Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-04
ECLI:NL:RBROT:2026:3825
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,664 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3825 text/xml public 2026-04-29T12:12:16 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-04 C/10/711998 / KG ZA 25-1254 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3825 text/html public 2026-04-29T12:10:05 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3825 Rechtbank Rotterdam , 04-02-2026 / C/10/711998 / KG ZA 25-1254 Kort geding. Vordering tot medewerking door gedaagde aan vrijgave van door conservatoir bankbeslag getroffen saldo. Toewijzing. Beslag is van rechtswege vervallen. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/711998 / KG ZA 25-1254 Vonnis in kort geding van 4 februari 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , Dominicaanse Republiek , eiser, advocaat: mr. H.C. Bol, tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd te Joure , gedaagde, advocaat: mr. H. Loonstein. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. De zaak in het kort [gedaagde] heeft uit het faillissement van [bedrijf 2] B.V. een vordering op [eiser] gekocht van € 80.000,00. Als zekerheid voor het verhaal van die vordering is in 2016 ten laste van [eiser] conservatoir bankbeslag gelegd. Nadien zijn in de Dominicaanse Republiek verschillende procedures tegen [eiser] gevoerd. [eiser] stelt dat het beslag inmiddels van rechtswege is vervallen, omdat die procedures tot een afwijzing van de vordering hebben geleid en die afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. In dit kort geding vordert hij onder meer medewerking door [gedaagde] aan de vrijgave van het door het beslag getroffen saldo. De vordering wordt in dit vonnis toegewezen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 19 december 2025, de producties 1 tot en met 19 van [eiser] , de incidentele conclusie ex artikel 224 Rv van [gedaagde] , de producties 1 tot en met 3 van [gedaagde] , de (vervangende) akte wijziging van eis, de reactie van mr. Bol op de incidentele vordering, het bewijs van betaling door [eiser] van € 2.376,00 op de rekening van Stichting Beheer Derdengelden inzake HWTK Advocatuur, de pleitnota van mr. Bol, de spreekaantekeningen van mr. Loonstein. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026. 1.3. Aangezien [eiser] niet in Nederland woonachtig is, heeft [gedaagde] op grond van artikel 224 lid 1 Rv gevorderd dat [eiser] zekerheid stelt voor de proceskosten. Mr. Bol heeft daarop laten weten dat [eiser] daartoe bereid is. Bij zijn bericht heeft hij een betalingsbewijs gevoegd waaruit blijkt dat [eiser] op 20 januari 2026 een bedrag van in totaal € 2.376,00 (€ 735,00 aan griffierecht en € 1.661,00 aan advocaatkosten voor een complex kort geding) op de rekening van Stichting Beheer Derdengelden inzake HWTK Advocatuur heeft overgemaakt. Hoewel [gedaagde] heeft laten weten dit bedrag te laag te vinden en daarmee dus geen genoegen te nemen, heeft de voorzieningenrechter tijdens de mondelinge behandeling beslist dat de aangeboden zekerheid genoegzaam is. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat hier niet gaat om een complex kort geding. 1.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Loonstein erop gewezen dat de pleitnota van mr. Bol een aanvulling op de dagvaarding bevat en verzocht daarop na de mondelinge behandeling te mogen reageren. Hoewel in een kopje van de pleitnota van mr. Bol staat dat het om een aanvulling op de dagvaarding gaat, staan daaronder geen punten waarop [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling niet op heeft kunnen reageren. Het verzoek van [gedaagde] wordt daarom afgewezen. 2 De feiten 2.1. [eiser] is bestuurder van [bedrijf 1] S.R.L. (hierna: [bedrijf 1] ). 2.2. [gedaagde] stelt een vordering van € 80.000,00 te hebben op [eiser] en/of [bedrijf 1] . Zij heeft die vordering op 3 november 2020 gekocht van mr. [curator] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). Inmiddels is het faillissement van [bedrijf 2] afgewikkeld. 2.3. Op 30 augustus 2016 heeft de curator de voorzieningenrechter in deze rechtbank verzocht om verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van [bedrijf 1] en [eiser] . Aan dit verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat [bedrijf 2] met [bedrijf 1] en [eiser] een (mondelinge) geldleenovereenkomst heeft gesloten ter hoogte van € 80.000,00 en dat die lening noch door [bedrijf 1] noch door [eiser] is terugbetaald. 2.3.1. De voorzieningenrechter heeft het verlof dezelfde dag verleend, waarbij de vordering met inbegrip van rente en kosten is begroot op € 104.000,00. De termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak is bepaald op 30 dagen na de beslaglegging. 2.3.2. Later die dag heeft de curator ten laste van [eiser] conservatoir beslag doen leggen onder ABN AMRO Bank N.V. (hierna: de bank), destijds mede kantoorhoudende in Rotterdam. Het beslag heeft voor een bedrag van circa € 72.000,00 doel getroffen. De bank heeft het saldo apart gezet op een geblokkeerde beslagrekening. 2.4. In de Dominicaanse Republiek is de openbaar aanklager een strafrechtelijke procedure tegen [bedrijf 1] en [eiser] gestart. Op 15 september 2016 heeft de curator in die procedure een civiele vordering tegen [bedrijf 1] en [eiser] ingesteld. Bij beslissing van 3 april 2017 heeft de rechtbank dit ontoelaatbaar geacht. De beslissing is in hoger beroep (bij uitspraak van 27 september 2018) en in cassatie (bij uitspraak van 7 februari 2020) bekrachtigd. 2.5. Op 19 februari 2020 heeft de curator in de Dominicaanse Republiek bij de rechtbank een civielrechtelijke procedure tegen [bedrijf 1] en [eiser] aanhangig gemaakt. Daarin vorderde hij betaling van € 80.000,00. Bij beslissing van 9 juni 2022 is [bedrijf 1] veroordeeld tot terugbetaling van dit bedrag, vermeerderd met rente. De vordering op [eiser] is afgewezen. In hoger beroep heeft de curator de grondslag van de vordering op [eiser] gewijzigd en “ lifting of the corporate veil ” gevorderd zodat [eiser] persoonlijk aansprakelijk kon worden gehouden. Bij beslissing van 29 december 2023 heeft het gerechtshof de beslissing van 9 juni 2022 bekrachtigd. Ten aanzien van de wijziging van de grondslag van de eis is de curator niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het gerechtshof overwogen dat het beroep volgens Dominicaans recht beperkt moet blijven tot de vorderingen die bij de rechtbank zijn ingesteld. Er is geen cassatie ingesteld. 2.6. In april 2025 heeft mr. Bol de bank verzocht om het saldo waarop beslag is gelegd vrij te geven. De bank heeft laten weten daar zonder instemming van [gedaagde] of de door [gedaagde] ingeschakelde deurwaarder geen medewerking aan te willen verlenen. De deurwaarder heeft bij e-mail van 21 mei 2025 aan mr. Bol geschreven dat [gedaagde] niet wenst in te stemmen met een vrijgave van het saldo op de beslagrekening. 2.7. Op 19 mei 2025 heeft [gedaagde] in de Dominicaanse Republiek bij de rechtbank een procedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt. Daarin heeft [gedaagde] gevorderd “ to lift the corporate veil ” en [eiser] te veroordelen tot betaling van € 80.000,00. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert na wijziging van zijn eis, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: verklaart dat het beslag van rechtswege is vervallen en [gedaagde] gelast het beslag onverwijld te doen doorhalen, waarbij [gedaagde] ieder redelijk verzoek van beslagene en derdebeslagene(n) zal opvolgen welke benodigd is zodat het door beslag getroffen saldo vrij wordt gegeven waaronder het dienovereenkomstig instrueren van haar deurwaarder, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en de buitengerechtelijke kosten. 3.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 4 De beoordeling 4.1. In de dagvaarding vorderde [eiser] opheffing van het beslag. Later heeft [eiser] zijn eis gewijzigd zoals weergegeven in 3.1., omdat hij meent dat het beslag van rechtswege is komen te vervallen. Tegen de eiswijziging heeft [gedaagde] geen bezwaar gemaakt.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3825 text/xml public 2026-04-29T12:12:16 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-04 C/10/711998 / KG ZA 25-1254 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3825 text/html public 2026-04-29T12:10:05 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3825 Rechtbank Rotterdam , 04-02-2026 / C/10/711998 / KG ZA 25-1254 Kort geding. Vordering tot medewerking door gedaagde aan vrijgave van door conservatoir bankbeslag getroffen saldo. Toewijzing. Beslag is van rechtswege vervallen. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/711998 / KG ZA 25-1254 Vonnis in kort geding van 4 februari 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , Dominicaanse Republiek , eiser, advocaat: mr. H.C. Bol, tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd te Joure , gedaagde, advocaat: mr. H. Loonstein. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. De zaak in het kort [gedaagde] heeft uit het faillissement van [bedrijf 2] B.V. een vordering op [eiser] gekocht van € 80.000,00. Als zekerheid voor het verhaal van die vordering is in 2016 ten laste van [eiser] conservatoir bankbeslag gelegd. Nadien zijn in de Dominicaanse Republiek verschillende procedures tegen [eiser] gevoerd. [eiser] stelt dat het beslag inmiddels van rechtswege is vervallen, omdat die procedures tot een afwijzing van de vordering hebben geleid en die afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. In dit kort geding vordert hij onder meer medewerking door [gedaagde] aan de vrijgave van het door het beslag getroffen saldo. De vordering wordt in dit vonnis toegewezen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 19 december 2025, de producties 1 tot en met 19 van [eiser] , de incidentele conclusie ex artikel 224 Rv van [gedaagde] , de producties 1 tot en met 3 van [gedaagde] , de (vervangende) akte wijziging van eis, de reactie van mr. Bol op de incidentele vordering, het bewijs van betaling door [eiser] van € 2.376,00 op de rekening van Stichting Beheer Derdengelden inzake HWTK Advocatuur, de pleitnota van mr. Bol, de spreekaantekeningen van mr. Loonstein. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026. 1.3. Aangezien [eiser] niet in Nederland woonachtig is, heeft [gedaagde] op grond van artikel 224 lid 1 Rv gevorderd dat [eiser] zekerheid stelt voor de proceskosten. Mr. Bol heeft daarop laten weten dat [eiser] daartoe bereid is. Bij zijn bericht heeft hij een betalingsbewijs gevoegd waaruit blijkt dat [eiser] op 20 januari 2026 een bedrag van in totaal € 2.376,00 (€ 735,00 aan griffierecht en € 1.661,00 aan advocaatkosten voor een complex kort geding) op de rekening van Stichting Beheer Derdengelden inzake HWTK Advocatuur heeft overgemaakt. Hoewel [gedaagde] heeft laten weten dit bedrag te laag te vinden en daarmee dus geen genoegen te nemen, heeft de voorzieningenrechter tijdens de mondelinge behandeling beslist dat de aangeboden zekerheid genoegzaam is. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat hier niet gaat om een complex kort geding. 1.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Loonstein erop gewezen dat de pleitnota van mr. Bol een aanvulling op de dagvaarding bevat en verzocht daarop na de mondelinge behandeling te mogen reageren. Hoewel in een kopje van de pleitnota van mr. Bol staat dat het om een aanvulling op de dagvaarding gaat, staan daaronder geen punten waarop [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling niet op heeft kunnen reageren. Het verzoek van [gedaagde] wordt daarom afgewezen. 2 De feiten 2.1. [eiser] is bestuurder van [bedrijf 1] S.R.L. (hierna: [bedrijf 1] ). 2.2. [gedaagde] stelt een vordering van € 80.000,00 te hebben op [eiser] en/of [bedrijf 1] . Zij heeft die vordering op 3 november 2020 gekocht van mr. [curator] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). Inmiddels is het faillissement van [bedrijf 2] afgewikkeld. 2.3. Op 30 augustus 2016 heeft de curator de voorzieningenrechter in deze rechtbank verzocht om verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van [bedrijf 1] en [eiser] . Aan dit verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat [bedrijf 2] met [bedrijf 1] en [eiser] een (mondelinge) geldleenovereenkomst heeft gesloten ter hoogte van € 80.000,00 en dat die lening noch door [bedrijf 1] noch door [eiser] is terugbetaald. 2.3.1. De voorzieningenrechter heeft het verlof dezelfde dag verleend, waarbij de vordering met inbegrip van rente en kosten is begroot op € 104.000,00. De termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak is bepaald op 30 dagen na de beslaglegging. 2.3.2. Later die dag heeft de curator ten laste van [eiser] conservatoir beslag doen leggen onder ABN AMRO Bank N.V. (hierna: de bank), destijds mede kantoorhoudende in Rotterdam. Het beslag heeft voor een bedrag van circa € 72.000,00 doel getroffen. De bank heeft het saldo apart gezet op een geblokkeerde beslagrekening. 2.4. In de Dominicaanse Republiek is de openbaar aanklager een strafrechtelijke procedure tegen [bedrijf 1] en [eiser] gestart. Op 15 september 2016 heeft de curator in die procedure een civiele vordering tegen [bedrijf 1] en [eiser] ingesteld. Bij beslissing van 3 april 2017 heeft de rechtbank dit ontoelaatbaar geacht. De beslissing is in hoger beroep (bij uitspraak van 27 september 2018) en in cassatie (bij uitspraak van 7 februari 2020) bekrachtigd. 2.5. Op 19 februari 2020 heeft de curator in de Dominicaanse Republiek bij de rechtbank een civielrechtelijke procedure tegen [bedrijf 1] en [eiser] aanhangig gemaakt. Daarin vorderde hij betaling van € 80.000,00. Bij beslissing van 9 juni 2022 is [bedrijf 1] veroordeeld tot terugbetaling van dit bedrag, vermeerderd met rente. De vordering op [eiser] is afgewezen. In hoger beroep heeft de curator de grondslag van de vordering op [eiser] gewijzigd en “ lifting of the corporate veil ” gevorderd zodat [eiser] persoonlijk aansprakelijk kon worden gehouden. Bij beslissing van 29 december 2023 heeft het gerechtshof de beslissing van 9 juni 2022 bekrachtigd. Ten aanzien van de wijziging van de grondslag van de eis is de curator niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het gerechtshof overwogen dat het beroep volgens Dominicaans recht beperkt moet blijven tot de vorderingen die bij de rechtbank zijn ingesteld. Er is geen cassatie ingesteld. 2.6. In april 2025 heeft mr. Bol de bank verzocht om het saldo waarop beslag is gelegd vrij te geven. De bank heeft laten weten daar zonder instemming van [gedaagde] of de door [gedaagde] ingeschakelde deurwaarder geen medewerking aan te willen verlenen. De deurwaarder heeft bij e-mail van 21 mei 2025 aan mr. Bol geschreven dat [gedaagde] niet wenst in te stemmen met een vrijgave van het saldo op de beslagrekening. 2.7. Op 19 mei 2025 heeft [gedaagde] in de Dominicaanse Republiek bij de rechtbank een procedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt. Daarin heeft [gedaagde] gevorderd “ to lift the corporate veil ” en [eiser] te veroordelen tot betaling van € 80.000,00. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert na wijziging van zijn eis, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: verklaart dat het beslag van rechtswege is vervallen en [gedaagde] gelast het beslag onverwijld te doen doorhalen, waarbij [gedaagde] ieder redelijk verzoek van beslagene en derdebeslagene(n) zal opvolgen welke benodigd is zodat het door beslag getroffen saldo vrij wordt gegeven waaronder het dienovereenkomstig instrueren van haar deurwaarder, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en de buitengerechtelijke kosten. 3.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 4 De beoordeling 4.1. In de dagvaarding vorderde [eiser] opheffing van het beslag. Later heeft [eiser] zijn eis gewijzigd zoals weergegeven in 3.1., omdat hij meent dat het beslag van rechtswege is komen te vervallen. Tegen de eiswijziging heeft [gedaagde] geen bezwaar gemaakt.
Volledig
Wel heeft zij daarin aanleiding gezien om een bevoegdheidsverweer te voeren. Volgens [gedaagde] kan de voorzieningenrechter zijn bevoegdheid niet langer ontlenen aan artikel 705 Rv, aangezien [eiser] geen opheffing van het beslag meer vordert. 4.2. De voorzieningenrechter heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bevoegd verklaard om van de gewijzigde eis kennis te nemen. Hoewel [eiser] strikt genomen geen opheffing van het beslag meer vordert, komt zijn gewijzigde eis materieel op hetzelfde neer. Hij wenst namelijk nog steeds vrijgave van het saldo op de geblokkeerde beslagrekening te bewerkstellingen. Nu de voorzieningenrechter in deze rechtbank het beslagverlof heeft verleend, heeft de voorzieningenrechter zich op grond van artikel 705 Rv eveneens bevoegd geacht om over de vrijgave van het saldo te beslissen. 4.3. De zaak is voldoende spoedeisend om in kort geding te kunnen worden behandeld. [eiser] stelt immers dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem handelt door geen medewerking te verlenen aan de vrijgave van het saldo. 4.4. Partijen twisten over de vraag of het beslag van rechtswege is vervallen. [eiser] stelt dat dit op grond van artikel 704 lid 2 Rv het geval is, omdat de destijds door de curator ingestelde eis in de hoofdzaak is afgewezen en die afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. [gedaagde] weerspreekt dit. Zij stelt dat de op dit moment aanhangige procedure (zie 2.7. hiervoor) volgens het Dominicaanse procesrecht een voortzetting betreft van de in 2016 aangevangen procedure. De eis hoofdzaak is daarmee nog niet afgewezen. 4.5. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de feiten en omstandigheden blijkt dat het beslag van rechtswege is vervallen. De uitspraken in de strafrechtelijke procedure en in de daarna aanhangig gemaakte civiele procedure, die niet tot een veroordeling van [eiser] hebben geleid, zijn immers in kracht van gewijsde gegaan. Op 19 mei 2025 heeft [gedaagde] een nieuwe procedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt. Hoewel [gedaagde] stelt dat die procedure naar Dominicaans recht een voortzetting van de in 2016 ingestelde eis in de hoofdzaak betreft, volgt uit een door [gedaagde] overgelegde legal opinion van haar advocaat [naam advocaat] dat het om een nieuwe procedure gaat. Ook staat daarin dat, net als in de beslissing van het gerechtshof van 29 december 2023, [gedaagde] de vordering tot “ lifting of the corporate veil ” in de eerdere civiele procedure al in eerste instantie naar voren had moeten brengen. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in de beslissing van het gerechtshof van 29 december 2023 niet wordt verwezen naar een nog in te stellen vervolgprocedure en dat de nieuwe procedure pas anderhalf jaar later aanhangig is gemaakt. Ten slotte is van belang dat de nieuwe procedure lijkt te zijn gegrond op bestuurdersaansprakelijkheid, terwijl het beslag is gelegd voor een vordering wegens het niet-nakomen van een geldleenovereenkomst. 4.6. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter verklaart dat het beslag van rechtswege is vervallen. Een dergelijke declaratoire uitspraak leent zich niet voor een kort geding. Daarnaast impliceert het gelasten van [gedaagde] om het beslag onverwijld door te halen dat er nog beslag op het saldo ligt. Voor zover de vordering ziet op het opvolgen door [gedaagde] van instructies van [eiser] en de bank die leiden tot vrijgave van het saldo, wordt deze toegewezen. Nu het beslag van rechtswege is vervallen, heeft [gedaagde] geen in redelijkheid te respecteren belang om zich tegen die vrijgave te verzetten. De voorzieningenrechter ziet in de weigering van [gedaagde] om het saldo vrij te geven aanleiding om een dwangsom op te leggen. Deze wordt gesteld op € 1.000,00 per dag dat [gedaagde] geen medewerking verleent, tot een maximum van € 80.000,00 is bereikt. 4.7. [eiser] vordert tevens een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Die vordering wordt afgewezen, omdat [eiser] deze niet heeft onderbouwd. 4.8. [gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kosten van het incident ex artikel 224 Rv worden op nihil gesteld. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: kosten dagvaarding: € 148,57 griffierecht: € 331,00 salaris advocaat: € 1.177,00 nakosten: € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal: € 1.845,57 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. gelast [gedaagde] om ieder redelijk verzoek van [eiser] en ABN AMRO Bank N.V. dat nodig is voor de vrijgave van het saldo op de geblokkeerde beslagrekening, waaronder het instrueren van de deurwaarder, op te volgen, 5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan 5.1. voldoet, tot een maximum van € 80.000,00 is bereikt, 5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.845,57, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend, 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026. [2971/1729]
Volledig
Wel heeft zij daarin aanleiding gezien om een bevoegdheidsverweer te voeren. Volgens [gedaagde] kan de voorzieningenrechter zijn bevoegdheid niet langer ontlenen aan artikel 705 Rv, aangezien [eiser] geen opheffing van het beslag meer vordert. 4.2. De voorzieningenrechter heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bevoegd verklaard om van de gewijzigde eis kennis te nemen. Hoewel [eiser] strikt genomen geen opheffing van het beslag meer vordert, komt zijn gewijzigde eis materieel op hetzelfde neer. Hij wenst namelijk nog steeds vrijgave van het saldo op de geblokkeerde beslagrekening te bewerkstellingen. Nu de voorzieningenrechter in deze rechtbank het beslagverlof heeft verleend, heeft de voorzieningenrechter zich op grond van artikel 705 Rv eveneens bevoegd geacht om over de vrijgave van het saldo te beslissen. 4.3. De zaak is voldoende spoedeisend om in kort geding te kunnen worden behandeld. [eiser] stelt immers dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem handelt door geen medewerking te verlenen aan de vrijgave van het saldo. 4.4. Partijen twisten over de vraag of het beslag van rechtswege is vervallen. [eiser] stelt dat dit op grond van artikel 704 lid 2 Rv het geval is, omdat de destijds door de curator ingestelde eis in de hoofdzaak is afgewezen en die afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. [gedaagde] weerspreekt dit. Zij stelt dat de op dit moment aanhangige procedure (zie 2.7. hiervoor) volgens het Dominicaanse procesrecht een voortzetting betreft van de in 2016 aangevangen procedure. De eis hoofdzaak is daarmee nog niet afgewezen. 4.5. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de feiten en omstandigheden blijkt dat het beslag van rechtswege is vervallen. De uitspraken in de strafrechtelijke procedure en in de daarna aanhangig gemaakte civiele procedure, die niet tot een veroordeling van [eiser] hebben geleid, zijn immers in kracht van gewijsde gegaan. Op 19 mei 2025 heeft [gedaagde] een nieuwe procedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt. Hoewel [gedaagde] stelt dat die procedure naar Dominicaans recht een voortzetting van de in 2016 ingestelde eis in de hoofdzaak betreft, volgt uit een door [gedaagde] overgelegde legal opinion van haar advocaat [naam advocaat] dat het om een nieuwe procedure gaat. Ook staat daarin dat, net als in de beslissing van het gerechtshof van 29 december 2023, [gedaagde] de vordering tot “ lifting of the corporate veil ” in de eerdere civiele procedure al in eerste instantie naar voren had moeten brengen. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in de beslissing van het gerechtshof van 29 december 2023 niet wordt verwezen naar een nog in te stellen vervolgprocedure en dat de nieuwe procedure pas anderhalf jaar later aanhangig is gemaakt. Ten slotte is van belang dat de nieuwe procedure lijkt te zijn gegrond op bestuurdersaansprakelijkheid, terwijl het beslag is gelegd voor een vordering wegens het niet-nakomen van een geldleenovereenkomst. 4.6. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter verklaart dat het beslag van rechtswege is vervallen. Een dergelijke declaratoire uitspraak leent zich niet voor een kort geding. Daarnaast impliceert het gelasten van [gedaagde] om het beslag onverwijld door te halen dat er nog beslag op het saldo ligt. Voor zover de vordering ziet op het opvolgen door [gedaagde] van instructies van [eiser] en de bank die leiden tot vrijgave van het saldo, wordt deze toegewezen. Nu het beslag van rechtswege is vervallen, heeft [gedaagde] geen in redelijkheid te respecteren belang om zich tegen die vrijgave te verzetten. De voorzieningenrechter ziet in de weigering van [gedaagde] om het saldo vrij te geven aanleiding om een dwangsom op te leggen. Deze wordt gesteld op € 1.000,00 per dag dat [gedaagde] geen medewerking verleent, tot een maximum van € 80.000,00 is bereikt. 4.7. [eiser] vordert tevens een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Die vordering wordt afgewezen, omdat [eiser] deze niet heeft onderbouwd. 4.8. [gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kosten van het incident ex artikel 224 Rv worden op nihil gesteld. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: kosten dagvaarding: € 148,57 griffierecht: € 331,00 salaris advocaat: € 1.177,00 nakosten: € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal: € 1.845,57 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. gelast [gedaagde] om ieder redelijk verzoek van [eiser] en ABN AMRO Bank N.V. dat nodig is voor de vrijgave van het saldo op de geblokkeerde beslagrekening, waaronder het instrueren van de deurwaarder, op te volgen, 5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan 5.1. voldoet, tot een maximum van € 80.000,00 is bereikt, 5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.845,57, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend, 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026. [2971/1729]