Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-04-17
ECLI:NL:RBROT:2026:4444
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/12007 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres (gemachtigde: mr. S.M. Groen), en de minister van Justitie en Veiligheid (de minister) (gemachtigden: mr. T. Gilhaus en mr. E.W.V. Stevens). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister het verzoek van eiseres om inzage in bepaalde gegevens terecht heeft geweigerd. Eiseres is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de inzage terecht heeft geweigerd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Bij besluit van 6 september 2024 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een aanvraag van eiseres om een machtiging voor voorlopig verblijf voor haar en haar partner afgewezen. Die beslissing is gebaseerd op een advies van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) van 13 augustus 2024 waaruit blijkt dat eiseres in de transactiedatabase van de FIU-NL voorkomt met een of meerdere verdachte transactie(s). 2.1. Eiseres heeft op 26 september 2024 bij de FIU-NL verzocht om inzage in dat advies. 2.2. Bij besluit van 21 november 2024 heeft de minister het verzoek van eiseres om inzage met toepassing van artikel 25 van de Wet politiegegevens (Wpg) deels ingewilligd (het advies van de FIU-NL is verstrekt) maar deels niet ingewilligd omdat er geen inzage wordt gegeven in de details van de verdachte transactie (VT). 2.3. Eiseres heeft hiertegen rechtstreeks beroep ingesteld. 2.4. De minister heeft bij brief van 11 maart 2025 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. 2.5. De minister heeft bij brief van 11 augustus 2025 een document met daarin de details van de VT (bijlage 1) en bij brief van 9 januari 2025 een nadere toelichting (bijlage 2) en een Memorandum of Understanding tussen de [naam unit] en FIU-NL (bijlage 3) overgelegd en daarbij meegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van deze stukken (artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, Awb). 2.6. De rechtbank heeft op 4 december 2025 voor bijlage 1 en op 19 januari 2026 voor bijlagen 2 en 3 beslist de beperkte kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd te achten. Eiseres heeft hierop bij brief van 10 december 2025 respectievelijk 21 januari 2026 de rechtbank toestemming verleend de bijlagen bij de beoordeling van het beroep te betrekken. 2.7. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.8. Eiseres heeft bij brief van 23 januari 2026 een reactie op dit verweerschrift ingediend. 2.9. De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van de minister en mr. E. Elbers, werkzaam bij FIU-NL. Beoordeling door de rechtbank Bevoegdheid rechtbank 3. De rechtbank ziet zich ambtshalve geplaatst voor de vraag of zij bevoegd is om kennis te nemen van dit beroep. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. 3.1. De minister heeft op het verzoek om inzage besloten met toepassing van artikel 25 van de Wpg. Tegen besluiten op grond van artikel 25 van de Wpg staat rechtstreeks beroep open en dan zou, omdat eiseres woonachtig is in het buitenland, de rechtbank Den Haag bevoegd zijn om kennis te nemen van dat beroep. 3.2. De gegevens waarop het inzageverzoek ziet, zijn naar het oordeel van de rechtbank echter gegevens verwerkt voor de taak als bedoeld in artikel 13 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Op grond van artikel 14, eerste lid, van de Wwft kunnen bij de FIU-NL persoonsgegevens worden verwerkt ten behoeve van de taak, bedoeld in artikel 13 van de Wwft. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat op De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat de toets van de FIU-NL dan ook is beperkt tot de vaststelling of een verdacht verklaarde transactie aanwezig is en dat het de bevoegdheid en wettelijke taak van de FIU-NL te buiten gaat om de juistheid van de buitenlandse VT te controleren. Anders dan eiseres stelt is de FIU-NL geen adviseur van de IND in de zin van de Awb. In deze beroepsprocedure staat dan ook enkel centraal de vraag of de FIU-NL op goede gronden inzage heeft geweigerd in de details van de VT. De vordering van eiseres om de minister (meer concreet: de FIU-NL) op te dragen een handmatige beoordeling naar Nederlandse standaarden uit te voeren op de door de [naam unit] als verdacht aangemerkte transactie valt buiten de beoordeling van de rechtbank. Heeft de minister de inzage in details VT terecht geweigerd? 10. Het recht op inzage is geen absoluut recht. Uit artikel 27, eerste lid, van de Wpg, volgt dat een verzoek om kennisneming wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is vanwege de in die bepaling vermelde belangen. Deze norm betreft een omzetting van de Europese Richtlijn 2016/680. Bij de beoordeling van een besluit waarbij toepassing is gegeven aan een uitzonderingsgrond van artikel 27 Wpg toetst de bestuursrechter zonder terughoudendheid of het door het bestuursorgaan ingeroepen andere en zwaarder wegende belang dan het belang bij inzage, zich feitelijk voordoet. Een bestuursorgaan heeft vervolgens beoordelingsruimte bij de te maken afweging tussen het belang bij inzage en het door de uitzonderingsgrond beschermde belang. Dit betekent dat de bestuursrechter de afweging door een bestuursorgaan van de belangen terughoudend toetst. De bestuursrechter toetst dus of het bestuursorgaan zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van inzage niet opweegt tegen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang. 11. De minister beroept zich op de in artikel 27, eerste lid onder b en d, van de Wpg vermelde belangen. Hij stelt dat de internationale samenwerking, waaronder gegevensuitwisseling, van cruciaal belang is voor de effectieve uitoefening van de taak van FIU-NL. Zo is de FIU-NL waar het een aanvraag van een verblijfsvergunning vermogende vreemdeling betreft volledig afhankelijk van de bereidwilligheid van buitenlandse FIU’s om informatie over de vreemdeling te verstrekken. Om de effectieve internationale samenwerking te borgen, vindt de uitwisseling plaats onder – op het niveau van de Nederlandse en [Staat] overeengekomen – strikte vertrouwelijkheid. Schending van de overeengekomen vertrouwelijkheid vormt een risico voor de internationale samenwerking die noodzakelijk is voor de voorkoming, opsporing en onderzoek naar witwassen en terrorismefinanciering. De met inzage gepaarde inbreuk op de vertrouwelijkheid zal tot het ongewenste gevolg leiden dat in ieder geval de [naam unit] en voorts andere buitenlandse FIU’s niet, of minder, bereid zijn om inlichtingen te delen met FIU-NL. Bevoegde autoriteiten mogen volgens de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF) weigeren te voldoen aan een informatieverzoek als de bevoegde autoriteit die om informatie verzoekt de vertrouwelijkheid niet kan waarborgen. Gezien het belang van de internationale uitwisseling van inlichtingen voor de opsporing van witwassen en het financieren van terrorisme, acht de minister de weigering van inzage noodzakelijk ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten. De minister benadrukt in dit verband dat een inbreuk op de vertrouwelijkheid van de gegevensuitwisseling bovendien naar zijn aard leidt tot een ernstig nadelig effect op de internationale (diplomatieke) verhoudingen met [naam land] en andere landen die zich hebben aangesloten bij de FATF. In zoverre is de weigering van inzage niet enkel noodzakelijk in het licht van artikel 27, eerste lid, onder b, Wpg, maar ook in het licht van de dip Verder constateert de rechtbank dat eiseres in wezen beoogt haar recht op rectificatie uit te oefenen. Wat eiseres heeft aangevoerd komt er immers in feite op neer dat naar haar mening de door de [naam unit] getrokken conclusie niet terecht is. De rechtbank wijst er daarbij op dat voor zover eiseres gebruik wenst te maken van haar van het inzagerecht afgeleide belang van de mogelijkheid van rectificatie, zij lijkt uit te gaan van een te ruime uitleg van dat rectificatierecht. Het is vaste rechtspraak dat dat recht niet is bedoeld om indrukken, meningen en conclusies waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Conclusie en gevolgen 14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen inzage krijgt in de details VT. Gelet op het oordeel onder overweging 6 hierboven, dat sprake is van strijd met artikel 6:22 van de Awb, moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht van € 187,- vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt dan ook € 1.868,-. De minister moet de proceskostenvergoeding betalen . Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseres vergoedt; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: Wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij de bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij het besluit in bezwaar is genomen. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g van de Awb, gelezen in samenhang met de bij deze wet horende bijlage 1 ‘Regeling rechtstreeks beroep’ staat tegen besluiten op grond van artikel 25 en 28 van de Wpg rechtstreeks beroep open. Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft ) Artikel 13, aanhef onder a, b en i: De Financiële inlichtingen eenheid heeft met het oog op het voorkomen en opsporen van witwassen en onderliggende basisdelicten, alsmede financieren van terrorisme, tot taak: a. het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van de gegevens die het verkrijgt, teneinde te bezien of deze gegevens van belang kunnen zijn voor het voorkomen en opsporen van misdrijven; b. het verstrekken van persoonsgegevens en andere gegevens in overeenstemming met deze wet en het bij of krachtens de Wet politiegegevens bepaalde; i. het onderhouden van contacten met buitenlandse van overheidswege aangewezen instant