Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-01-09
ECLI:NL:RBROT:2026:4020
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
10,537 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4020 text/xml public 2026-04-29T15:01:49 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-01-09 C/10/710842 / JE RK 25-2457 en C/10/712176 / JE RK 25-2653 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4020 text/html public 2026-04-29T15:00:42 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4020 Rechtbank Rotterdam , 09-01-2026 / C/10/710842 / JE RK 25-2457 en C/10/712176 / JE RK 25-2653 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing. RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummers: C/10/710842 / JE RK 25-2457 en C/10/712176 / JE RK 25-2653 Datum uitspraak: 9 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaken van de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht , gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad, verzoeker in de zaak C/10/712176 / JE RK 25-2653, en de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, verzoeker in de zaak C/10/710842 / JE RK 25-2457, over [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , bijgestaan door advocaat mr. A.C. van ’t Hek, kantoorhoudende in Dordrecht, [naam vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] . De kinderrechter merkt de GI aan als belanghebbende ten aanzien van het verzoek van de Raad en de Raad als belanghebbende ten aanzien van het verzoek van de GI. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift van de Raad van 19 december 2025 en het rapport van de Raad van 30 december 2025; het verzoekschrift van de GI van 27 november 2025, met bijlagen; - de brieven van de advocaat van de moeder met bijlagen van 5 januari 2026 en 6 januari 2026. 1.2. Op 9 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ; - een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] en [persoon C] . 1.3. De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . 2.2. [voornaam minderjarige 2] woont bij haar moeder. [voornaam minderjarige 1] verblijft bij de opa en oma vaderszijde (vz). De vader verblijft hier ook. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 oktober 2025 [voornaam minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld tot 14 januari 2026. De kinderrechter heeft bij gelegenheid van het horen over deze spoedbeslissing op 22 oktober 2025 tevens [voornaam minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 22 januari 2026. 3 Het verzoek van de Raad (C/10/712176 / JE RK 25-2653) 3.1. De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. Tevens verzoekt de Raad een machtiging om [voornaam minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij de opa en oma vz, voor de duur van twaalf maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De Raad handhaaft het verzoek. De Raad heeft ernstige zorgen over de thuissituatie bij de moeder. [voornaam minderjarige 1] is een zeer kwetsbare jongen, functioneert op een laag ontwikkelingsniveau, heeft ASS en er is recent diabetes bij hem vastgesteld, waarvoor hij medicatie nodig heeft. [voornaam minderjarige 1] heeft om deze redenen grote behoefte aan stabiliteit en voorspelbaarheid. De opvoedsituatie bij moeder is onvoldoende stabiel, mede vanwege signalen van alcoholgebruik, ernstig huiselijk geweld van haar (voormalige) partner richting moeder en psychische problematiek van moeder. [voornaam minderjarige 1] verblijft momenteel bij de opa en oma vz, waar hij tot rust komt en waar beter wordt aangesloten bij zijn zorgbehoeften. Dit verblijf acht de Raad passend, maar niet als definitieve oplossing. [voornaam minderjarige 1] kan bij de opa en oma vz blijven totdat er een plek beschikbaar is in een woonvoorziening voor lange termijn. Ten aanzien van [voornaam minderjarige 2] stelt de Raad dat zij klem zit tussen de ouders en belast wordt door de instabiele thuissituatie bij moeder. Daarnaast is sprake van schoolverzuim, zelfbeschadiging en een gesloten houding, waardoor zij extra kwetsbaar is. Of voor [voornaam minderjarige 2] een machtiging tot uithuisplaatsing wenselijk is, laat de Raad over aan het inzicht van de GI. 4 Het verzoek van de GI (C/10/710842 / JE RK 25-2457) 4.1. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een gezinsgerichte accommodatie te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4.2. Ter zitting handhaaft de GI het verzoek. Zij lichten dit als volgt toe. De zorgen over de thuissituatie bij de moeder zijn niet afgenomen. Hoewel de moeder veel van de kinderen houdt, lijkt zij soms ernstig verward. De moeder heeft jarenlang goed voor de kinderen gezorgd, maar er lijkt een omslag te hebben plaatsgevonden. Waar dat door komt, zal moeten worden onderzocht. Er spelen ernstige zorgen over middelengebruik van moeder en huiselijk geweld van de (voormalige) partner richting de moeder. [voornaam minderjarige 2] heeft aangegeven niet meer thuis te willen wonen. [voornaam minderjarige 2] voelt zich onveilig en wordt belast met volwassenenproblematiek door de moeder. Door de spanning die [voornaam minderjarige 2] de afgelopen maanden ervaart vanwege verschillende ingrijpende gebeurtenissen, komt zij al langere tijd niet meer aan leren toe. Om deze reden is het van belang dat [voornaam minderjarige 2] een tijdje niet thuis bij de moeder woont, zodat zij tot rust kan komen en professionele hulp kan ontvangen. Bij de opa en oma vz is onvoldoende plek voor [voornaam minderjarige 2] en elders in het netwerk is geen mogelijkheid voor [voornaam minderjarige 2] om te verblijven. [voornaam minderjarige 2] heeft daarom onlangs telefonisch kennis gemaakt met een gezinshuis in Stolwijk. Hoewel [voornaam minderjarige 2] dit nog spannend vindt, is dit een passende plek voor haar. Zij kan hier tot rust komen, wat zij erg nodig heeft. Op deze manier kan dan ook hulpverlening ingezet wordt in de thuissituatie bij de moeder, zodat de moeder in rust kan bewijzen dat zij kan profiteren van de hulpverlening. Indien de machtiging tot uithuisplaatsing niet wordt toegewezen, kan als alternatief via Enver intensieve thuisbegeleiding ingezet worden in combinatie met systemische therapie. Als achtervang is dan een logeerbed voor [voornaam minderjarige 2] beschikbaar. 5 De standpunten 5.1. De GI steunt ter zitting het verzoek van de Raad ten aanzien van de verzochte ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] bij de opa en oma vz. De moeder kan, mede gelet op de recent vastgestelde diagnose diabetes, [voornaam minderjarige 1] niet de zorg bieden die hij nodig heeft. Ook spreekt [voornaam minderjarige 1] uit dat hij bang is voor de moeder en nooit meer terug wil naar de moeder.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4020 text/xml public 2026-04-29T15:01:49 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-01-09 C/10/710842 / JE RK 25-2457 en C/10/712176 / JE RK 25-2653 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4020 text/html public 2026-04-29T15:00:42 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4020 Rechtbank Rotterdam , 09-01-2026 / C/10/710842 / JE RK 25-2457 en C/10/712176 / JE RK 25-2653 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing. RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummers: C/10/710842 / JE RK 25-2457 en C/10/712176 / JE RK 25-2653 Datum uitspraak: 9 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaken van de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht , gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad, verzoeker in de zaak C/10/712176 / JE RK 25-2653, en de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, verzoeker in de zaak C/10/710842 / JE RK 25-2457, over [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , bijgestaan door advocaat mr. A.C. van ’t Hek, kantoorhoudende in Dordrecht, [naam vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] . De kinderrechter merkt de GI aan als belanghebbende ten aanzien van het verzoek van de Raad en de Raad als belanghebbende ten aanzien van het verzoek van de GI. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift van de Raad van 19 december 2025 en het rapport van de Raad van 30 december 2025; het verzoekschrift van de GI van 27 november 2025, met bijlagen; - de brieven van de advocaat van de moeder met bijlagen van 5 januari 2026 en 6 januari 2026. 1.2. Op 9 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ; - een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] en [persoon C] . 1.3. De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . 2.2. [voornaam minderjarige 2] woont bij haar moeder. [voornaam minderjarige 1] verblijft bij de opa en oma vaderszijde (vz). De vader verblijft hier ook. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 oktober 2025 [voornaam minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld tot 14 januari 2026. De kinderrechter heeft bij gelegenheid van het horen over deze spoedbeslissing op 22 oktober 2025 tevens [voornaam minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 22 januari 2026. 3 Het verzoek van de Raad (C/10/712176 / JE RK 25-2653) 3.1. De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. Tevens verzoekt de Raad een machtiging om [voornaam minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij de opa en oma vz, voor de duur van twaalf maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De Raad handhaaft het verzoek. De Raad heeft ernstige zorgen over de thuissituatie bij de moeder. [voornaam minderjarige 1] is een zeer kwetsbare jongen, functioneert op een laag ontwikkelingsniveau, heeft ASS en er is recent diabetes bij hem vastgesteld, waarvoor hij medicatie nodig heeft. [voornaam minderjarige 1] heeft om deze redenen grote behoefte aan stabiliteit en voorspelbaarheid. De opvoedsituatie bij moeder is onvoldoende stabiel, mede vanwege signalen van alcoholgebruik, ernstig huiselijk geweld van haar (voormalige) partner richting moeder en psychische problematiek van moeder. [voornaam minderjarige 1] verblijft momenteel bij de opa en oma vz, waar hij tot rust komt en waar beter wordt aangesloten bij zijn zorgbehoeften. Dit verblijf acht de Raad passend, maar niet als definitieve oplossing. [voornaam minderjarige 1] kan bij de opa en oma vz blijven totdat er een plek beschikbaar is in een woonvoorziening voor lange termijn. Ten aanzien van [voornaam minderjarige 2] stelt de Raad dat zij klem zit tussen de ouders en belast wordt door de instabiele thuissituatie bij moeder. Daarnaast is sprake van schoolverzuim, zelfbeschadiging en een gesloten houding, waardoor zij extra kwetsbaar is. Of voor [voornaam minderjarige 2] een machtiging tot uithuisplaatsing wenselijk is, laat de Raad over aan het inzicht van de GI. 4 Het verzoek van de GI (C/10/710842 / JE RK 25-2457) 4.1. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een gezinsgerichte accommodatie te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4.2. Ter zitting handhaaft de GI het verzoek. Zij lichten dit als volgt toe. De zorgen over de thuissituatie bij de moeder zijn niet afgenomen. Hoewel de moeder veel van de kinderen houdt, lijkt zij soms ernstig verward. De moeder heeft jarenlang goed voor de kinderen gezorgd, maar er lijkt een omslag te hebben plaatsgevonden. Waar dat door komt, zal moeten worden onderzocht. Er spelen ernstige zorgen over middelengebruik van moeder en huiselijk geweld van de (voormalige) partner richting de moeder. [voornaam minderjarige 2] heeft aangegeven niet meer thuis te willen wonen. [voornaam minderjarige 2] voelt zich onveilig en wordt belast met volwassenenproblematiek door de moeder. Door de spanning die [voornaam minderjarige 2] de afgelopen maanden ervaart vanwege verschillende ingrijpende gebeurtenissen, komt zij al langere tijd niet meer aan leren toe. Om deze reden is het van belang dat [voornaam minderjarige 2] een tijdje niet thuis bij de moeder woont, zodat zij tot rust kan komen en professionele hulp kan ontvangen. Bij de opa en oma vz is onvoldoende plek voor [voornaam minderjarige 2] en elders in het netwerk is geen mogelijkheid voor [voornaam minderjarige 2] om te verblijven. [voornaam minderjarige 2] heeft daarom onlangs telefonisch kennis gemaakt met een gezinshuis in Stolwijk. Hoewel [voornaam minderjarige 2] dit nog spannend vindt, is dit een passende plek voor haar. Zij kan hier tot rust komen, wat zij erg nodig heeft. Op deze manier kan dan ook hulpverlening ingezet wordt in de thuissituatie bij de moeder, zodat de moeder in rust kan bewijzen dat zij kan profiteren van de hulpverlening. Indien de machtiging tot uithuisplaatsing niet wordt toegewezen, kan als alternatief via Enver intensieve thuisbegeleiding ingezet worden in combinatie met systemische therapie. Als achtervang is dan een logeerbed voor [voornaam minderjarige 2] beschikbaar. 5 De standpunten 5.1. De GI steunt ter zitting het verzoek van de Raad ten aanzien van de verzochte ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] bij de opa en oma vz. De moeder kan, mede gelet op de recent vastgestelde diagnose diabetes, [voornaam minderjarige 1] niet de zorg bieden die hij nodig heeft. Ook spreekt [voornaam minderjarige 1] uit dat hij bang is voor de moeder en nooit meer terug wil naar de moeder.
Volledig
Er is inmiddels concreet zicht op een vervolgplek waar [voornaam minderjarige 1] voor langere tijd kan verblijven en de nodige zorg kan krijgen. [voornaam minderjarige 1] heeft een stabiele basis nodig. Vanuit daar kan worden gekeken hoe het contact met beide ouders inricht kan worden. 5.2. Door en namens de moeder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder heeft altijd goed voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] gezorgd. Anders dan de Raad en de GI stellen, is de thuissituatie bij haar veilig en stabiel. Zij erkent dat de vakantieperiode, waarin zij [voornaam minderjarige 2] alleen thuis heeft gelaten, en de daaropvolgende gebeurtenissen ingrijpend zijn geweest. Dit betrof echter een incident dat zich niet zal herhalen. De moeder heeft de relatie met haar (voormalige) partner verbroken en er is geen sprake meer van huiselijk geweld of middelengebruik. De moeder betwist dat zij verward is of onvoldoende opvoedvaardig zou zijn. Zij ervaart de betrokkenheid van meerdere instanties en wisselende jeugdbeschermers als overrompelend en stressvol, maar dit betekent volgens haar niet dat zij de zorg voor de kinderen niet aankan. De moeder heeft altijd goed voor beide kinderen gezorgd, zij heeft aandacht voor de grotere zorgbehoefte van [voornaam minderjarige 1] , en heeft oog voor zijn toekomstperspectief. Zij wil dat [voornaam minderjarige 1] weer gedeeltelijk bij haar thuis komt wonen. De situatie bij opa en oma vz is niet passend, omdat [voornaam minderjarige 1] daar negatieve berichten over zijn moeder meekrijgt, waardoor hij beïnvloed wordt. De moeder staat open voor aanvullende hulpverlening in de thuissituatie, naast de therapie bij de psycholoog die zij op eigen initiatief, een keer per drie weken, volgt. Namens de moeder wordt ten slotte betoogd dat het contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige 1] de afgelopen maanden onaanvaardbaar beperkt is geweest. De moeder heeft [voornaam minderjarige 1] maar één keer gezien, terwijl het uitgangspunt is dat het contact tussen de ouders en het kind tijdens een uithuisplaatsing zoveel mogelijk wordt bevorderd. 5.3. De vader heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De belangen van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] staan voorop. De vader erkent de zorgen van de Raad en de GI, maar stelt voorop dat de moeder altijd een betrokken ouder is geweest. De moeder vormt geen bedreiging voor de kinderen, maar haar (voormalige) partner wel. De moeder is verschillende keren ernstig door hem mishandeld. Hoewel de moeder anders verklaart, lijkt op dit moment de (voormalige) partner van de moeder nog altijd een rol te spelen in haar leven. Het is van belang dat de kinderen worden beschermd tegen verdere spanningen. [voornaam minderjarige 1] moet zo snel mogelijk terugkeren naar de moeder, mits de thuissituatie veilig is. [voornaam minderjarige 1] is met name bang voor de (voormalige) partner van de moeder en niet voor de moeder zelf. De vader respecteert verder de wens van [voornaam minderjarige 2] om niet bij de moeder thuis te wonen, als dat echt is wat zij wil. [voornaam minderjarige 2] heeft op dit moment behoefte aan rust en stabiliteit. Indien zij dit kan vinden in een plaatsing bij bijvoorbeeld het gezinshuis in [plaats] , dan kan de vader zich hierin vinden, mits het contact met beide ouders goed wordt vormgegeven. De vader heeft zelf geen stabiele woonplek en kan daardoor de kinderen geen reëel opvoedperspectief bieden. Op dit moment verblijft hij ook bij de opa en oma vz. Hij is voornemens om op termijn naar Thailand of de Filipijnen te verhuizen. Hij zal dan wel regelmatig terugkomen om in contact te blijven met de kinderen. Zodra de kinderen meerderjarig zijn, kunnen zij hem daar komen opzoeken. Op deze manier wil de vader betrokken blijven in hun leven. 6 De beoordeling 6.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. Ondertoezichtstelling 6.2. De kinderrechter stelt allereerst vast dat sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van zowel [voornaam minderjarige 1] als [voornaam minderjarige 2] . Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat de thuissituatie bij de moeder instabiel is. Er zijn ernstige zorgen over huiselijk geweld vanuit de (voormalige) partner van de moeder richting de moeder. Verder zijn er zorgen over middelengebruik (alcohol en drugs), psychische problematiek en de emotionele beschikbaarheid van de moeder. Daarnaast is sprake geweest van ingrijpende gebeurtenissen, waaronder de situatie tijdens de vakantieperiode van de moeder, waarbij de moeder [voornaam minderjarige 2] als veertienjarig meisje gedurende een maand alleen thuis heeft gelaten. Dit alles heeft geleid tot veel spanning en onzekerheid bij [voornaam minderjarige 2] . 6.3. [voornaam minderjarige 2] wordt belast met volwassenenproblematiek en heeft zich een tijd lang verantwoordelijk gevoeld voor de zorg voor haar broer. De moeder heeft haar daar ook regelmatig verantwoordelijk voor gemaakt, bijvoorbeeld als zij ’s nachts niet thuis was. Nu haar broer niet meer thuis woont, voelt zij zich ook verantwoordelijk voor haar moeder. Er lijkt sprake van rolomkering. [voornaam minderjarige 2] vertoont sterk pubergedrag en zij heeft vaak ruzie met haar moeder. Het gaat met [voornaam minderjarige 2] niet goed op school. Zij zit al een tijd lang in een opstartklas, omdat zij werd gepest, en zij verzuimt ook op school. Daardoor is er sprake van stilstand in haar schoolontwikkeling. Verder zijn er zorgen over een verstoord dag- en nachtritme, zelfbeschadigend gedrag en haar seksuele ontwikkeling. [voornaam minderjarige 1] is een zeer kwetsbare jongen met een forse ontwikkelingsachterstand en een verhoogde zorgbehoefte, vanwege zijn ASS en diabetes. Om deze reden is een voorspelbare en stabiele opvoedsituatie voor hem van essentieel belang. Op dit moment is de moeder niet in staat is deze zorg structureel te bieden. Het is nog onduidelijk waar de persoonlijke problematiek van de moeder uit voortkomt. Daarom zal onderzoek gedaan moeten worden naar haar persoonlijke problematiek, haar opvoedvaardigheden en psychische belastbaarheid. 6.4. De kinderrechter acht vrijwillige hulpverlening ontoereikend om deze zorgen weg te nemen. De moeder ontkent en bagatelliseert de zorgen. Zij geeft aan dat haar (voormalige) partner niet meer in beeld is en dat de thuissituatie veilig is, maar vanuit zowel de vader als de GI zijn er andere signalen. Het is daarom van belang dat de komende tijd een jeugdbeschermer betrokken is bij het gezin om de benodigde hulpverlening op gang te brengen, de situatie bij de moeder te onderzoeken en het perspectief van beide kinderen helder te krijgen. De kinderrechter zal [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] daarom onder toezicht stellen voor de duur van één jaar. Machtiging uithuisplaatsing [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] 6.5. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van zowel [voornaam minderjarige 1] als [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hierna uit waarom. 6.6. [voornaam minderjarige 1] heeft een intensieve zorgbehoefte en is kwetsbaar voor stress en spanningen. Zoals overwogen, is de thuissituatie bij de moeder is op dit moment onvoldoende stabiel om hem de benodigde structuur, zorg en veiligheid te bieden. Bovendien heeft [voornaam minderjarige 1] aangegeven angst te ervaren ten aanzien van, in elk geval, de (voormalige) partner van de moeder en mogelijk ook ten aanzien van de moeder zelf. Deze signalen moeten serieus worden genomen en nader worden onderzocht. De plaatsing bij de opa en oma vz biedt [voornaam minderjarige 1] op dit moment de zorg, rust en continuïteit die hij nodig heeft. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] voor de duur van een jaar verlenen, zodat zijn verblijf bij opa en oma vz kan worden voortgezet. Tegelijkertijd is duidelijk dat deze plaatsing niet het definitieve perspectief kan zijn.
Volledig
Er is inmiddels concreet zicht op een vervolgplek waar [voornaam minderjarige 1] voor langere tijd kan verblijven en de nodige zorg kan krijgen. [voornaam minderjarige 1] heeft een stabiele basis nodig. Vanuit daar kan worden gekeken hoe het contact met beide ouders inricht kan worden. 5.2. Door en namens de moeder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder heeft altijd goed voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] gezorgd. Anders dan de Raad en de GI stellen, is de thuissituatie bij haar veilig en stabiel. Zij erkent dat de vakantieperiode, waarin zij [voornaam minderjarige 2] alleen thuis heeft gelaten, en de daaropvolgende gebeurtenissen ingrijpend zijn geweest. Dit betrof echter een incident dat zich niet zal herhalen. De moeder heeft de relatie met haar (voormalige) partner verbroken en er is geen sprake meer van huiselijk geweld of middelengebruik. De moeder betwist dat zij verward is of onvoldoende opvoedvaardig zou zijn. Zij ervaart de betrokkenheid van meerdere instanties en wisselende jeugdbeschermers als overrompelend en stressvol, maar dit betekent volgens haar niet dat zij de zorg voor de kinderen niet aankan. De moeder heeft altijd goed voor beide kinderen gezorgd, zij heeft aandacht voor de grotere zorgbehoefte van [voornaam minderjarige 1] , en heeft oog voor zijn toekomstperspectief. Zij wil dat [voornaam minderjarige 1] weer gedeeltelijk bij haar thuis komt wonen. De situatie bij opa en oma vz is niet passend, omdat [voornaam minderjarige 1] daar negatieve berichten over zijn moeder meekrijgt, waardoor hij beïnvloed wordt. De moeder staat open voor aanvullende hulpverlening in de thuissituatie, naast de therapie bij de psycholoog die zij op eigen initiatief, een keer per drie weken, volgt. Namens de moeder wordt ten slotte betoogd dat het contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige 1] de afgelopen maanden onaanvaardbaar beperkt is geweest. De moeder heeft [voornaam minderjarige 1] maar één keer gezien, terwijl het uitgangspunt is dat het contact tussen de ouders en het kind tijdens een uithuisplaatsing zoveel mogelijk wordt bevorderd. 5.3. De vader heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De belangen van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] staan voorop. De vader erkent de zorgen van de Raad en de GI, maar stelt voorop dat de moeder altijd een betrokken ouder is geweest. De moeder vormt geen bedreiging voor de kinderen, maar haar (voormalige) partner wel. De moeder is verschillende keren ernstig door hem mishandeld. Hoewel de moeder anders verklaart, lijkt op dit moment de (voormalige) partner van de moeder nog altijd een rol te spelen in haar leven. Het is van belang dat de kinderen worden beschermd tegen verdere spanningen. [voornaam minderjarige 1] moet zo snel mogelijk terugkeren naar de moeder, mits de thuissituatie veilig is. [voornaam minderjarige 1] is met name bang voor de (voormalige) partner van de moeder en niet voor de moeder zelf. De vader respecteert verder de wens van [voornaam minderjarige 2] om niet bij de moeder thuis te wonen, als dat echt is wat zij wil. [voornaam minderjarige 2] heeft op dit moment behoefte aan rust en stabiliteit. Indien zij dit kan vinden in een plaatsing bij bijvoorbeeld het gezinshuis in [plaats] , dan kan de vader zich hierin vinden, mits het contact met beide ouders goed wordt vormgegeven. De vader heeft zelf geen stabiele woonplek en kan daardoor de kinderen geen reëel opvoedperspectief bieden. Op dit moment verblijft hij ook bij de opa en oma vz. Hij is voornemens om op termijn naar Thailand of de Filipijnen te verhuizen. Hij zal dan wel regelmatig terugkomen om in contact te blijven met de kinderen. Zodra de kinderen meerderjarig zijn, kunnen zij hem daar komen opzoeken. Op deze manier wil de vader betrokken blijven in hun leven. 6 De beoordeling 6.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. Ondertoezichtstelling 6.2. De kinderrechter stelt allereerst vast dat sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van zowel [voornaam minderjarige 1] als [voornaam minderjarige 2] . Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat de thuissituatie bij de moeder instabiel is. Er zijn ernstige zorgen over huiselijk geweld vanuit de (voormalige) partner van de moeder richting de moeder. Verder zijn er zorgen over middelengebruik (alcohol en drugs), psychische problematiek en de emotionele beschikbaarheid van de moeder. Daarnaast is sprake geweest van ingrijpende gebeurtenissen, waaronder de situatie tijdens de vakantieperiode van de moeder, waarbij de moeder [voornaam minderjarige 2] als veertienjarig meisje gedurende een maand alleen thuis heeft gelaten. Dit alles heeft geleid tot veel spanning en onzekerheid bij [voornaam minderjarige 2] . 6.3. [voornaam minderjarige 2] wordt belast met volwassenenproblematiek en heeft zich een tijd lang verantwoordelijk gevoeld voor de zorg voor haar broer. De moeder heeft haar daar ook regelmatig verantwoordelijk voor gemaakt, bijvoorbeeld als zij ’s nachts niet thuis was. Nu haar broer niet meer thuis woont, voelt zij zich ook verantwoordelijk voor haar moeder. Er lijkt sprake van rolomkering. [voornaam minderjarige 2] vertoont sterk pubergedrag en zij heeft vaak ruzie met haar moeder. Het gaat met [voornaam minderjarige 2] niet goed op school. Zij zit al een tijd lang in een opstartklas, omdat zij werd gepest, en zij verzuimt ook op school. Daardoor is er sprake van stilstand in haar schoolontwikkeling. Verder zijn er zorgen over een verstoord dag- en nachtritme, zelfbeschadigend gedrag en haar seksuele ontwikkeling. [voornaam minderjarige 1] is een zeer kwetsbare jongen met een forse ontwikkelingsachterstand en een verhoogde zorgbehoefte, vanwege zijn ASS en diabetes. Om deze reden is een voorspelbare en stabiele opvoedsituatie voor hem van essentieel belang. Op dit moment is de moeder niet in staat is deze zorg structureel te bieden. Het is nog onduidelijk waar de persoonlijke problematiek van de moeder uit voortkomt. Daarom zal onderzoek gedaan moeten worden naar haar persoonlijke problematiek, haar opvoedvaardigheden en psychische belastbaarheid. 6.4. De kinderrechter acht vrijwillige hulpverlening ontoereikend om deze zorgen weg te nemen. De moeder ontkent en bagatelliseert de zorgen. Zij geeft aan dat haar (voormalige) partner niet meer in beeld is en dat de thuissituatie veilig is, maar vanuit zowel de vader als de GI zijn er andere signalen. Het is daarom van belang dat de komende tijd een jeugdbeschermer betrokken is bij het gezin om de benodigde hulpverlening op gang te brengen, de situatie bij de moeder te onderzoeken en het perspectief van beide kinderen helder te krijgen. De kinderrechter zal [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] daarom onder toezicht stellen voor de duur van één jaar. Machtiging uithuisplaatsing [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] 6.5. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van zowel [voornaam minderjarige 1] als [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hierna uit waarom. 6.6. [voornaam minderjarige 1] heeft een intensieve zorgbehoefte en is kwetsbaar voor stress en spanningen. Zoals overwogen, is de thuissituatie bij de moeder is op dit moment onvoldoende stabiel om hem de benodigde structuur, zorg en veiligheid te bieden. Bovendien heeft [voornaam minderjarige 1] aangegeven angst te ervaren ten aanzien van, in elk geval, de (voormalige) partner van de moeder en mogelijk ook ten aanzien van de moeder zelf. Deze signalen moeten serieus worden genomen en nader worden onderzocht. De plaatsing bij de opa en oma vz biedt [voornaam minderjarige 1] op dit moment de zorg, rust en continuïteit die hij nodig heeft. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] voor de duur van een jaar verlenen, zodat zijn verblijf bij opa en oma vz kan worden voortgezet. Tegelijkertijd is duidelijk dat deze plaatsing niet het definitieve perspectief kan zijn.
Volledig
De GI zal verder moeten zoeken naar een passende langdurige woonvoorziening voor [voornaam minderjarige 1] en onderzoeken of de ouders daar achter kunnen staan. Ook zal gekeken moeten worden naar de mogelijkheden van terugkeer naar de moeder, afhankelijk van de uitkomsten van het in te zetten onderzoek en hulpverlening. 6.7. Gelet op de hiervoor genoemde ernstige ontwikkelingsbedreiging heeft [voornaam minderjarige 2] behoefte aan rust, stabiliteit en professionele begeleiding. Zij heeft een veilige omgeving nodig waar zij tot rust kan komen. De moeder kan haar op dit moment niet bieden wat zij nodig heeft. Op dit moment vindt de kinderrechter de thuissituatie en de zorgen over de persoonlijke problematiek van de moeder te ernstig om [voornaam minderjarige 2] nog langer thuis te laten verblijven. De kinderrechter stelt vast dat [voornaam minderjarige 2] zich onveilig voelt in de thuissituatie en zij geeft aan dat zij op dit moment niet bij de moeder wil wonen. Een plaatsing in een gezinsgerichte voorziening acht de kinderrechter passend, nu er geen opties in het netwerk voorhanden zijn. Tegelijkertijd biedt dit gelegenheid om intensieve hulpverlening in de thuissituatie bij de moeder op te starten en te onderzoeken in hoeverre de moeder in staat is om op termijn weer zelfstandig de zorg voor [voornaam minderjarige 2] op zich te nemen. 6.8. Gelet op het ingrijpende karakter van een uithuisplaatsing en de wens van [voornaam minderjarige 2] om duidelijkheid en inspraak te behouden over haar toekomst, ziet de kinderrechter aanleiding de machtiging voor de duur van zes maanden toe te wijzen en het resterende deel van het verzoek aan te houden. Hierdoor kan op relatief korte termijn worden beoordeeld welke voortgang is geboekt bij zowel [voornaam minderjarige 2] als de moeder en of terugkeer naar huis al mogelijk is, eventueel met de inzet van intensieve thuisbegeleiding in combinatie met systemische therapie. 6.9. De GI wordt verzocht om twee weken vóór de hierna vermelde pro forma datum een briefrapportage (met afschrift aan de Raad, de vader, de moeder en haar advocaat) te overleggen over de dan huidige stand van zaken en aan te geven of het verzoek voor het overig verzochte wordt gehandhaafd. De kinderrechter vindt het in dit stadium van belang dat ook de Raad betrokken blijft en zal daarom ook de Raad oproepen voor een volgende zitting. 6.10. De kinderrechter benadrukt tenslotte het belang van structureel contact tussen beide kinderen en de moeder, voor zover dit veilig kan plaatsvinden en de draagkracht van de kinderen en de moeder dit toelaat. De GI dient zich actief in te spannen om passende omgangsafspraken te realiseren en de kinderen hierover duidelijkheid te bieden. 6.11. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 7 De beslissing De kinderrechter: in de zaak C/10/712176 / JE RK 25-2653: 7.1. stelt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 9 januari 2026 tot 9 januari 2027; 7.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in het netwerk, te weten bij de opa en oma vz, met ingang van 9 januari 2026 tot 9 januari 2027; in de zaak C/10/710842 / JE RK 25-2457: 7.3. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 9 januari 2026 tot 9 juli 2026; en alvorens verder te beslissen: 7.4. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 juni 2026 pro forma; 7.5. bepaalt dat de Raad, de GI, de vader en de moeder op deze datum niet ter zitting behoeven te verschijnen; 7.6. verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de Raad, de moeder en haar advocaat en de vader) de verzochte rapportage te doen toekomen; in beide zaken: 7.7. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 19 januari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:255 BW. Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
Volledig
De GI zal verder moeten zoeken naar een passende langdurige woonvoorziening voor [voornaam minderjarige 1] en onderzoeken of de ouders daar achter kunnen staan. Ook zal gekeken moeten worden naar de mogelijkheden van terugkeer naar de moeder, afhankelijk van de uitkomsten van het in te zetten onderzoek en hulpverlening. 6.7. Gelet op de hiervoor genoemde ernstige ontwikkelingsbedreiging heeft [voornaam minderjarige 2] behoefte aan rust, stabiliteit en professionele begeleiding. Zij heeft een veilige omgeving nodig waar zij tot rust kan komen. De moeder kan haar op dit moment niet bieden wat zij nodig heeft. Op dit moment vindt de kinderrechter de thuissituatie en de zorgen over de persoonlijke problematiek van de moeder te ernstig om [voornaam minderjarige 2] nog langer thuis te laten verblijven. De kinderrechter stelt vast dat [voornaam minderjarige 2] zich onveilig voelt in de thuissituatie en zij geeft aan dat zij op dit moment niet bij de moeder wil wonen. Een plaatsing in een gezinsgerichte voorziening acht de kinderrechter passend, nu er geen opties in het netwerk voorhanden zijn. Tegelijkertijd biedt dit gelegenheid om intensieve hulpverlening in de thuissituatie bij de moeder op te starten en te onderzoeken in hoeverre de moeder in staat is om op termijn weer zelfstandig de zorg voor [voornaam minderjarige 2] op zich te nemen. 6.8. Gelet op het ingrijpende karakter van een uithuisplaatsing en de wens van [voornaam minderjarige 2] om duidelijkheid en inspraak te behouden over haar toekomst, ziet de kinderrechter aanleiding de machtiging voor de duur van zes maanden toe te wijzen en het resterende deel van het verzoek aan te houden. Hierdoor kan op relatief korte termijn worden beoordeeld welke voortgang is geboekt bij zowel [voornaam minderjarige 2] als de moeder en of terugkeer naar huis al mogelijk is, eventueel met de inzet van intensieve thuisbegeleiding in combinatie met systemische therapie. 6.9. De GI wordt verzocht om twee weken vóór de hierna vermelde pro forma datum een briefrapportage (met afschrift aan de Raad, de vader, de moeder en haar advocaat) te overleggen over de dan huidige stand van zaken en aan te geven of het verzoek voor het overig verzochte wordt gehandhaafd. De kinderrechter vindt het in dit stadium van belang dat ook de Raad betrokken blijft en zal daarom ook de Raad oproepen voor een volgende zitting. 6.10. De kinderrechter benadrukt tenslotte het belang van structureel contact tussen beide kinderen en de moeder, voor zover dit veilig kan plaatsvinden en de draagkracht van de kinderen en de moeder dit toelaat. De GI dient zich actief in te spannen om passende omgangsafspraken te realiseren en de kinderen hierover duidelijkheid te bieden. 6.11. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 7 De beslissing De kinderrechter: in de zaak C/10/712176 / JE RK 25-2653: 7.1. stelt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 9 januari 2026 tot 9 januari 2027; 7.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in het netwerk, te weten bij de opa en oma vz, met ingang van 9 januari 2026 tot 9 januari 2027; in de zaak C/10/710842 / JE RK 25-2457: 7.3. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 9 januari 2026 tot 9 juli 2026; en alvorens verder te beslissen: 7.4. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 juni 2026 pro forma; 7.5. bepaalt dat de Raad, de GI, de vader en de moeder op deze datum niet ter zitting behoeven te verschijnen; 7.6. verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de Raad, de moeder en haar advocaat en de vader) de verzochte rapportage te doen toekomen; in beide zaken: 7.7. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 19 januari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:255 BW. Artikel 1:265b, eerste lid, BW.