Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-01-21
ECLI:NL:RBROT:2026:4024
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,474 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4024 text/xml public 2026-04-29T15:52:16 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-01-21 C/10/710941 / JE RK 25-2472 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4024 text/html public 2026-04-29T15:50:41 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4024 Rechtbank Rotterdam , 21-01-2026 / C/10/710941 / JE RK 25-2472 Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting betreft de aanmelding voor een onderwijsinstelling. RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/710941 / JE RK 25-2472 Datum uitspraak: 21 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting betreft de aanmelding voor een onderwijsinstelling in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , [pleegmoeder] en [pleegvader] , hierna te noemen de pleegmoeder en pleegvader, tezamen de pleegouders, wonende in [woonplaats 2] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 27 november 2025, ontvangen op 28 november 2025. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: - een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] . De moeder heeft telefonisch deelgenomen aan de zitting. 1.3. De pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegouders wel juist zijn opgeroepen. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] . 2.2. [voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 april 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 4 mei 2026. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 april 2025 de machtiging verlengd [voornaam minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 4 mei 2026. 3 Het verzoek van de GI 3.1. De GI verzoekt te bepalen dat het gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de GI voor zover dat ziet op de aanmelding van [voornaam minderjarige] bij een onderwijsinstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [voornaam minderjarige] wordt in juni van dit jaar vier jaar oud en kan na de zomer te starten op een reguliere basisschool. De GI heeft daarom een basisschool in de buurt van het pleeggezin gevonden die passend is voor [voornaam minderjarige] . De moeder is in de gelegenheid gesteld om de school te bekijken en hierover met de pleegouders in gesprek te gaan, maar heeft aangegeven dat zij dit aan de pleegouders wil overlaten. [voornaam minderjarige] kijkt er naar uit om naar de basisschool te gaan. Om tijdige inschrijving mogelijk te maken, acht de GI het noodzakelijk dat vervangende toestemming wordt verleend. 4 Het standpunt van de moeder 4.1. De moeder is het niet eens met het verzoek van de GI en heeft dit als volgt toegelicht. De moeder is ontevreden over de GI en de pleegouders. De omgangsregeling wordt niet nageleefd, de pleegouders zorgen niet goed voor [voornaam minderjarige] en hij krijgt hier niet genoeg liefde. De moeder benadrukt dat zij veel van haar zoon houdt en dat hij bij haar gelukkig is. Om deze reden verzet zij zich tegen inschrijving van [voornaam minderjarige] op een basisschool in de buurt van het pleeggezin. 5 De beoordeling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI wordt belast met het gezag over [voornaam minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling voor de duur van de uithuisplaatsing (artikel 1:265e Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. De kinderrechter stelt vast dat [voornaam minderjarige] onder toezicht staat en momenteel in een pleeggezin verblijft. In het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling dient tijdig te worden voorzien in passend onderwijs voor [voornaam minderjarige] . Vaststaat dat [voornaam minderjarige] in juni van dit jaar vier jaar oud wordt en na de zomer kan starten in het basisonderwijs. Uit de toelichting van de GI volgt dat de peuterspeelzaal heeft aangegeven dat [voornaam minderjarige] toe is aan regulier basisonderwijs en dat een passende basisschool in de buurt van het pleeggezin beschikbaar is. 5.3. De moeder geeft ter zitting aan dat zij het oneens is met de huidige verblijfssituatie van [voornaam minderjarige] bij de pleegouders. Deze plaatsing ligt in deze procedure echter niet ter beoordeling voor en dat argument kan niet leiden tot een afwijzing van het verzoek. 5.4. Alles afwegende acht de kinderrechter het in het belang van [voornaam minderjarige] dat hij na de zomer zonder vertraging kan starten met zijn schoolgang. Het ontbreken van tijdige inschrijving zou zijn ontwikkeling kunnen schaden. Nu de moeder geen toestemming verleent voor de aanmelding bij de basisschool, is een gedeeltelijke gezagsoverdracht aan de GI hiervoor noodzakelijk om onderwijs voor [voornaam minderjarige] te waarborgen. 5.5. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen. 5.6. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. Een apart verzoek daarvoor is niet nodig. Daarom wijst de kinderrechter dat verzoek af. 5.7. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. belast de GI met het gezag over [voornaam minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling tot 4 mei 2026; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 6.3. wijst af dat wat anders is verzocht. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 29 januari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4024 text/xml public 2026-04-29T15:52:16 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-01-21 C/10/710941 / JE RK 25-2472 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4024 text/html public 2026-04-29T15:50:41 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4024 Rechtbank Rotterdam , 21-01-2026 / C/10/710941 / JE RK 25-2472 Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting betreft de aanmelding voor een onderwijsinstelling. RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/710941 / JE RK 25-2472 Datum uitspraak: 21 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting betreft de aanmelding voor een onderwijsinstelling in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , [pleegmoeder] en [pleegvader] , hierna te noemen de pleegmoeder en pleegvader, tezamen de pleegouders, wonende in [woonplaats 2] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 27 november 2025, ontvangen op 28 november 2025. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: - een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] . De moeder heeft telefonisch deelgenomen aan de zitting. 1.3. De pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegouders wel juist zijn opgeroepen. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] . 2.2. [voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 april 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 4 mei 2026. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 april 2025 de machtiging verlengd [voornaam minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 4 mei 2026. 3 Het verzoek van de GI 3.1. De GI verzoekt te bepalen dat het gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de GI voor zover dat ziet op de aanmelding van [voornaam minderjarige] bij een onderwijsinstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [voornaam minderjarige] wordt in juni van dit jaar vier jaar oud en kan na de zomer te starten op een reguliere basisschool. De GI heeft daarom een basisschool in de buurt van het pleeggezin gevonden die passend is voor [voornaam minderjarige] . De moeder is in de gelegenheid gesteld om de school te bekijken en hierover met de pleegouders in gesprek te gaan, maar heeft aangegeven dat zij dit aan de pleegouders wil overlaten. [voornaam minderjarige] kijkt er naar uit om naar de basisschool te gaan. Om tijdige inschrijving mogelijk te maken, acht de GI het noodzakelijk dat vervangende toestemming wordt verleend. 4 Het standpunt van de moeder 4.1. De moeder is het niet eens met het verzoek van de GI en heeft dit als volgt toegelicht. De moeder is ontevreden over de GI en de pleegouders. De omgangsregeling wordt niet nageleefd, de pleegouders zorgen niet goed voor [voornaam minderjarige] en hij krijgt hier niet genoeg liefde. De moeder benadrukt dat zij veel van haar zoon houdt en dat hij bij haar gelukkig is. Om deze reden verzet zij zich tegen inschrijving van [voornaam minderjarige] op een basisschool in de buurt van het pleeggezin. 5 De beoordeling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI wordt belast met het gezag over [voornaam minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling voor de duur van de uithuisplaatsing (artikel 1:265e Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. De kinderrechter stelt vast dat [voornaam minderjarige] onder toezicht staat en momenteel in een pleeggezin verblijft. In het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling dient tijdig te worden voorzien in passend onderwijs voor [voornaam minderjarige] . Vaststaat dat [voornaam minderjarige] in juni van dit jaar vier jaar oud wordt en na de zomer kan starten in het basisonderwijs. Uit de toelichting van de GI volgt dat de peuterspeelzaal heeft aangegeven dat [voornaam minderjarige] toe is aan regulier basisonderwijs en dat een passende basisschool in de buurt van het pleeggezin beschikbaar is. 5.3. De moeder geeft ter zitting aan dat zij het oneens is met de huidige verblijfssituatie van [voornaam minderjarige] bij de pleegouders. Deze plaatsing ligt in deze procedure echter niet ter beoordeling voor en dat argument kan niet leiden tot een afwijzing van het verzoek. 5.4. Alles afwegende acht de kinderrechter het in het belang van [voornaam minderjarige] dat hij na de zomer zonder vertraging kan starten met zijn schoolgang. Het ontbreken van tijdige inschrijving zou zijn ontwikkeling kunnen schaden. Nu de moeder geen toestemming verleent voor de aanmelding bij de basisschool, is een gedeeltelijke gezagsoverdracht aan de GI hiervoor noodzakelijk om onderwijs voor [voornaam minderjarige] te waarborgen. 5.5. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen. 5.6. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. Een apart verzoek daarvoor is niet nodig. Daarom wijst de kinderrechter dat verzoek af. 5.7. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. belast de GI met het gezag over [voornaam minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling tot 4 mei 2026; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 6.3. wijst af dat wat anders is verzocht. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 29 januari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.