Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-09
ECLI:NL:RBROT:2026:4463
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,062 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4463 text/xml public 2026-04-16T17:21:50 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-09 NL:TZ:2503925:R-RK Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Insolventierecht Faillissementswet 284 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4463 text/html public 2026-04-16T17:21:39 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4463 Rechtbank Rotterdam , 09-03-2026 / NL:TZ:2503925:R-RK Verzoek WSNP toegewezen. Toegelaten op basis van de hardheidsclausule. Sprake van wending ten goede. Er is geen eerdere ingangsdatum bepaald omdat de rechtbank niet kan controleren of er aan de afdracht- en inspanningsplicht is voldaan. RECHTBANK Rotterdam Team Insolventie Rekestnummer: [nummer] Vonnis van 9 maart 2026 op het verzoek van [verzoekster] , wonende te [adres], [postcode] [plaatsnaam]. Waar deze zaak over gaat [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist. 1 De procedure 1.1. [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp. 1.2. De beschermingsbewindvoerder heeft voorafgaand aan de zitting, op 4 februari 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden. 1.3. Het verzoek is behandeld op de zitting van 23 februari 2026. Op de zitting zijn verschenen: - [verzoekster], - [naam 1], beschermingsbewindvoerder. 2 De beoordeling De toelating 2.1. [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen. 2.2. De rechtbank is van oordeel dat de schuld aan de gemeente Rotterdam terzake een fraudevordering over augustus 2024 en augustus 2025, die binnen de drie-jaarstermijn valt, niet te goeder trouw is ontstaan. Deze schuld staat in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek. 2.3. In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoekster] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan van deze schuld, onder controle heeft gekregen. [verzoekster] staat sinds 2 april 2024 onder beschermingsbewind. Daarnaast is [verzoekster] op dit moment aan het werk voor circa 24 uur per week. De schuld aan de gemeente Rotterdam is ontstaan toen zij al onder beschermingsbewind stond. [verzoekster] ontving een Participatiewet-uitkering en daarnaast ontving zij ook inkomsten uit werk. Deze inkomsten uit werk heeft zij niet doorgegeven aan de gemeente. [verzoekster] is op dit moment aan het werk is en ontvangt geen Participatiewet-uitkering meer. Hierdoor is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat een soortgelijke situatie zich niet opnieuw zal voordoen. Ook heeft [verzoekster] laten blijken dat zij zich realiseert dat zij niet nogmaals haar inkomen moet achterhouden en dat dit kan leiden tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling. 2.4. Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat [verzoekster] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp. De rechtbank heeft met [verzoekster] besproken dat zij op zoek moet naar een aanvullende dienstbetrekking. Zij heeft ter zitting verklaard hiertoe bereid te zijn. Hierdoor is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat [verzoekster] haar verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen. 2.5. [verzoekster] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp. Bevoegdheid 2.6. De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt. Duur 2.7. De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden. De ingangsdatum 2.8. De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan. 2.9. Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan. 2.10. De rechtbank stelt vast dat [verzoekster] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens op basis van de ingediende stukken en dat wat op de zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [verzoekster] gedurende het minnelijk traject heeft gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers. De beschermingsbewindvoerder heeft echter verklaard dat (een deel van) het spaarsaldo aan noodzakelijke kosten is uitgegeven. Het spaarsaldo is dan ook niet aangewend voor de (gezamenlijke) schuldeisers. Daarnaast zijn niet alle onderliggende stukken van de vtlb-berekening overgelegd en ontbreekt er een vtlb-berekening met onderliggende stukken vanaf de maand dat [verzoekster] parttime is gaan werken. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat er gedurende het minnelijk traject conform vtlb is gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers. Verder is niet gebleken dat [verzoekster] heeft voldaan aan haar inspanningsplicht gedurende het minnelijke traject. Vanaf september 2025 heeft [verzoekster] parttime gewerkt. [verzoekster] heeft niet aangetoond dat zij (aanvullend) heeft gesolliciteerd naar een fulltime dienstbetrekking. Ook zijn er geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat [verzoekster] niet in staat is om fulltime arbeid te verrichten of een officieel besluit tot (gedeeltelijke) vrijstelling van de sollicitatieverplichting overgelegd over de periode voorafgaand aan september 2025. 2.11. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald. 3 De (controle van) verplichtingen in de Wsnp 3.1. De verplichtingen waaraan [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen). 3.2. Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt. 3.3. De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers. 3.4. Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder. 3.5. De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4463 text/xml public 2026-04-16T17:21:50 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-09 NL:TZ:2503925:R-RK Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Insolventierecht Faillissementswet 284 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4463 text/html public 2026-04-16T17:21:39 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4463 Rechtbank Rotterdam , 09-03-2026 / NL:TZ:2503925:R-RK Verzoek WSNP toegewezen. Toegelaten op basis van de hardheidsclausule. Sprake van wending ten goede. Er is geen eerdere ingangsdatum bepaald omdat de rechtbank niet kan controleren of er aan de afdracht- en inspanningsplicht is voldaan. RECHTBANK Rotterdam Team Insolventie Rekestnummer: [nummer] Vonnis van 9 maart 2026 op het verzoek van [verzoekster] , wonende te [adres], [postcode] [plaatsnaam]. Waar deze zaak over gaat [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist. 1 De procedure 1.1. [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp. 1.2. De beschermingsbewindvoerder heeft voorafgaand aan de zitting, op 4 februari 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden. 1.3. Het verzoek is behandeld op de zitting van 23 februari 2026. Op de zitting zijn verschenen: - [verzoekster], - [naam 1], beschermingsbewindvoerder. 2 De beoordeling De toelating 2.1. [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen. 2.2. De rechtbank is van oordeel dat de schuld aan de gemeente Rotterdam terzake een fraudevordering over augustus 2024 en augustus 2025, die binnen de drie-jaarstermijn valt, niet te goeder trouw is ontstaan. Deze schuld staat in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek. 2.3. In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoekster] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan van deze schuld, onder controle heeft gekregen. [verzoekster] staat sinds 2 april 2024 onder beschermingsbewind. Daarnaast is [verzoekster] op dit moment aan het werk voor circa 24 uur per week. De schuld aan de gemeente Rotterdam is ontstaan toen zij al onder beschermingsbewind stond. [verzoekster] ontving een Participatiewet-uitkering en daarnaast ontving zij ook inkomsten uit werk. Deze inkomsten uit werk heeft zij niet doorgegeven aan de gemeente. [verzoekster] is op dit moment aan het werk is en ontvangt geen Participatiewet-uitkering meer. Hierdoor is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat een soortgelijke situatie zich niet opnieuw zal voordoen. Ook heeft [verzoekster] laten blijken dat zij zich realiseert dat zij niet nogmaals haar inkomen moet achterhouden en dat dit kan leiden tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling. 2.4. Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat [verzoekster] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp. De rechtbank heeft met [verzoekster] besproken dat zij op zoek moet naar een aanvullende dienstbetrekking. Zij heeft ter zitting verklaard hiertoe bereid te zijn. Hierdoor is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat [verzoekster] haar verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen. 2.5. [verzoekster] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp. Bevoegdheid 2.6. De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt. Duur 2.7. De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden. De ingangsdatum 2.8. De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan. 2.9. Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan. 2.10. De rechtbank stelt vast dat [verzoekster] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens op basis van de ingediende stukken en dat wat op de zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [verzoekster] gedurende het minnelijk traject heeft gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers. De beschermingsbewindvoerder heeft echter verklaard dat (een deel van) het spaarsaldo aan noodzakelijke kosten is uitgegeven. Het spaarsaldo is dan ook niet aangewend voor de (gezamenlijke) schuldeisers. Daarnaast zijn niet alle onderliggende stukken van de vtlb-berekening overgelegd en ontbreekt er een vtlb-berekening met onderliggende stukken vanaf de maand dat [verzoekster] parttime is gaan werken. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat er gedurende het minnelijk traject conform vtlb is gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers. Verder is niet gebleken dat [verzoekster] heeft voldaan aan haar inspanningsplicht gedurende het minnelijke traject. Vanaf september 2025 heeft [verzoekster] parttime gewerkt. [verzoekster] heeft niet aangetoond dat zij (aanvullend) heeft gesolliciteerd naar een fulltime dienstbetrekking. Ook zijn er geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat [verzoekster] niet in staat is om fulltime arbeid te verrichten of een officieel besluit tot (gedeeltelijke) vrijstelling van de sollicitatieverplichting overgelegd over de periode voorafgaand aan september 2025. 2.11. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald. 3 De (controle van) verplichtingen in de Wsnp 3.1. De verplichtingen waaraan [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen). 3.2. Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt. 3.3. De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers. 3.4. Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder. 3.5. De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat.