Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-16
ECLI:NL:RBROT:2026:4508
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,441 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4508 text/xml public 2026-05-07T09:28:45 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-16 12120822 VV EXPL 26-119 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4508 text/html public 2026-05-06T08:59:03 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4508 Rechtbank Rotterdam , 16-03-2026 / 12120822 VV EXPL 26-119 Verstekvonnis in kort geding. Ontruiming bedrijfsruimte. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 12120822 VV EXPL 26-119 datum uitspraak: 16 maart 2026 Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van [eiseres] B.V. , vestigingsplaats: Rotterdam, eiseres, gemachtigde: mr. Z.H. van Dorth tot Medler, tegen [gedaagde] , die handelt onder de namen [gedaagde] en [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde, die niet is verschenen. De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 4 maart 2026, met bijlagen 1 tot en met 17; de e-mail van 10 maart 2026 met een brief van diezelfde datum en bijlage 18; de e-mail van 13 maart 2026. 1.2. Op 11 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [naam 1] en [naam 2] voor [eiseres] , met [naam 3] , algemeen directeur van kandidaat huurder [naam 4] B.V., en met mr. Van Dorth tot Medler. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend. 2 De beoordeling Toewijzing eis 2.1. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten . Uit de stellingen van [eiseres] volgt dat deze spoed aanwezig is. De eis wordt toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond lijkt . 2.2. Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden. Het betreft een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:230a BW die ziet op de verhuur van een bedrijfsruimte waarin [gedaagde] een kinderdagverblijf geëxploiteerd heeft. Onderbouwd is gesteld dat [gedaagde] niet meer de contractuele exploitatieverplichting nakomt, omdat hij zijn kinderdagverblijf sinds half januari 2026 heeft gesloten. Er worden geen kinderen meer opgevangen. Ook is gesteld dat [gedaagde] een forse huurachterstand heeft. Ter zitting is gezegd dat het inmiddels gaat om € 44.810,56, wat neerkomt op ruim 7 maanden huur. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de ontbinding van de huurovereenkomst en [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen. Daarbij is ook van belang dat [eiseres] een kandidaat huurder heeft die gebruik wil maken van de bedrijfsruimte om er ook een kinderdagverblijf te gaan exploiteren. Die kandidaat huurder wil dat spoedig realiseren, omdat ouders anders al opvang elders voor hun kinderen gevonden hebben en omdat zij bereid is om medewerkers van [gedaagde] over te nemen, die ergens anders zullen gaan werken als dat niet snel gebeurt. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven. Proceskosten 2.3. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt . De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 128,65 aan dagvaardingskosten, € 559,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.408,65. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. Uitvoerbaar bij voorraad 2.4. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist . Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen 3 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de bedrijfsruimte aan de [adres] Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen; 3.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 5.992,68 per maand, waarbij elke ingetreden maand als gehele maand geldt, vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van ontruiming; 3.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.408,65 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald; 3.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.5. wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken. 465 Artikel 254 lid 1 Rv Artikel 139 Rv Artikel 237 Rv Artikel 233 Rv
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4508 text/xml public 2026-05-07T09:28:45 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-16 12120822 VV EXPL 26-119 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4508 text/html public 2026-05-06T08:59:03 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4508 Rechtbank Rotterdam , 16-03-2026 / 12120822 VV EXPL 26-119 Verstekvonnis in kort geding. Ontruiming bedrijfsruimte. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 12120822 VV EXPL 26-119 datum uitspraak: 16 maart 2026 Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van [eiseres] B.V. , vestigingsplaats: Rotterdam, eiseres, gemachtigde: mr. Z.H. van Dorth tot Medler, tegen [gedaagde] , die handelt onder de namen [gedaagde] en [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde, die niet is verschenen. De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 4 maart 2026, met bijlagen 1 tot en met 17; de e-mail van 10 maart 2026 met een brief van diezelfde datum en bijlage 18; de e-mail van 13 maart 2026. 1.2. Op 11 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [naam 1] en [naam 2] voor [eiseres] , met [naam 3] , algemeen directeur van kandidaat huurder [naam 4] B.V., en met mr. Van Dorth tot Medler. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend. 2 De beoordeling Toewijzing eis 2.1. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten . Uit de stellingen van [eiseres] volgt dat deze spoed aanwezig is. De eis wordt toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond lijkt . 2.2. Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden. Het betreft een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:230a BW die ziet op de verhuur van een bedrijfsruimte waarin [gedaagde] een kinderdagverblijf geëxploiteerd heeft. Onderbouwd is gesteld dat [gedaagde] niet meer de contractuele exploitatieverplichting nakomt, omdat hij zijn kinderdagverblijf sinds half januari 2026 heeft gesloten. Er worden geen kinderen meer opgevangen. Ook is gesteld dat [gedaagde] een forse huurachterstand heeft. Ter zitting is gezegd dat het inmiddels gaat om € 44.810,56, wat neerkomt op ruim 7 maanden huur. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de ontbinding van de huurovereenkomst en [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen. Daarbij is ook van belang dat [eiseres] een kandidaat huurder heeft die gebruik wil maken van de bedrijfsruimte om er ook een kinderdagverblijf te gaan exploiteren. Die kandidaat huurder wil dat spoedig realiseren, omdat ouders anders al opvang elders voor hun kinderen gevonden hebben en omdat zij bereid is om medewerkers van [gedaagde] over te nemen, die ergens anders zullen gaan werken als dat niet snel gebeurt. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven. Proceskosten 2.3. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt . De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 128,65 aan dagvaardingskosten, € 559,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.408,65. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. Uitvoerbaar bij voorraad 2.4. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist . Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen 3 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de bedrijfsruimte aan de [adres] Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen; 3.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 5.992,68 per maand, waarbij elke ingetreden maand als gehele maand geldt, vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van ontruiming; 3.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.408,65 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald; 3.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.5. wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken. 465 Artikel 254 lid 1 Rv Artikel 139 Rv Artikel 237 Rv Artikel 233 Rv