij over [minderjarige 1] . 4.2.7. De rechtbank geeft met deze beslissing duidelijkheid aan de vrouw en [minderjarige 1] en spreekt de hoop uit dat deze beslissing ook rust geeft waardoor wellicht ruimte ontstaat voor [minderjarige 1] om het contact met haar moeder weer te kunnen laten groeien. 4.3. Terugkoppeling [minderjarige 1] 4.3.1. De kinderrechter zal [minderjarige 1] de volgende brief sturen om de beslissing uit te leggen: “Beste [minderjarige 1] , Op 10 december vorig jaar hebben wij met elkaar gesproken. Dat was net als vorige keer op de rechtbank, maar nu niet in de kamer met de mooie koeienposter. Je hebt me verteld dat je al bijna vijf jaar bij [naam 2] en [naam 1] woont en dat je het daar leuk vindt. Daarom wil je bij hen blijven wonen. Je hebt verteld dat je elke maand anderhalf uur naar je moeder gaat, na een lange dag op school. Soms vind je dat een beetje leuk en soms niet, omdat je moeder haar aandacht niet goed kan verdelen. Je vindt het vervelend dat [minderjarige 2] er dan bij is. Je moeder heeft je pas geleden gevraagd, zo vertelde je aan mij, of je ook de weekenden bij haar wilde komen. Jij zei dat je daarover moet nadenken. Later ga je een eigen lunchroom beginnen en die ga je “Picobello” noemen. Zes dagen later, op 16 december, heb ik – samen met twee andere rechters en de griffier – opnieuw gepraat met je moeder en ook met [naam 1] en [naam 2] . Daar was de advocaat van je moeder bij en ook je nieuwe voogd, [naam 4] , samen met een collega van het Leger des Heils. Er was ook een mevrouw van de raad voor de kinderbescherming aanwezig. Je moeder heeft verteld dat ze ziet dat het goed met jou gaat en dat [naam 2] en [naam 1] goed voor jou zorgen. Toch zou ze het allerliefste zien dat jij over een poosje weer bij haar komt wonen. Daarom wil ze graag het gezag over jou terugkrijgen, zodat zij daarover kan beslissen. [naam 1] en [naam 2] hebben verteld dat ze het fijn vinden dat jij bij hen woont en dat ze graag voor jou willen blijven zorgen. Ze vinden het prima dat jij contact hebt met je moeder en haar andere kinderen. [naam 4] en de mevrouw van de raad voor de kinderbescherming hebben gezegd dat het belangrijk is dat de rechtbank nu eindelijk eens duidelijk maakt wie mag beslissen waar jij woont. Dat is nu [naam 4] . [naam 4] vindt dat jij bij [naam 2] en [naam 1] moet blijven wonen. We hebben er goed over nagedacht. Ook wij vinden dat het voor jou belangrijk is dat je weet waar je mag opgroeien. We zien dat het goed met jou gaat nu je bij [naam 1] en [naam 2] woont. We weten niet of jouw moeder net zo goed voor jou kan zorgen en net zoveel aandacht aan jou kan geven als [naam 2] en [naam 1] nu doen. We weten ook niet of je bij [naam 1] en [naam 2] mag blijven wonen, als jouw moeder het gezag over jou krijgt. Daarom hebben we besloten dat [naam 4] (of collega’s van haar die ook bij het Leger des Heils werken) het gezag over jou houdt, zodat jij bij [naam 2] en [naam 1] kan blijven wonen. Als jij vaker naar je moeder wil gaan dan nu is afgesproken, kan je met hen daarover praten. Samen met [naam 4] en je moeder vinden jullie dan vast wel een goede oplossing. Misschien kom ik over een paar jaar – als jij volwassen bent en ik met pensioen ben gegaan – bij “Picobello” langs. Ik ben heel benieuwd naar jouw sushi en je risotto! J. van Driel Kinderrechter” 4.4. Herstel van het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] 4.4.1. Ten tijde van de tussenbeschikking woonde [minderjarige 2] in een gezinshuis. Inmiddels woont [minderjarige 2] bij de vrouw. De achtergrond hiervan is dat het gezinshuis om privéredenen is gestopt op 17 juli 2025. Om die reden moest de GI op zoek naar een nieuw perspectief voor [minderjarige 2] . [minderjarige 2] gaf aan dat hij het liefst bij zijn gezinsouders wil blijven wonen, maar dat hij anders graag bij zijn moeder wil wonen “als zijn moeder goed voor hem zou kunnen zorgen”. De GI heeft vervolgens gekozen voor een terugplaatsing bij de vrouw, onder de voorwaarde van een succesvolle gezinsopname bij Yulius. Deze gezinsopname bleek op korte termijn niet mogelijk, waarna [minderjarige 2] op 11 juli 2025 is teruggeplaatst bij de vrouw. De GI heeft daarbij ambulante hulpverlening van Youth Care Nederland, gespecialiseerd in hechting en cultuur-sensitieve zorg, ingezet om [minderjarige 2] en de vrouw vier dagen per week, drie uur per dag te begeleiden. Daarbij is afgesproken dat als uit tussenevaluaties blijkt dat moeder onvoldoende kan bieden wat [minderjarige 2] nodig heeft, hij alsnog zal worden overgeplaatst naar een andere (tijdelijke) woonplek, voorafgaand aan de start van de gezinsopname. 4.4.2. Sinds de thuisplaatsing zijn er bij de vrouw, Youth Care en de vertrouwenspersoon van de vrouw vraagtekens ontstaan over de noodzaak van de gezinsopname. Ingeval van de gezinsopname kan het zijn dat [minderjarige 2] tijdelijk naar een andere school moet. De vrouw vindt dat niet wenselijk voor [minderjarige 2] , met name niet als er geen taxivervoer geregeld kan worden tussen Yulius en school. Daarnaast vindt de vrouw de gezinsopname bij Yulius geen geschikte omgeving voor de minderjarige om te leven. Volgens de vrouw is een gezinsopname niet meer nodig en kan zij in het gezag worden hersteld. Er zijn geen zorgen meer over haar opvoedvaardigheden. Eerder onderzoek daarover is verouderd, aldus de vrouw. Vanuit de betrokken hulpverlening van Youth Care zijn er geen signalen meer naar voren gekomen dat de vrouw niet in staat zou zijn voor [minderjarige 2] te kunnen zorgen. Ook is die hulpverlening lang niet zo vaak in het gezin geweest als de bedoeling was. 4.4.3. De GI stelt daarentegen dat een gezinsopname nog steeds nodig is. Volgens de GI heeft Youth Care niet de expertise om te oordelen over de noodzaak van een opname. [minderjarige 2] heeft ernstige hechtingsproblematiek en trauma en daarvoor is meer nodig dan enkel ambulante begeleiding. 4.4.4. De rechtbank overweegt als volgt. [minderjarige 2] heeft een moeilijke start gehad in zijn leven.
Volledig
De rechtbank ziet geen aanleiding om haar beslissing aan te houden, zoals door de vrouw is verzocht. Er is belang bij duidelijkheid over de toekomst van [minderjarige 1] . Uit het gesprek dat [minderjarige 1] met de kinderrechter heeft gevoerd komt ook naar voren dat zij daar behoefte aan heeft. Dat is te begrijpen, aangezien deze procedure inmiddels al 2,5 jaar duurt. De pleegouders hebben toegelicht dat zij bij [minderjarige 1] frustratie zien, die voortkomt uit onzekerheid over wat er gaat gebeuren. Dat is niet in haar belang. 4.2.5. De rechtbank acht het belang dat [minderjarige 1] heeft bij stabiliteit en de waarborg dat zij mag opgroeien bij haar pleegouders, groter dan het belang van de vrouw bij het herstellen van het gezag. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. [minderjarige 1] woont sinds december 2020 bij haar pleegouders en daar heeft zij nu haar thuis. Het gaat goed met haar. Het is niet in het belang van [minderjarige 1] dat deze stabiliteit verdwijnt. Indien de vrouw in het gezag wordt hersteld, kan zij zelf bepalen waar [minderjarige 1] woont. De rechtbank heeft zorgen of de vrouw zal blijven accepteren dat [minderjarige 1] bij de pleegouders woont. [minderjarige 1] heeft contact met haar moeder, maar dit is beperkt tot een keer per maand. [minderjarige 1] vindt die contacten soms leuk en soms niet. Ze zou graag zelf willen kunnen beslissen om, als ze het erg druk heeft, een keer niet te gaan. Op een recent verzoek van de vrouw of [minderjarige 1] meer bij haar zou willen zijn, heeft [minderjarige 1] aangegeven daarover te willen nadenken. De vrouw heeft de wens om de huidige contactregeling uit te bouwen en zij heeft ook aangegeven dat zij uiteindelijk wil dat haar gezin herenigd wordt. Die wens is heel begrijpelijk, maar dat is zoals gezegd niet in het belang van [minderjarige 1] . De rechtbank is ook niet gebleken dat de vrouw op dit moment in staat zou zijn duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te dragen. 4.2.6. Het voorgaande betekent dat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen. De GI zal dus belast blijven met de voogdij over [minderjarige 1] . 4.2.7. De rechtbank geeft met deze beslissing duidelijkheid aan de vrouw en [minderjarige 1] en spreekt de hoop uit dat deze beslissing ook rust geeft waardoor wellicht ruimte ontstaat voor [minderjarige 1] om het contact met haar moeder weer te kunnen laten groeien. 4.3. Terugkoppeling [minderjarige 1] 4.3.1. De kinderrechter zal [minderjarige 1] de volgende brief sturen om de beslissing uit te leggen: “Beste [minderjarige 1] , Op 10 december vorig jaar hebben wij met elkaar gesproken. Dat was net als vorige keer op de rechtbank, maar nu niet in de kamer met de mooie koeienposter. Je hebt me verteld dat je al bijna vijf jaar bij [naam 2] en [naam 1] woont en dat je het daar leuk vindt. Daarom wil je bij hen blijven wonen. Je hebt verteld dat je elke maand anderhalf uur naar je moeder gaat, na een lange dag op school. Soms vind je dat een beetje leuk en soms niet, omdat je moeder haar aandacht niet goed kan verdelen. Je vindt het vervelend dat [minderjarige 2] er dan bij is. Je moeder heeft je pas geleden gevraagd, zo vertelde je aan mij, of je ook de weekenden bij haar wilde komen. Jij zei dat je daarover moet nadenken. Later ga je een eigen lunchroom beginnen en die ga je “Picobello” noemen. Zes dagen later, op 16 december, heb ik – samen met twee andere rechters en de griffier – opnieuw gepraat met je moeder en ook met [naam 1] en [naam 2] . Daar was de advocaat van je moeder bij en ook je nieuwe voogd, [naam 4] , samen met een collega van het Leger des Heils. Er was ook een mevrouw van de raad voor de kinderbescherming aanwezig. Je moeder heeft verteld dat ze ziet dat het goed met jou gaat en dat [naam 2] en [naam 1] goed voor jou zorgen. Toch zou ze het allerliefste zien dat jij over een poosje weer bij haar komt wonen. Daarom wil ze graag het gezag over jou terugkrijgen, zodat zij daarover kan beslissen. [naam 1] en [naam 2] hebben verteld dat ze het fijn vinden dat jij bij hen woont en dat ze graag voor jou willen blijven zorgen. Ze vinden het prima dat jij contact hebt met je moeder en haar andere kinderen. [naam 4] en de mevrouw van de raad voor de kinderbescherming hebben gezegd dat het belangrijk is dat de rechtbank nu eindelijk eens duidelijk maakt wie mag beslissen waar jij woont. Dat is nu [naam 4] . [naam 4] vindt dat jij bij [naam 2] en [naam 1] moet blijven wonen. We hebben er goed over nagedacht. Ook wij vinden dat het voor jou belangrijk is dat je weet waar je mag opgroeien. We zien dat het goed met jou gaat nu je bij [naam 1] en [naam 2] woont. We weten niet of jouw moeder net zo goed voor jou kan zorgen en net zoveel aandacht aan jou kan geven als [naam 2] en [naam 1] nu doen. We weten ook niet of je bij [naam 1] en [naam 2] mag blijven wonen, als jouw moeder het gezag over jou krijgt. Daarom hebben we besloten dat [naam 4] (of collega’s van haar die ook bij het Leger des Heils werken) het gezag over jou houdt, zodat jij bij [naam 2] en [naam 1] kan blijven wonen. Als jij vaker naar je moeder wil gaan dan nu is afgesproken, kan je met hen daarover praten. Samen met [naam 4] en je moeder vinden jullie dan vast wel een goede oplossing. Misschien kom ik over een paar jaar – als jij volwassen bent en ik met pensioen ben gegaan – bij “Picobello” langs. Ik ben heel benieuwd naar jouw sushi en je risotto! J. van Driel Kinderrechter” 4.4. Herstel van het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] 4.4.1. Ten tijde van de tussenbeschikking woonde [minderjarige 2] in een gezinshuis. Inmiddels woont [minderjarige 2] bij de vrouw. De achtergrond hiervan is dat het gezinshuis om privéredenen is gestopt op 17 juli 2025. Om die reden moest de GI op zoek naar een nieuw perspectief voor [minderjarige 2] . [minderjarige 2] gaf aan dat hij het liefst bij zijn gezinsouders wil blijven wonen, maar dat hij anders graag bij zijn moeder wil wonen “als zijn moeder goed voor hem zou kunnen zorgen”. De GI heeft vervolgens gekozen voor een terugplaatsing bij de vrouw, onder de voorwaarde van een succesvolle gezinsopname bij Yulius. Deze gezinsopname bleek op korte termijn niet mogelijk, waarna [minderjarige 2] op 11 juli 2025 is teruggeplaatst bij de vrouw. De GI heeft daarbij ambulante hulpverlening van Youth Care Nederland, gespecialiseerd in hechting en cultuur-sensitieve zorg, ingezet om [minderjarige 2] en de vrouw vier dagen per week, drie uur per dag te begeleiden. Daarbij is afgesproken dat als uit tussenevaluaties blijkt dat moeder onvoldoende kan bieden wat [minderjarige 2] nodig heeft, hij alsnog zal worden overgeplaatst naar een andere (tijdelijke) woonplek, voorafgaand aan de start van de gezinsopname. 4.4.2. Sinds de thuisplaatsing zijn er bij de vrouw, Youth Care en de vertrouwenspersoon van de vrouw vraagtekens ontstaan over de noodzaak van de gezinsopname. Ingeval van de gezinsopname kan het zijn dat [minderjarige 2] tijdelijk naar een andere school moet. De vrouw vindt dat niet wenselijk voor [minderjarige 2] , met name niet als er geen taxivervoer geregeld kan worden tussen Yulius en school. Daarnaast vindt de vrouw de gezinsopname bij Yulius geen geschikte omgeving voor de minderjarige om te leven. Volgens de vrouw is een gezinsopname niet meer nodig en kan zij in het gezag worden hersteld. Er zijn geen zorgen meer over haar opvoedvaardigheden. Eerder onderzoek daarover is verouderd, aldus de vrouw. Vanuit de betrokken hulpverlening van Youth Care zijn er geen signalen meer naar voren gekomen dat de vrouw niet in staat zou zijn voor [minderjarige 2] te kunnen zorgen. Ook is die hulpverlening lang niet zo vaak in het gezin geweest als de bedoeling was. 4.4.3. De GI stelt daarentegen dat een gezinsopname nog steeds nodig is. Volgens de GI heeft Youth Care niet de expertise om te oordelen over de noodzaak van een opname. [minderjarige 2] heeft ernstige hechtingsproblematiek en trauma en daarvoor is meer nodig dan enkel ambulante begeleiding. 4.4.4. De rechtbank overweegt als volgt. [minderjarige 2] heeft een moeilijke start gehad in zijn leven.
Volledig
De vrouw is met [minderjarige 2] in mei 2017 gedetineerd in Turkije, omdat zij drugs smokkelde. [minderjarige 2] was toen twee jaar oud. In juni 2019 is [minderjarige 2] opgehaald en in Nederland bij een pleeggezin geplaatst. De vrouw is in januari 2021 naar Nederland teruggekeerd. Deze gebeurtenissen hebben een grote impact gehad op [minderjarige 2] . In het KSCD-rapport van 23 oktober 2023 is verslag gedaan over zijn ontwikkeling. Hierin is onder meer geconcludeerd dat [minderjarige 2] hechtingsproblematiek heeft ontwikkeld en hij de wereld ervaart als potentieel onveilig. Wanneer er teveel op hem af komt raakt hij overprikkeld, wat kan resulteren in boze buien waarbij hij voor niemand meer bereikbaar is. Verder wordt opgemerkt dat [minderjarige 2] zich goed ontwikkelt in het gezinshuis en zijn gedragsproblemen sterk verminderd zijn, door de opvoedingsvaardigheden van gezinshuisouders en de structuur, betrokkenheid en het geduld dat zij hem bieden. Het KSCD concludeert dat [minderjarige 2] opvoeders nodig heeft die, meer dan gemiddeld, sensitief en responsief zijn. 4.4.5. Het KSCD-rapport over de vrouw (gedateerd 6 september 2024) is na de vorige mondelinge behandeling overgelegd. Hierin staat vermeld dat de vrouw in staat is om in de basale opvoedbehoeften van kinderen te voorzien (praktische verzorging) en de basale emoties van kinderen kan herkennen. Zij kan echter niet of onvoldoende aansluiten bij de emotionele opvoedings-en ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige 2] en zich onvoldoende in zijn belevingswereld verplaatsen. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige 2] en de opvoedcapaciteiten van de vrouw onvoldoende in balans zijn en dat terugplaatsing niet in het belang van [minderjarige 2] wordt geacht. Zij doet heel erg haar best, maar de band met [minderjarige 2] is verstoord. Er is een grote kans op rolomkering, waarbij [minderjarige 2] zaken en verantwoordelijkheden overneemt die moeder niet goed aan kan. 4.4.6. De vrouw is zoals gezegd van oordeel dat deze rapporten gedateerd zijn. De rechtbank volgt de vrouw hierin niet. Het enkele tijdsverloop is onvoldoende voor de rechtbank om die conclusie over te nemen. Daarbij is van belang dat de vrouw door de rechtbank op grond van artikel 810a Rv in de gelegenheid is gesteld om een contra-expertise uit te laten voeren op de bevindingen van het KSCD. De vrouw heeft deze mogelijkheid niet benut. Er is geen rapport overgelegd. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij dit traject zelf heeft stop gezet omdat zij het toch niet nodig vond. Die keuze komt voor haar rekening en risico. Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat uit de betrokken hulpverleners geen signalen naar voren komen dat bovengenoemde zorgen nog bestaan, overweegt de rechtbank dat hoewel er hulpverlening betrokken is vanuit verschillende instanties, er geen verslagen of rapporten voorhanden zijn van instanties met zodanige expertise of betrokkenheid dat zij de zorgen weg kunnen nemen. Verder merkt de rechtbank op dat de omstandigheid dat op het KSCD-rapport staat vermeld dat de beschreven beelden, conclusies en de antwoorden op de gestelde vragen niet meer actueel zijn, niet tot een ander oordeel leidt. Het is immers de vrouw die eerder heeft geweigerd deze stukken te overleggen, waardoor de stukken pas laat in deze procedure zijn ingebracht. Bovendien heeft de GI toegelicht nog steeds de zorgen te hebben die in het rapport worden beschreven. De omstandigheid dat het KSCD-rapport kennelijk niet meer voldoet aan de eigen, interne, maatstaven van het KSCD, brengt niet mee dat de bevindingen van alle betekenis zijn ontdaan. 4.4.7. Verder kan uit de omstandigheid dat [minderjarige 2] is teruggeplaatst bij de vrouw, niet worden afgeleid dat het daarom in zijn belang is dat de vrouw in het gezag wordt hersteld. De GI heeft onweersproken toegelicht dat [minderjarige 2] niet langer kon blijven wonen in het gezinshuis. Enerzijds was er de optie om [minderjarige 2] terug te plaatsen bij de vrouw, terwijl de zorgen over de opvoedcapaciteiten van de vrouw niet zijn weggenomen. Anderzijds zou een plaatsing van [minderjarige 2] in een ander – tijdelijk – opvanggezin ook schadelijk zijn omdat dit geen duurzame plaatsing zou zijn. Sindsdien verblijft [minderjarige 2] dus bij de vrouw, met ondersteuning van Youth Care. Ook maakt de omstandigheid dat de vrouw erkend slachtoffer is van de toeslagenaffaire niet dat om die reden zij in het gezag hersteld moet worden. Zoals in deze beschikking is benadrukt, gaat het om het belang van [minderjarige 2] (zie ook de onder 4.1.4. aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1570)). 4.4.8. De rechtbank wenst [minderjarige 2] toe dat er rust en duidelijkheid komt in zijn leven. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van de vrouw daar niet altijd aan bijdraagt. Zij lijkt zich onvoldoende te realiseren dat het juist in het belang van [minderjarige 2] is om aan de hulpverlening te laten zien dat zij haar zoon de zorg kan bieden die hij nodig heeft. Het, ondanks toezeggingen van haar kant, niet meewerken aan hulp die de GI als voogd van [minderjarige 2] nodig acht, is daarbij niet helpend. Volgens de GI is een gezinsopname, of een gelijkwaardig alternatief, nodig en geschikt om helderheid te krijgen over de vraag of de vrouw in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] duurzaam te dragen. Uit een gezinsopname kan ook blijken wat voor ondersteuning daarvoor eventueel nodig is. Het alternatief dat de GI zelf al voor heeft voorgesteld is een kortere gezinsopname van drie dagen per week. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw deze laatste kans aan zal grijpen om de zorgen weg te nemen en te laten zien dat zij in staat is om duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] te dragen. Onderdeel daarvan is dus het meewerken aan de gezinsopname dan wel de alternatieve gezinsopname van drie dagen per week. 4.4.9. Gelet op het voorgaande is er op dit moment geen grond om de vrouw te herstellen in het gezag over [minderjarige 2] . De zorgen over het aansluiten van de opvoedvaardigheden van de vrouw bij wat [minderjarige 2] nodig heeft, zijn namelijk nog steeds aanwezig. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw echter niet afwijzen, maar aanhouden. Dit betekent dus dat de rechtbank op een later moment een beslissing zal nemen over het herstel van het gezag. De reden hiervoor is dat de GI dit heeft verzocht en daarmee voorkomen wordt dat de vrouw in de toekomst eventueel een nieuwe procedure moet starten. Ook heeft de raad benadrukt dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat erop wordt ingezet dat hij niet opnieuw moet verhuizen. Aanhouding van het verzoek geeft ruimte om actief oog te houden op alle betrokken belangen. 4.4.10. De rechtbank roept de GI op om de komende periode een stevige regierol op zich te nemen. De vrouw heeft ondersteuning vanuit drie organisaties, het Landelijk Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire (hierna: LOT), Kansrijk Herstel, en de Jongerencommissie Uithuisplaatsingen & Kinderopvangtoeslag (hierna: Kot). Deze hulp is waardevol voor de vrouw, maar de rechtbank wijst er op dat de GI uiteindelijk degene is die belast is met de wettelijke taak om als voogd de regie te nemen over de inzet van hulpverlening en de omgang met de minderjarige. De rechtbank acht het, bij de uitvoering van de gezinsopname, wel in het belang van [minderjarige 2] dat hij naar school kan blijven gaan en dat hij deel kan blijven nemen aan zijn voetbalactiviteiten. Als het voor de GI niet mogelijk is om daar vervoer voor te regelen, dan ziet de rechtbank, op basis van wat de vrouw heeft verklaard over de ondersteuning die zij krijgt van het LOT, mogelijkheden dat het LOT daar een rol in neemt. 4.4.11. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in afwachting van de resultaten van de gezinsopname, dan wel een door de GI te bepalen gelijkwaardig alternatief, de beslissing over het herstel van het gezag over [minderjarige 2] aanhouden. De rechtbank verwacht dat deze resultaten uiterlijk op 1 november 2026 voorhanden zullen zijn. 4.5.
Volledig
De vrouw is met [minderjarige 2] in mei 2017 gedetineerd in Turkije, omdat zij drugs smokkelde. [minderjarige 2] was toen twee jaar oud. In juni 2019 is [minderjarige 2] opgehaald en in Nederland bij een pleeggezin geplaatst. De vrouw is in januari 2021 naar Nederland teruggekeerd. Deze gebeurtenissen hebben een grote impact gehad op [minderjarige 2] . In het KSCD-rapport van 23 oktober 2023 is verslag gedaan over zijn ontwikkeling. Hierin is onder meer geconcludeerd dat [minderjarige 2] hechtingsproblematiek heeft ontwikkeld en hij de wereld ervaart als potentieel onveilig. Wanneer er teveel op hem af komt raakt hij overprikkeld, wat kan resulteren in boze buien waarbij hij voor niemand meer bereikbaar is. Verder wordt opgemerkt dat [minderjarige 2] zich goed ontwikkelt in het gezinshuis en zijn gedragsproblemen sterk verminderd zijn, door de opvoedingsvaardigheden van gezinshuisouders en de structuur, betrokkenheid en het geduld dat zij hem bieden. Het KSCD concludeert dat [minderjarige 2] opvoeders nodig heeft die, meer dan gemiddeld, sensitief en responsief zijn. 4.4.5. Het KSCD-rapport over de vrouw (gedateerd 6 september 2024) is na de vorige mondelinge behandeling overgelegd. Hierin staat vermeld dat de vrouw in staat is om in de basale opvoedbehoeften van kinderen te voorzien (praktische verzorging) en de basale emoties van kinderen kan herkennen. Zij kan echter niet of onvoldoende aansluiten bij de emotionele opvoedings-en ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige 2] en zich onvoldoende in zijn belevingswereld verplaatsen. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige 2] en de opvoedcapaciteiten van de vrouw onvoldoende in balans zijn en dat terugplaatsing niet in het belang van [minderjarige 2] wordt geacht. Zij doet heel erg haar best, maar de band met [minderjarige 2] is verstoord. Er is een grote kans op rolomkering, waarbij [minderjarige 2] zaken en verantwoordelijkheden overneemt die moeder niet goed aan kan. 4.4.6. De vrouw is zoals gezegd van oordeel dat deze rapporten gedateerd zijn. De rechtbank volgt de vrouw hierin niet. Het enkele tijdsverloop is onvoldoende voor de rechtbank om die conclusie over te nemen. Daarbij is van belang dat de vrouw door de rechtbank op grond van artikel 810a Rv in de gelegenheid is gesteld om een contra-expertise uit te laten voeren op de bevindingen van het KSCD. De vrouw heeft deze mogelijkheid niet benut. Er is geen rapport overgelegd. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij dit traject zelf heeft stop gezet omdat zij het toch niet nodig vond. Die keuze komt voor haar rekening en risico. Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat uit de betrokken hulpverleners geen signalen naar voren komen dat bovengenoemde zorgen nog bestaan, overweegt de rechtbank dat hoewel er hulpverlening betrokken is vanuit verschillende instanties, er geen verslagen of rapporten voorhanden zijn van instanties met zodanige expertise of betrokkenheid dat zij de zorgen weg kunnen nemen. Verder merkt de rechtbank op dat de omstandigheid dat op het KSCD-rapport staat vermeld dat de beschreven beelden, conclusies en de antwoorden op de gestelde vragen niet meer actueel zijn, niet tot een ander oordeel leidt. Het is immers de vrouw die eerder heeft geweigerd deze stukken te overleggen, waardoor de stukken pas laat in deze procedure zijn ingebracht. Bovendien heeft de GI toegelicht nog steeds de zorgen te hebben die in het rapport worden beschreven. De omstandigheid dat het KSCD-rapport kennelijk niet meer voldoet aan de eigen, interne, maatstaven van het KSCD, brengt niet mee dat de bevindingen van alle betekenis zijn ontdaan. 4.4.7. Verder kan uit de omstandigheid dat [minderjarige 2] is teruggeplaatst bij de vrouw, niet worden afgeleid dat het daarom in zijn belang is dat de vrouw in het gezag wordt hersteld. De GI heeft onweersproken toegelicht dat [minderjarige 2] niet langer kon blijven wonen in het gezinshuis. Enerzijds was er de optie om [minderjarige 2] terug te plaatsen bij de vrouw, terwijl de zorgen over de opvoedcapaciteiten van de vrouw niet zijn weggenomen. Anderzijds zou een plaatsing van [minderjarige 2] in een ander – tijdelijk – opvanggezin ook schadelijk zijn omdat dit geen duurzame plaatsing zou zijn. Sindsdien verblijft [minderjarige 2] dus bij de vrouw, met ondersteuning van Youth Care. Ook maakt de omstandigheid dat de vrouw erkend slachtoffer is van de toeslagenaffaire niet dat om die reden zij in het gezag hersteld moet worden. Zoals in deze beschikking is benadrukt, gaat het om het belang van [minderjarige 2] (zie ook de onder 4.1.4. aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1570)). 4.4.8. De rechtbank wenst [minderjarige 2] toe dat er rust en duidelijkheid komt in zijn leven. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van de vrouw daar niet altijd aan bijdraagt. Zij lijkt zich onvoldoende te realiseren dat het juist in het belang van [minderjarige 2] is om aan de hulpverlening te laten zien dat zij haar zoon de zorg kan bieden die hij nodig heeft. Het, ondanks toezeggingen van haar kant, niet meewerken aan hulp die de GI als voogd van [minderjarige 2] nodig acht, is daarbij niet helpend. Volgens de GI is een gezinsopname, of een gelijkwaardig alternatief, nodig en geschikt om helderheid te krijgen over de vraag of de vrouw in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] duurzaam te dragen. Uit een gezinsopname kan ook blijken wat voor ondersteuning daarvoor eventueel nodig is. Het alternatief dat de GI zelf al voor heeft voorgesteld is een kortere gezinsopname van drie dagen per week. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw deze laatste kans aan zal grijpen om de zorgen weg te nemen en te laten zien dat zij in staat is om duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] te dragen. Onderdeel daarvan is dus het meewerken aan de gezinsopname dan wel de alternatieve gezinsopname van drie dagen per week. 4.4.9. Gelet op het voorgaande is er op dit moment geen grond om de vrouw te herstellen in het gezag over [minderjarige 2] . De zorgen over het aansluiten van de opvoedvaardigheden van de vrouw bij wat [minderjarige 2] nodig heeft, zijn namelijk nog steeds aanwezig. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw echter niet afwijzen, maar aanhouden. Dit betekent dus dat de rechtbank op een later moment een beslissing zal nemen over het herstel van het gezag. De reden hiervoor is dat de GI dit heeft verzocht en daarmee voorkomen wordt dat de vrouw in de toekomst eventueel een nieuwe procedure moet starten. Ook heeft de raad benadrukt dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat erop wordt ingezet dat hij niet opnieuw moet verhuizen. Aanhouding van het verzoek geeft ruimte om actief oog te houden op alle betrokken belangen. 4.4.10. De rechtbank roept de GI op om de komende periode een stevige regierol op zich te nemen. De vrouw heeft ondersteuning vanuit drie organisaties, het Landelijk Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire (hierna: LOT), Kansrijk Herstel, en de Jongerencommissie Uithuisplaatsingen & Kinderopvangtoeslag (hierna: Kot). Deze hulp is waardevol voor de vrouw, maar de rechtbank wijst er op dat de GI uiteindelijk degene is die belast is met de wettelijke taak om als voogd de regie te nemen over de inzet van hulpverlening en de omgang met de minderjarige. De rechtbank acht het, bij de uitvoering van de gezinsopname, wel in het belang van [minderjarige 2] dat hij naar school kan blijven gaan en dat hij deel kan blijven nemen aan zijn voetbalactiviteiten. Als het voor de GI niet mogelijk is om daar vervoer voor te regelen, dan ziet de rechtbank, op basis van wat de vrouw heeft verklaard over de ondersteuning die zij krijgt van het LOT, mogelijkheden dat het LOT daar een rol in neemt. 4.4.11. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in afwachting van de resultaten van de gezinsopname, dan wel een door de GI te bepalen gelijkwaardig alternatief, de beslissing over het herstel van het gezag over [minderjarige 2] aanhouden. De rechtbank verwacht dat deze resultaten uiterlijk op 1 november 2026 voorhanden zullen zijn. 4.5.
Volledig
Terugkoppeling [minderjarige 2] 4.5.1. De kinderrechter zal [minderjarige 2] de volgende brief sturen om de beslissing uit te leggen: “Beste [minderjarige 2] , Op 8 december vorig jaar hebben wij met elkaar gesproken, omdat jij dat graag wilde. Dat was in een kamer op de rechtbank. Toen ik je vroeg waarom je met me wilde praten zei je dat je nu bij je moeder woont en dat het goed gaat en dat je je veilig voelt en vrienden hebt gemaakt en dat school leuk is en dat als je dan moet verhuizen je dat wel zal missen. Die vrienden heb je gevonden op school en op voetbal waar je al twee maanden op zit. In die twee maanden heb je als spits al 15 doelpunten gemaakt. Omdat je nu in groep 8 zit heb je al gekeken naar een andere school. Je hebt verteld dat Tie van Youth Care niet meer bij jullie langskomt en dat er ook geen andere mensen langskomen. Dat hoeft van jou ook niet. Ook zei je dat je niet naar een gezinsopname wil. Daar kijken ze dan 12 weken hoe het gaat en daarvoor moet je dan verhuizen. Met [minderjarige 1] heb je weinig contact. Ze heeft je geblokkeerd, nadat je haar had verteld - omdat je moeder dat aan je vroeg - dat ze een fatbike ging krijgen en zij deed alsof ze je niet verstond. Om die fatbike had ze zelf gevraagd, maar ze heeft hem toch niet gekregen omdat ze te jong is en boos deed, vertelde je. Als [minderjarige 1] nu langskomt, ga jij buitenspelen. Later wil je profvoetballer worden, bij PSV. Acht dagen later, op 16 december, heb ik – samen met twee andere rechters en de griffier – opnieuw gepraat met je moeder. Daar was de advocaat van je moeder bij en ook je nieuwe voogd, [naam 4] , samen met een collega van het Leger des Heils. Er was ook een mevrouw van de raad voor de kinderbescherming aanwezig. Je moeder heeft verteld dat het heel goed met jou gaat en dat ook zij niet meer naar een gezinsopname wil. Zij en haar advocaat hebben gezegd dat nu wel vaststaat dat ze goed voor jou kan zorgen, omdat niemand zegt dat het niet goed gaat. Er zijn geen onderzoeken meer nodig. Ze wil daarom weer het gezag over jou krijgen. Dat betekent dat zij, in plaats van [naam 4] , alle belangrijke beslissingen over jou kan nemen, bijvoorbeeld naar welke school jij volgend schooljaar gaat. [naam 4] heeft verteld dat zij graag had gezien dat de gezinsopname wel was doorgegaan, omdat daar heel goed gekeken kon worden hoe het tussen jou en je moeder gaat. Omdat je moeder dat echt niet meer wilde en ook de mensen die haar helpen dat niet wilden, is dat niet doorgegaan. [naam 4] denkt nu na op welke andere manier gekeken kan worden hoe het tussen jullie gaat. Dat vindt zij belangrijk omdat jij al veel hebt meegemaakt en er daarom extra goed voor jou moet worden gezorgd. Ze wil weten of jouw moeder dat kan. De mevrouw van de raad voor de kinderbescherming heeft gezegd dat zij denkt dat als jouw moeder het goed vindt dat ze hulp krijgt, ze voor jou wel beslissingen kan nemen. De mevrouw van de raad voor de kinderbescherming wil niet dat jij nog eens zou moeten verhuizen en dan bij je moeder weggaat. Wij hebben er goed over nagedacht. Wij vinden dat we nu nog niet kunnen zeggen of jouw moeder weer het gezag over jou kan krijgen. Dat komt omdat wij eerder een dikke brief (we noemen die brief: het KSCD-rapport) hebben ontvangen van mensen die met jou en je moeder hebben gepraat (we noemen die mensen: deskundigen) en ook met [naam 6] en [naam 7] die toen voor jou zorgden. Die mensen hebben toen opschreven dat zij vinden dat je beter bij [naam 6] en [naam 7] kunt blijven wonen. Brieven van andere deskundigen die vinden dat je bij je moeder kan wonen, hebben wij niet gekregen. We vinden het erg jammer dat je moeder en jij niet meer naar de gezinsopname wilden gaan. Daarom willen we dat er nog eens deskundigen kijken hoe het tussen jou en je moeder gaat. Vooral omdat je nu niet meer bij [naam 7] en [naam 6] woont, maar bij je moeder. We gaan [naam 4] de kans geven om aan die deskundigen te vragen te kijken hoe het gaat (we noemen dat: een onderzoek doen). We rekenen erop dat jij en je moeder aan zo’n onderzoek zullen meedoen. Daarom beslissen we nu niet over het gezag, maar pas later. Als je dat wil, mag je dan nog eens met me komen praten. J. van Driel Kinderrechter” 4.6. Proceskosten 4.6.1. Omdat ten aanzien van het herstel van het gezag over [minderjarige 2] nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. wijst af het verzoek van de vrouw om haar gezag over de minderjarige [minderjarige 1] te herstellen; en voordat verder wordt beslist: 5.2. bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 november 2026 PRO FORMA ; 5.3. verzoekt de GI en de vrouw uiterlijk op de pro-formadatum de rechtbank schriftelijk te berichten omtrent de stand van zake en verzoekt de GI de resultaten van de gezinsopname of het alternatieve onderzoek te overleggen, alle stukken steeds in afschrift aan belanghebbenden en de raad voor de kinderbescherming; 5.4. bepaalt dat partijen en de raad voor de kinderbescherming op de genoemde pro-formadatum niet hoeven te verschijnen. Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. E.M. Moerman en mr. C.C.B. Boshouwers, rechters, tevens kinderrechters en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.C.M. van Gils, griffier, op 27 januari 2026. Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat. Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Volledig
Terugkoppeling [minderjarige 2] 4.5.1. De kinderrechter zal [minderjarige 2] de volgende brief sturen om de beslissing uit te leggen: “Beste [minderjarige 2] , Op 8 december vorig jaar hebben wij met elkaar gesproken, omdat jij dat graag wilde. Dat was in een kamer op de rechtbank. Toen ik je vroeg waarom je met me wilde praten zei je dat je nu bij je moeder woont en dat het goed gaat en dat je je veilig voelt en vrienden hebt gemaakt en dat school leuk is en dat als je dan moet verhuizen je dat wel zal missen. Die vrienden heb je gevonden op school en op voetbal waar je al twee maanden op zit. In die twee maanden heb je als spits al 15 doelpunten gemaakt. Omdat je nu in groep 8 zit heb je al gekeken naar een andere school. Je hebt verteld dat Tie van Youth Care niet meer bij jullie langskomt en dat er ook geen andere mensen langskomen. Dat hoeft van jou ook niet. Ook zei je dat je niet naar een gezinsopname wil. Daar kijken ze dan 12 weken hoe het gaat en daarvoor moet je dan verhuizen. Met [minderjarige 1] heb je weinig contact. Ze heeft je geblokkeerd, nadat je haar had verteld - omdat je moeder dat aan je vroeg - dat ze een fatbike ging krijgen en zij deed alsof ze je niet verstond. Om die fatbike had ze zelf gevraagd, maar ze heeft hem toch niet gekregen omdat ze te jong is en boos deed, vertelde je. Als [minderjarige 1] nu langskomt, ga jij buitenspelen. Later wil je profvoetballer worden, bij PSV. Acht dagen later, op 16 december, heb ik – samen met twee andere rechters en de griffier – opnieuw gepraat met je moeder. Daar was de advocaat van je moeder bij en ook je nieuwe voogd, [naam 4] , samen met een collega van het Leger des Heils. Er was ook een mevrouw van de raad voor de kinderbescherming aanwezig. Je moeder heeft verteld dat het heel goed met jou gaat en dat ook zij niet meer naar een gezinsopname wil. Zij en haar advocaat hebben gezegd dat nu wel vaststaat dat ze goed voor jou kan zorgen, omdat niemand zegt dat het niet goed gaat. Er zijn geen onderzoeken meer nodig. Ze wil daarom weer het gezag over jou krijgen. Dat betekent dat zij, in plaats van [naam 4] , alle belangrijke beslissingen over jou kan nemen, bijvoorbeeld naar welke school jij volgend schooljaar gaat. [naam 4] heeft verteld dat zij graag had gezien dat de gezinsopname wel was doorgegaan, omdat daar heel goed gekeken kon worden hoe het tussen jou en je moeder gaat. Omdat je moeder dat echt niet meer wilde en ook de mensen die haar helpen dat niet wilden, is dat niet doorgegaan. [naam 4] denkt nu na op welke andere manier gekeken kan worden hoe het tussen jullie gaat. Dat vindt zij belangrijk omdat jij al veel hebt meegemaakt en er daarom extra goed voor jou moet worden gezorgd. Ze wil weten of jouw moeder dat kan. De mevrouw van de raad voor de kinderbescherming heeft gezegd dat zij denkt dat als jouw moeder het goed vindt dat ze hulp krijgt, ze voor jou wel beslissingen kan nemen. De mevrouw van de raad voor de kinderbescherming wil niet dat jij nog eens zou moeten verhuizen en dan bij je moeder weggaat. Wij hebben er goed over nagedacht. Wij vinden dat we nu nog niet kunnen zeggen of jouw moeder weer het gezag over jou kan krijgen. Dat komt omdat wij eerder een dikke brief (we noemen die brief: het KSCD-rapport) hebben ontvangen van mensen die met jou en je moeder hebben gepraat (we noemen die mensen: deskundigen) en ook met [naam 6] en [naam 7] die toen voor jou zorgden. Die mensen hebben toen opschreven dat zij vinden dat je beter bij [naam 6] en [naam 7] kunt blijven wonen. Brieven van andere deskundigen die vinden dat je bij je moeder kan wonen, hebben wij niet gekregen. We vinden het erg jammer dat je moeder en jij niet meer naar de gezinsopname wilden gaan. Daarom willen we dat er nog eens deskundigen kijken hoe het tussen jou en je moeder gaat. Vooral omdat je nu niet meer bij [naam 7] en [naam 6] woont, maar bij je moeder. We gaan [naam 4] de kans geven om aan die deskundigen te vragen te kijken hoe het gaat (we noemen dat: een onderzoek doen). We rekenen erop dat jij en je moeder aan zo’n onderzoek zullen meedoen. Daarom beslissen we nu niet over het gezag, maar pas later. Als je dat wil, mag je dan nog eens met me komen praten. J. van Driel Kinderrechter” 4.6. Proceskosten 4.6.1. Omdat ten aanzien van het herstel van het gezag over [minderjarige 2] nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. wijst af het verzoek van de vrouw om haar gezag over de minderjarige [minderjarige 1] te herstellen; en voordat verder wordt beslist: 5.2. bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 november 2026 PRO FORMA ; 5.3. verzoekt de GI en de vrouw uiterlijk op de pro-formadatum de rechtbank schriftelijk te berichten omtrent de stand van zake en verzoekt de GI de resultaten van de gezinsopname of het alternatieve onderzoek te overleggen, alle stukken steeds in afschrift aan belanghebbenden en de raad voor de kinderbescherming; 5.4. bepaalt dat partijen en de raad voor de kinderbescherming op de genoemde pro-formadatum niet hoeven te verschijnen. Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. E.M. Moerman en mr. C.C.B. Boshouwers, rechters, tevens kinderrechters en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.C.M. van Gils, griffier, op 27 januari 2026. Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat. Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.