Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-20
ECLI:NL:RBROT:2026:4445
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,500 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4445 text/xml public 2026-05-13T12:38:53 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-20 ROT 25/5323 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4445 text/html public 2026-05-13T12:37:06 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4445 Rechtbank Rotterdam , 20-04-2026 / ROT 25/5323 Einduitspraak na tussenuitspraak (zie voor de tussenuitspraak ECLI:NL:RBROT:2025:13919). Het college mocht dus in redelijkheid besluiten eisers aanvraag voor een ontheffing af te wijzen, gelet op de doelstellingen van de Wegenverkeerswet (WVW). RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/5323 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college (gemachtigde: mr. A. Hielkema). Procesverloop Voor het procesverloop tot en met 3 december 2025 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van die datum. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Het college heeft op 12 februari 2026 een aanvullende motivering ingediend. Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd op 9 maart 2026. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Op 25 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek daarom gesloten. Overwegingen De tussenuitspraak 1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. 2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat met de informatie uit het dossier niet is gebleken dat het belang van de verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer in het geding komt. Verder is geoordeeld dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de door eiser naar voren gebrachte noodzaak voor de gevraagde ontheffing. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Standpunt van het college 3. Het college heeft op 12 februari 2026 een aanvullende motivering gegeven voor de afwijzing van de aanvraag voor een ontheffing. Het parkeren op het trottoir levert hinder op voor voetgangers omdat zij niet verwachten dat daar een voertuig staat geparkeerd. Daarnaast levert een geparkeerd voertuig ter plekke een belemmering van het vrije zicht van weggebruikers op zowel het trottoir (door bijvoorbeeld spelende kinderen met een bal of personen die grote spullen dragen) als op de weg. Dit is gevaarlijk. Het college heeft hierbij ondersteunende foto’s meegestuurd. Daar komt bij dat hulpdiensten geen ruimte meer hebben om, in het geval van nood, op het trottoir te kunnen parkeren. Het parkeren op het trottoir veroorzaakt schade aan de stoep. Daarnaast ontstaat met het verlenen van de ontheffing precedentwerking. Ten aanzien van de kabel die eiser op 2,5 meter hoogte op hengels ophangt heeft het college het standpunt ingenomen dat dit een aantasting van de openbare ruimte oplevert. Het zicht wordt belemmerd en het is hinderlijk en onwenselijk dat er kabels door de openbare ruimte lopen. Daarnaast geldt voor het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de openbare weg een vergunningplicht gelet op artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (APV) en een leidingenvergunningplicht op grond van de Verordening beheer ondergrond Rotterdam (VBOR). Eiser beschikt niet over dergelijke vergunningen. Ten aanzien van de afspraak met de wijkagent heeft het college het standpunt ingenomen dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat een dergelijke afspraak (gedoogconstructie) is gemaakt. Dat eiser jarenlang niet is bekeurd, is daartoe niet voldoende. Voor zover sprake is geweest van een afspraak met de wijkagent, mocht eiser er overigens niet op vertrouwen dat die afspraak afkomstig is van het bevoegde orgaan, omdat de wijkagent geen ontheffingen verleent. Ten aanzien van het onderzoek naar de noodzaak van de ontheffing heeft het college het standpunt ingenomen dat het een bedrijfsrisico is indien het huren van een externe locatie voor de betreffende werkzaamheden niet rendabel is. Daarnaast kan een ontheffing slechts betrekking hebben op één voertuig. Voor elk voertuig dient een afzonderlijke ontheffing te worden aangevraagd. Daar komt bij dat er voldoende reguliere parkeerplekken in de straat aanwezig zijn waar eiser de betreffende voertuigen kan parkeren om kortstondig te laden en te lossen. Standpunt van eiser 4. In zijn zienswijze van 9 maart 2026 heeft eiser herhaald dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt. In het beroepschrift van 22 oktober 2025 heeft eiser hierover reeds aangevoerd dat in de straat met fietsen en bromscooters over de stoep wordt gereden en dat caravans in de wijk op straat staan geparkeerd, terwijl daar niet tegen wordt opgetreden door de gemeente. Dit is in strijd met de verkeersveiligheid. Eiser heeft in zijn zienswijze hieraan toegevoegd dat elektrische auto’s elders in de straat worden opgeladen met behulp van een kabel die over het trottoir loopt, zoals uit meegestuurde foto’s blijkt. Ten aanzien van de gestelde schade aan het trottoir door het parkeren voert eiser aan dat daarvan geen sprake is. Hij onderhoudt het trottoir. Eiser voert verder aan dat voetgangers en bestuurders het op het trottoir geparkeerde voertuig al zien staan bij aankomst en dus geen sprake kan zijn van een onverwachte situatie. Ten aanzien van de vergunningplicht voert eiser aan dat deze niet geldt voor de kabels en hengels, omdat deze niet ondergronds of aan de openbare weg worden vastgemaakt, wat vergunningplichtig is. De hengels worden telkens op het voertuig en de aanhanger zelf geplaatst, voor een korte tijd, terwijl er toezicht aanwezig is. Ten aanzien van de afspraak met de wijkagent voert eiser aan dat hij aan de huidige wijkagent [persoon A] heeft gevraagd contact te leggen met voormalig wijkagent [persoon B] . De huidige wijkagent heeft dit geweigerd. Eiser heeft op advies van teamleider handhaving [persoon C] een ontheffing aangevraagd om de eerder toegestane bedrijfsvoering te mogen blijven uitvoeren. Ten aanzien van de mogelijke precedentwerking voert eiser aan dat daarvan geen sprake zal zijn, omdat eisers bedrijf een unieke situatie is. Het is het enige bedrijf in de straat. Beoordeling door de rechtbank 5. In deze procedure geldt een terughoudende beoordeling door de rechtbank. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de gebreken met de aanvullende motivering van 12 februari 2026 hersteld. Het college mocht in redelijkheid het belang van de verkeersveiligheid zwaarder laten wegen dan de nadelige gevolgen voor eiser voor het niet verkrijgen van de ontheffing. Het college mocht het standpunt innemen dat de doorstroming en verkeersveiligheid in het geding komt, omdat een op een trottoir geparkeerd voertuig kan zorgen voor belemmering van het vrije zicht van andere weggebruikers en daarnaast hinder ontstaat voor hulpdiensten. Het college mocht daarbij verder aan de afwijzing ten grondslag leggen dat het niet wenselijk is dat op een trottoir, dat gelet op de inrichting van de openbare ruimte is bedoeld voor voetgangers, voertuigen en/of kabels of haspels geplaatst staan. 5.1. De rechtbank acht bij het weigeren van de ontheffing in dit geval niet redengevend de mogelijke precedentwerking, de aangevoerde argumenten over een eventuele vergunningplicht van de kabels en/of haspels en de gestelde schade aan de stoep. Dat partijen over die belangen verschil van inzicht hebben, kan alleen al daarom niet tot een ander oordeel leiden. 5.2.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4445 text/xml public 2026-05-13T12:38:53 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-20 ROT 25/5323 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4445 text/html public 2026-05-13T12:37:06 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4445 Rechtbank Rotterdam , 20-04-2026 / ROT 25/5323 Einduitspraak na tussenuitspraak (zie voor de tussenuitspraak ECLI:NL:RBROT:2025:13919). Het college mocht dus in redelijkheid besluiten eisers aanvraag voor een ontheffing af te wijzen, gelet op de doelstellingen van de Wegenverkeerswet (WVW). RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/5323 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college (gemachtigde: mr. A. Hielkema). Procesverloop Voor het procesverloop tot en met 3 december 2025 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van die datum. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Het college heeft op 12 februari 2026 een aanvullende motivering ingediend. Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd op 9 maart 2026. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Op 25 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek daarom gesloten. Overwegingen De tussenuitspraak 1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. 2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat met de informatie uit het dossier niet is gebleken dat het belang van de verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer in het geding komt. Verder is geoordeeld dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de door eiser naar voren gebrachte noodzaak voor de gevraagde ontheffing. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Standpunt van het college 3. Het college heeft op 12 februari 2026 een aanvullende motivering gegeven voor de afwijzing van de aanvraag voor een ontheffing. Het parkeren op het trottoir levert hinder op voor voetgangers omdat zij niet verwachten dat daar een voertuig staat geparkeerd. Daarnaast levert een geparkeerd voertuig ter plekke een belemmering van het vrije zicht van weggebruikers op zowel het trottoir (door bijvoorbeeld spelende kinderen met een bal of personen die grote spullen dragen) als op de weg. Dit is gevaarlijk. Het college heeft hierbij ondersteunende foto’s meegestuurd. Daar komt bij dat hulpdiensten geen ruimte meer hebben om, in het geval van nood, op het trottoir te kunnen parkeren. Het parkeren op het trottoir veroorzaakt schade aan de stoep. Daarnaast ontstaat met het verlenen van de ontheffing precedentwerking. Ten aanzien van de kabel die eiser op 2,5 meter hoogte op hengels ophangt heeft het college het standpunt ingenomen dat dit een aantasting van de openbare ruimte oplevert. Het zicht wordt belemmerd en het is hinderlijk en onwenselijk dat er kabels door de openbare ruimte lopen. Daarnaast geldt voor het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de openbare weg een vergunningplicht gelet op artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (APV) en een leidingenvergunningplicht op grond van de Verordening beheer ondergrond Rotterdam (VBOR). Eiser beschikt niet over dergelijke vergunningen. Ten aanzien van de afspraak met de wijkagent heeft het college het standpunt ingenomen dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat een dergelijke afspraak (gedoogconstructie) is gemaakt. Dat eiser jarenlang niet is bekeurd, is daartoe niet voldoende. Voor zover sprake is geweest van een afspraak met de wijkagent, mocht eiser er overigens niet op vertrouwen dat die afspraak afkomstig is van het bevoegde orgaan, omdat de wijkagent geen ontheffingen verleent. Ten aanzien van het onderzoek naar de noodzaak van de ontheffing heeft het college het standpunt ingenomen dat het een bedrijfsrisico is indien het huren van een externe locatie voor de betreffende werkzaamheden niet rendabel is. Daarnaast kan een ontheffing slechts betrekking hebben op één voertuig. Voor elk voertuig dient een afzonderlijke ontheffing te worden aangevraagd. Daar komt bij dat er voldoende reguliere parkeerplekken in de straat aanwezig zijn waar eiser de betreffende voertuigen kan parkeren om kortstondig te laden en te lossen. Standpunt van eiser 4. In zijn zienswijze van 9 maart 2026 heeft eiser herhaald dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt. In het beroepschrift van 22 oktober 2025 heeft eiser hierover reeds aangevoerd dat in de straat met fietsen en bromscooters over de stoep wordt gereden en dat caravans in de wijk op straat staan geparkeerd, terwijl daar niet tegen wordt opgetreden door de gemeente. Dit is in strijd met de verkeersveiligheid. Eiser heeft in zijn zienswijze hieraan toegevoegd dat elektrische auto’s elders in de straat worden opgeladen met behulp van een kabel die over het trottoir loopt, zoals uit meegestuurde foto’s blijkt. Ten aanzien van de gestelde schade aan het trottoir door het parkeren voert eiser aan dat daarvan geen sprake is. Hij onderhoudt het trottoir. Eiser voert verder aan dat voetgangers en bestuurders het op het trottoir geparkeerde voertuig al zien staan bij aankomst en dus geen sprake kan zijn van een onverwachte situatie. Ten aanzien van de vergunningplicht voert eiser aan dat deze niet geldt voor de kabels en hengels, omdat deze niet ondergronds of aan de openbare weg worden vastgemaakt, wat vergunningplichtig is. De hengels worden telkens op het voertuig en de aanhanger zelf geplaatst, voor een korte tijd, terwijl er toezicht aanwezig is. Ten aanzien van de afspraak met de wijkagent voert eiser aan dat hij aan de huidige wijkagent [persoon A] heeft gevraagd contact te leggen met voormalig wijkagent [persoon B] . De huidige wijkagent heeft dit geweigerd. Eiser heeft op advies van teamleider handhaving [persoon C] een ontheffing aangevraagd om de eerder toegestane bedrijfsvoering te mogen blijven uitvoeren. Ten aanzien van de mogelijke precedentwerking voert eiser aan dat daarvan geen sprake zal zijn, omdat eisers bedrijf een unieke situatie is. Het is het enige bedrijf in de straat. Beoordeling door de rechtbank 5. In deze procedure geldt een terughoudende beoordeling door de rechtbank. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de gebreken met de aanvullende motivering van 12 februari 2026 hersteld. Het college mocht in redelijkheid het belang van de verkeersveiligheid zwaarder laten wegen dan de nadelige gevolgen voor eiser voor het niet verkrijgen van de ontheffing. Het college mocht het standpunt innemen dat de doorstroming en verkeersveiligheid in het geding komt, omdat een op een trottoir geparkeerd voertuig kan zorgen voor belemmering van het vrije zicht van andere weggebruikers en daarnaast hinder ontstaat voor hulpdiensten. Het college mocht daarbij verder aan de afwijzing ten grondslag leggen dat het niet wenselijk is dat op een trottoir, dat gelet op de inrichting van de openbare ruimte is bedoeld voor voetgangers, voertuigen en/of kabels of haspels geplaatst staan. 5.1. De rechtbank acht bij het weigeren van de ontheffing in dit geval niet redengevend de mogelijke precedentwerking, de aangevoerde argumenten over een eventuele vergunningplicht van de kabels en/of haspels en de gestelde schade aan de stoep. Dat partijen over die belangen verschil van inzicht hebben, kan alleen al daarom niet tot een ander oordeel leiden. 5.2.
Volledig
Ten aanzien van het onderzoek naar de noodzaak van de gevraagde ontheffing is de rechtbank van oordeel dat het college met de aanvullende motivering op goede gronden heeft toegelicht dat de door eiser geclaimde financiële noodzaak niet maakt dat een ontheffing dient te worden verleend. Dat het voor de huidige bedrijfsvoering niet rendabel is om de voertuigen in plaats van op het trottoir elders te laden en te lossen, mag het college redelijkerwijs voor het ondernemersrisico van eiser achten. Het blijft mogelijk om te laden en te lossen op een bestaand parkeervak elders in de straat. Dit ook omdat door het betaald parkeren geen sprake meer is van een verhoogde parkeerdruk, gelet op de door het college overgelegde parkeertellingen in het stadsdeel IJsselmonde-Noord in juli 2025. De rechtbank acht het niet redengevend dat eiser op een andere plaats een locatie kan huren, zoals in het verleden is gebeurd tijdens de coronaperiode. De rechtbank acht verder niet redengevend dat voor elk voertuig een afzonderlijke ontheffing nodig is. 6. Eiser heeft in beroep verder aangevoerd dat hij op basis van een afspraak met de vorige wijkagent [persoon B] mocht laden en lossen op het trottoir en er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij een ontheffing zou krijgen. Daarmee doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. 6.1. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moeten drie stappen worden doorlopen. Bij de eerste stap moet de betrokkene aannemelijk maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging, uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de toezegging of uitlating deed, of de gedraging verrichtte, de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Als aan stap 1 en 2 wordt voldaan, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Daarin vindt een belangenafweging plaats. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent namelijk niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. 6.2. De rechtbank is met het college van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van een toezegging of uitlating waaruit eiser redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat hij mocht laden en lossen op het trottoir. Het enkel gegeven advies van teamleider handhaving [persoon C] is onvoldoende om een beroep te kunnen toen op het vertrouwensbeginsel. Ten aanzien van de mogelijke gedoogconstructie met de voormalig wijkagent overweegt de rechtbank dat dit niet kan worden gekwalificeerd als toezegging of uitlating, omdat niet de wijkagent, maar het college de bevoegdheid heeft om ontheffingen te verlenen. Dat tussen partijen niet is komen vast te staan of sprake is geweest van zo’n gedoogconstructie en wie dat aannemelijk zou moeten maken, kan daarom verder onbesproken blijven. Er is daarom niet voldaan aan de eerste stap uit rechtsoverweging 7 en de rechtbank komt daarmee niet toe aan de beoordeling van de stappen twee en drie van het vertrouwensbeginsel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. 7. Eiser heeft verder nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Voor een geslaagd beroep daarop moet sprake zijn van gelijke gevallen. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door eiser genoemde gevallen (fietsen en bromscooters die over de stoep rijden, geparkeerde caravans op straat en elektrische auto’s die worden opgeladen door middel van een kabel over het trottoir) geen gelijke situaties op als de situatie van eiser. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. Het college mocht dus in redelijkheid besluiten eisers aanvraag voor een ontheffing af te wijzen, gelet op de doelstellingen van de Wegenverkeerswet (WVW). Wat eiser heeft aangevoerd, maakt niet dat het college eisers belangen zwaarder moest laten wegen dan de betrokken (verkeers)belangen. 9. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het college in de reactie van 12 februari 2026 de gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent voor eiser dat de afwijzing van zijn aanvraag voor een ontheffing in stand blijft. 10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Eiser heeft namelijk een reden gehad om beroep in te stellen. Er zijn verder geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven; - draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RBROT:2025:13919 Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694). Op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 10 van de tussenuitspraak. Zie voor het beoordelingskader van het vertrouwensbeginsel bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, en 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2606.
Volledig
Ten aanzien van het onderzoek naar de noodzaak van de gevraagde ontheffing is de rechtbank van oordeel dat het college met de aanvullende motivering op goede gronden heeft toegelicht dat de door eiser geclaimde financiële noodzaak niet maakt dat een ontheffing dient te worden verleend. Dat het voor de huidige bedrijfsvoering niet rendabel is om de voertuigen in plaats van op het trottoir elders te laden en te lossen, mag het college redelijkerwijs voor het ondernemersrisico van eiser achten. Het blijft mogelijk om te laden en te lossen op een bestaand parkeervak elders in de straat. Dit ook omdat door het betaald parkeren geen sprake meer is van een verhoogde parkeerdruk, gelet op de door het college overgelegde parkeertellingen in het stadsdeel IJsselmonde-Noord in juli 2025. De rechtbank acht het niet redengevend dat eiser op een andere plaats een locatie kan huren, zoals in het verleden is gebeurd tijdens de coronaperiode. De rechtbank acht verder niet redengevend dat voor elk voertuig een afzonderlijke ontheffing nodig is. 6. Eiser heeft in beroep verder aangevoerd dat hij op basis van een afspraak met de vorige wijkagent [persoon B] mocht laden en lossen op het trottoir en er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij een ontheffing zou krijgen. Daarmee doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. 6.1. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moeten drie stappen worden doorlopen. Bij de eerste stap moet de betrokkene aannemelijk maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging, uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de toezegging of uitlating deed, of de gedraging verrichtte, de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Als aan stap 1 en 2 wordt voldaan, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Daarin vindt een belangenafweging plaats. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent namelijk niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. 6.2. De rechtbank is met het college van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van een toezegging of uitlating waaruit eiser redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat hij mocht laden en lossen op het trottoir. Het enkel gegeven advies van teamleider handhaving [persoon C] is onvoldoende om een beroep te kunnen toen op het vertrouwensbeginsel. Ten aanzien van de mogelijke gedoogconstructie met de voormalig wijkagent overweegt de rechtbank dat dit niet kan worden gekwalificeerd als toezegging of uitlating, omdat niet de wijkagent, maar het college de bevoegdheid heeft om ontheffingen te verlenen. Dat tussen partijen niet is komen vast te staan of sprake is geweest van zo’n gedoogconstructie en wie dat aannemelijk zou moeten maken, kan daarom verder onbesproken blijven. Er is daarom niet voldaan aan de eerste stap uit rechtsoverweging 7 en de rechtbank komt daarmee niet toe aan de beoordeling van de stappen twee en drie van het vertrouwensbeginsel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. 7. Eiser heeft verder nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Voor een geslaagd beroep daarop moet sprake zijn van gelijke gevallen. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door eiser genoemde gevallen (fietsen en bromscooters die over de stoep rijden, geparkeerde caravans op straat en elektrische auto’s die worden opgeladen door middel van een kabel over het trottoir) geen gelijke situaties op als de situatie van eiser. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. Het college mocht dus in redelijkheid besluiten eisers aanvraag voor een ontheffing af te wijzen, gelet op de doelstellingen van de Wegenverkeerswet (WVW). Wat eiser heeft aangevoerd, maakt niet dat het college eisers belangen zwaarder moest laten wegen dan de betrokken (verkeers)belangen. 9. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het college in de reactie van 12 februari 2026 de gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent voor eiser dat de afwijzing van zijn aanvraag voor een ontheffing in stand blijft. 10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Eiser heeft namelijk een reden gehad om beroep in te stellen. Er zijn verder geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven; - draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RBROT:2025:13919 Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694). Op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 10 van de tussenuitspraak. Zie voor het beoordelingskader van het vertrouwensbeginsel bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, en 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2606.