Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-23
ECLI:NL:RBROT:2026:428
Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/9183 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres], te [plaats], eiseres, (gemachtigde: mr. C.R. Post), en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur , voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, (gemachtigde: mr. J.S. Geurtjens). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 1.275,- die verweerder met het besluit van 5 april 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete ten onrechte heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. 1.2. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 5 september 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder – met een aanvulling van de grondslag – bij het boetebesluit gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eiseres deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] en [naam]. Namens verweerder zijn verschenen: de gemachtigde van verweerder en [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Totstandkoming van het bestreden besluit 3.1. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 5 februari 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende. “ Op 3 augustus 2022 omstreeks 18:40 uur bevond ik mij in de aanvoerhal van [de slachterij] voor een antemortem-inspectie. […] Het was een erg warme dag, met 's middags temperaturen tussen 27 en 31 graden (zie bijlage KNMI-rapport voor 03.08.2022). Bij het controleren van het welzijn van de kuikens in de containers op de vrachtwagen met kenteken 05-BRD-6 zag ik dat veel kuikens in de lades tekenen van ernstige hittestress vertoonden; ik zag dat de meeste kuikens onrustig waren, ze snakten duidelijk naar lucht en staken hun kop uit de lades. In de lades zag ik wat apathische kuikens en ook enkele dode kuikens. De vrachtwagen met kenteken [kenteken] reed vervolgens de aanvoerhal binnen en de medewerkers begonnen met het lossen van de containers; hierdoor kon ik de lades en de kuikens beter inspecteren. Ik kon duidelijk zien dat sommige lades op deze vrachtwagen te vol waren; de kuikens zaten dicht op elkaar. Ook nu zag ik dat de kuikens onrustig waren en dat veel kuikens in de lades benauwd waren, omdat ze naar lucht aan het happen waren en de koppen buiten de container staken; dit is een teken van hittestress (zie foto's 3, 4, 5, 10 en video's 1 en 2). Ik zag ook veel dode kuikens (in sommige lades 3-4 dode kuikens). Omdat ik tijdens mijn inspectie in de aanvoerhal had gezien dat in sommige lades veel kuikens waren geladen, had ik een container met twee heel volle lades uitgeselecteerd om de kuikens in de twee volle lades te kunnen tellen (zie foto's 1, 2 en 13). […] Ik heb met hulp van de chef aanvoer de kuikens in de twee volle lades (de 2e en 3e lade van boven) geteld en overgeplaatst naar lades in een lege container. Wij hebben in elke lade 35 kuikens geteld. Volgens de daglijst vervoer waren er 30 kuikens per lade gepla De Inspecteur Vervoer Dierenwelzijn zei tegen mij dat de overbelading in sommige lades, de extreme hitte en vooral de slechte planning een risico voor het welzijn van de vervoerde dieren hadden gevormd. De Inspecteur Vervoer Dierenwelzijn heeft zijn bevindingen in een email gezet (zie bijlage email 18.08.2022). […] Vrachtwagen met kenteken [kenteken] die werd gebruikt voor het transport van kuikens op 03-08-2022 naar slachthuis [de slachterij], had geen actief ventilatiesysteem; de vrachtwagen moest dan ook in beweging zijn om de luchtcirculatie te kunnen waarborgen en het risico van hittestress te vermijden: het feit dat de volgeladen vrachtwagen, waarbij enkele lades overbeladen waren, lange tijd stilstond, tijdens de warmere uren van de dag, zorgde ervoor dat de temperatuur in de vrachtwagen opliep. […] De chauffeur had maatregelen kunnen nemen, bijvoorbeeld door er voor te zorgen dat de kuikens voldoende ventilatie kregen, zodat het welzijn van de dieren voldoende geborgd was. Ook had de chauffeur de overbeladen lades, net zoals ik dat zag vanaf de buitenkant van de wagen, kunnen zien en ten aanzien van de overbeladen lades maatregelen kunnen nemen. In dit geval heeft [eiseres] er niet voor kunnen zorgen dat het welzijn van de kuikens beschermd was tijdens het transport en vooral in de periode tussen laden en aankomst in het slachthuis. Er zijn niet voldoende maatregelen genomen om de kuikens te beschermen tegen de extreme hitte. ” 3.2. Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder in het boetebesluit vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “De vervoermiddelen, containers en toebehoren zijn niet zodanig ontworpen en geconstrueerd, en op zodanige wijze onderhouden en gebruikt dat zij de dieren bescherming bieden tegen slechte weersomstandigheden, extreme temperaturen en klimaatveranderingen.” In het boetebesluit is vastgesteld dat eiseres daarmee een overtreding heeft begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3 en artikel 6, derde lid, gelet op Bijlage I, Hoofdstuk II, paragraaf 1, sub 1.1 onder b van de Transportverordening . Verweerder heeft eiseres daarvoor eiser boete opgelegd van € 1.275,-. 3.3. In het bestreden besluit heeft verweerder de grondslag van de boete aangevuld en vastgesteld dat eiseres tevens artikel 3, aanhef en onder g, van de Transportverordening heeft overtreden. Beoordeling door de rechtbank De toezichthouders 4. Eiseres voert aan dat verweerder de bevoegdheid van de betrokken toezichthouders niet heeft aangetoond en daarom het boetebesluit niet op de bevindingen van deze personen kan baseren. In het bijzonder wil eiseres weten of de toezichthouder die op het pluimveebedrijf aanwezig was bevoegd en bekwaam is, omdat deze in de ogen van eiseres onvoldoende controle over de situatie had. 4.1. De toezichthouder die op het slachthuis zijn bevindingen heeft gedaan en het rapport heeft opgesteld, was op de zitting aanwezig en eiseres heeft ter zitting aangegeven diens bevoegdheid niet langer te betwisten. Van de andere toezichthouder, die op het pluimveebedrijf aanwezig was, heeft verweerder ter zitting aan de rechtbank getoond wie dit is, dat deze persoon werkzaam is voor de NVWA en staat ingeschreven in het diergeneeskundigenregister, waarna met eiseres ook de bevoegdheid van deze toezichthouder is vastgesteld. Reformatio in peius 5. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit een nieuwe overtreding is vastgesteld, die in het primaire besluit niet aan de boete ten grondslag was gelegd en dat verweerder daarmee in strijd handelt met het verbod op reformatio in peius. Eiseres wordt door de toevoeging van een nieuwe overtreding benadeeld, onder meer omdat deze grond biedt voor verhoging van een boete bij eenzelfde volgende overtreding, aldus eiseres. 5.1. In het boetebesluit heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het beboetbare feit zoals genoemd onder 3.2 van de Op het moment dat de chauffeur van de toezichthouder toestemming kreeg om te gaan rijden, is het transport vlot en correcte uitgevoerd. Door de beweging van de vrachtwagen werd de luchtcirculatie gewaarborgd en het risico van hittestress bij de dieren vermeden. Het transport heeft dan ook niet op een dusdanige manier plaatsgevonden dat het de dieren onnodig lijden heeft berokkent. Verweerder stelt dat eiseres als transporteur verantwoordelijk is voor de gehele vervoersoperatie, maar miskent hiermee dat eiseres vastzit aan de planning van de slachterij en dat de chauffeur ter plaatse geen enkele invloed had op de gang van zaken. Eiseres heeft voorafgaand aan het transport bij de NVWA gemeld dat de dieren lang zouden moeten wachten, maar daar is toen niets mee gedaan. Ter plaatse heeft de pluimveehouder met zijn vangploeg de dieren gevangen, in containers geplaatst en op de vrachtwagen geladen. De chauffeur had daar geen invloed op en ook de aanwezige toezichthouder bleek niet in staat om de pluimveehouder en vangploeg het vangen en laden uit te laten stellen. Wel heeft de chauffeur van eiseres gehoor gegeven aan het verbod van de toezichthouder om direct na het laden naar de slachterij te rijden. Vanwege de beperkingen wegens vogelgriep was het niet toegestaan om met het voertuig met geladen dieren rond te gaan rijden en daarmee te zorgen voor luchtcirculatie. De toezichthouder heeft besloten om vanwege de hitte de vrachtwagen tijdelijk onder enkele bomen te stallen. Uiteindelijk werd pas ruim 3,5 uur later toestemming verleend om het transport uit te voeren en pas vanaf dat moment had de chauffeur opnieuw 'zeggenschap' over de situatie en is het transport op correcte wijze en met daartoe geschikt materieel uitgevoerd, aldus eiseres. 6.1. Verweerder verwijt eiseres een overtreding te hebben begaan van artikel 3, aanhef en onder c, en Bijlage I, Hoofdstuk II, paragraaf 1, sub 1.1 onder b, van de Transportverordening, waarin staat dat het verboden is om dieren op zodanige wijze te vervoeren dat het ze waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent, waarbij – onder meer – geldt dat het vervoermiddel zodanig moet zijn ontworpen en worden gebruikt dat het de dieren bescherming biedt tegen extreme temperaturen. Volgens verweerder waren de kuikens bij dit transport niet beschermd tegen de extreme hitte van die dag. 6.2. Naar het oordeel van de rechtbank is in het rapport van bevindingen voldoende duidelijk beschreven wat de toezichthouder op het slachthuis heeft waargenomen en de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de inhoud van het rapport te twijfelen. De toezichthouder beschrijft in het rapport dat de meeste kuikens in de containers onrustig waren en dat veel kuikens naar lucht aan het happen waren en de koppen buiten de container staken. Bij het rapport zijn ook foto’s en video’s gevoegd waarop kuikens te zien zijn met geopende snavel en/of met de kop buiten een lade gestoken. De toezichthouder concludeert op basis van deze waarnemingen dat veel kuikens tekenen van ernstige hittestress vertoonden en de rechtbank ziet geen reden daaraan te twijfelen. Verder stelt de toezichthouder in het rapport vast dat het die middag 27 tot 31 graden Celsius was, dat de vrachtwagen geen actief ventilatiesysteem had en drie uur heeft gewacht op het pluimveebedrijf, wat door eiseres ook niet wordt betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van de bevindingen van de toezichthouder terecht geconcludeerd dat de chauffeur van eiseres de kuikens bij het vervoer niet heeft beschermd tegen extreme hitte. Daarbij merkt de rechtbank op dat het vervoer reeds aanvangt bij het laden van de kuikens in de vrachtwagen en dat – anders dan eiseres stelt – al vanaf dat moment op eiseres de verplichting rust om ervoor te zorgen dat de dieren letsel of lijden bespaard blijft. Deze verplichting omvat bovendien niet alleen de inzet van een geschikt vervoermiddel dat geen gebreken vertoont, maar ook de wijze waarop het wordt gebruikt, zoals Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 5 september 2024; herroept het primaire besluit; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten van eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 7:11, eerste lid Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats. Transportverordening Artikel 3, aanhef en onder c en g Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: c. het vervoermiddel is zodanig ontworpen en geconstrueerd, en wordt op zodanige wijze onderhouden en gebruikt dat de dieren letsel en lijden bespaard blijft en dat hun veiligheid is gegarandeerd; g. de dieren beschikken, gelet op hun grootte en op het voorgenomen transport, over voldoende vloeroppervlak en stahoogte; Artikel 6, derde lid De vervoerders vervoeren de dieren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I. Bijlage I, Hoofdstuk II, paragraaf 1, sub 1.1 onder b De vervoermiddelen, containers en toebehoren moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd, en op zodanige wijze worden onderhouden en gebruikt dat: zij de dieren bescherming bieden tegen slechte weersomstandigheden, extreme temperaturen en klimaatveranderingen; Wet dieren Artikel 6.2, eerste lid Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is. Artikel 8.7 Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen. Regeling houders van dieren Artikel 4.8 Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005 (…). Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren Artikel 2.5, eerste lid Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de o