Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-12
ECLI:NL:RBROT:2026:4337
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,420 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4337 text/xml public 2026-04-14T09:39:21 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-12 10/318716-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4337 text/html public 2026-04-14T09:33:33 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4337 Rechtbank Rotterdam , 12-03-2026 / 10/318716-24 Bezwaar tegen beslissing rc ex art. 182 Sv. Bezwaar gegrond. Anders dan rc en officier van justitie ziet de rechtbank verdedigingsbelang bij het horen van het slachtoffer als getuige, nu het slachtoffer een belastende verklaring heeft afgelegd. RECHTBANK ROTTERDAM Strafrecht Zittingsplaats Rotterdam Parketnummer : 10/318716-24 Raadkamernummer : 26/004617 Datum : 12 maart 20226 Beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 182, zesde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1], [postcode] [plaatsnaam], voor deze zaak domicilie kiezende te [adres 2] ten kantore van haar raadsvrouw mr. T. Sandrk. Procedure De verdachte heeft op grond van artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op 6 januari 2026 de rechter-commissaris verzocht om in de onder opgemeld parketnummer ingeschreven zaak onderzoekshandelingen te verrichten, bestaande uit onder andere het horen van het [slachtoffer] als getuige. De officier van justitie heeft haar zienswijze hierop meegedeeld. De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 6 februari 2026 het verzoek met betrekking tot het horen van het [slachtoffer] afgewezen. Op 10 februari 2026 heeft de verdachte bij de rechtbank tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar is op 12 maart 2026 door de raadkamer behandeld. De waarnemende raadsvrouw mr. D.A. te Raaij en de officier van justitie mr. I. Barendregt zijn gehoord. De verdachte is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Feiten De verdachte wordt verdacht van – kort gezegd – overtreding van de artikelen 5, 6 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Zij wordt voor deze feiten vervolgd. Standpunt verdachte Het bezwaarschrift keert zich tegen de weigering om [slachtoffer] als getuige te horen. Daartoe is aangevoerd dat het slachtoffer een directe belastende verklaring heeft afgelegd over de positie van de verdachte op de weg. Naast de verklaring van het slachtoffer bevat het dossier geen objectieve aanknopingspunten die ondersteunen dat de verdachte op de verkeerde weghelft reed. Integendeel, de inhoud van het dossier roept vragen op over de juistheid van de verklaring van het slachtoffer. De verdachte betwist dan ook uitdrukkelijk de verklaring van het slachtoffer. De verdediging dient in staat te worden gesteld haar ondervragingsrecht effectief uit te oefenen. Er is verdedigingsbelang bij het horen van het slachtoffer en relevant voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar. Daarbij is gesteld dat de punten waarover de verdediging het slachtoffer wil bevragen al zijn beantwoord in haar verklaring op 10 oktober 2024. Gelet op het tijdsverloop zal het opnieuw beantwoorden van de vragen niet een ander licht op de zaak werpen en een dergelijke herhaling een (te) grote belasting zijn voor het slachtoffer. Beoordeling Vooropgesteld wordt dat de rechter-commissaris een verzoek als het onderhavige weigert indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing. De rechtbank zal moeten toetsen of de beslissing van de rechter-commissaris in het licht daarvan stand kan houden. De rechtbank ziet – anders dan de rechter-commissaris en de officier van justitie – verdedigingsbelang bij het horen van het [slachtoffer] als getuige, nu het slachtoffer een belastende verklaring heeft afgelegd en die verklaring door de rechter zou kunnen worden gebruikt voor het bewijs van het aan de verdachte ten laste gelegde. Het is niet gebleken dat de gezondheid of het welzijn van het slachtoffer daarmee in gevaar wordt gebracht. De rechtbank zal dan ook het bezwaarschrift gegrond verklaren en bepalen dat de verzochte getuige door de rechter-commissaris wordt gehoord. Beslissing De rechtbank: - verklaart het bezwaar gegrond; - bepaalt dat de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, als getuige zal horen: [slachtoffer]. Deze beslissing is gegeven door: mr. J.J. Bade, voorzitter, mrs. J. van de Klashorst en E. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier, en uitgesproken op 12 maart 2026. De jongste rechter is niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4337 text/xml public 2026-04-14T09:39:21 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-12 10/318716-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4337 text/html public 2026-04-14T09:33:33 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4337 Rechtbank Rotterdam , 12-03-2026 / 10/318716-24 Bezwaar tegen beslissing rc ex art. 182 Sv. Bezwaar gegrond. Anders dan rc en officier van justitie ziet de rechtbank verdedigingsbelang bij het horen van het slachtoffer als getuige, nu het slachtoffer een belastende verklaring heeft afgelegd. RECHTBANK ROTTERDAM Strafrecht Zittingsplaats Rotterdam Parketnummer : 10/318716-24 Raadkamernummer : 26/004617 Datum : 12 maart 20226 Beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 182, zesde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1], [postcode] [plaatsnaam], voor deze zaak domicilie kiezende te [adres 2] ten kantore van haar raadsvrouw mr. T. Sandrk. Procedure De verdachte heeft op grond van artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op 6 januari 2026 de rechter-commissaris verzocht om in de onder opgemeld parketnummer ingeschreven zaak onderzoekshandelingen te verrichten, bestaande uit onder andere het horen van het [slachtoffer] als getuige. De officier van justitie heeft haar zienswijze hierop meegedeeld. De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 6 februari 2026 het verzoek met betrekking tot het horen van het [slachtoffer] afgewezen. Op 10 februari 2026 heeft de verdachte bij de rechtbank tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar is op 12 maart 2026 door de raadkamer behandeld. De waarnemende raadsvrouw mr. D.A. te Raaij en de officier van justitie mr. I. Barendregt zijn gehoord. De verdachte is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Feiten De verdachte wordt verdacht van – kort gezegd – overtreding van de artikelen 5, 6 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Zij wordt voor deze feiten vervolgd. Standpunt verdachte Het bezwaarschrift keert zich tegen de weigering om [slachtoffer] als getuige te horen. Daartoe is aangevoerd dat het slachtoffer een directe belastende verklaring heeft afgelegd over de positie van de verdachte op de weg. Naast de verklaring van het slachtoffer bevat het dossier geen objectieve aanknopingspunten die ondersteunen dat de verdachte op de verkeerde weghelft reed. Integendeel, de inhoud van het dossier roept vragen op over de juistheid van de verklaring van het slachtoffer. De verdachte betwist dan ook uitdrukkelijk de verklaring van het slachtoffer. De verdediging dient in staat te worden gesteld haar ondervragingsrecht effectief uit te oefenen. Er is verdedigingsbelang bij het horen van het slachtoffer en relevant voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar. Daarbij is gesteld dat de punten waarover de verdediging het slachtoffer wil bevragen al zijn beantwoord in haar verklaring op 10 oktober 2024. Gelet op het tijdsverloop zal het opnieuw beantwoorden van de vragen niet een ander licht op de zaak werpen en een dergelijke herhaling een (te) grote belasting zijn voor het slachtoffer. Beoordeling Vooropgesteld wordt dat de rechter-commissaris een verzoek als het onderhavige weigert indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing. De rechtbank zal moeten toetsen of de beslissing van de rechter-commissaris in het licht daarvan stand kan houden. De rechtbank ziet – anders dan de rechter-commissaris en de officier van justitie – verdedigingsbelang bij het horen van het [slachtoffer] als getuige, nu het slachtoffer een belastende verklaring heeft afgelegd en die verklaring door de rechter zou kunnen worden gebruikt voor het bewijs van het aan de verdachte ten laste gelegde. Het is niet gebleken dat de gezondheid of het welzijn van het slachtoffer daarmee in gevaar wordt gebracht. De rechtbank zal dan ook het bezwaarschrift gegrond verklaren en bepalen dat de verzochte getuige door de rechter-commissaris wordt gehoord. Beslissing De rechtbank: - verklaart het bezwaar gegrond; - bepaalt dat de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, als getuige zal horen: [slachtoffer]. Deze beslissing is gegeven door: mr. J.J. Bade, voorzitter, mrs. J. van de Klashorst en E. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier, en uitgesproken op 12 maart 2026. De jongste rechter is niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen.