Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-04-03
ECLI:NL:RBROT:2026:3693
RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11439627 CV EXPL 24-31187 datum uitspraak: 3 april 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiseres] , woonplaats: Nieuwerkerk aan den IJssel, eiseres, gemachtigde: mr. M. Kool, tegen 1 [gedaagde 1], woonplaats: Rockanje, 2. [gedaagde 2] , woonplaats: Rotterdam, gedaagden, die zelf procederen. Partijen worden hierna ‘[eiseres]’, ‘[gedaagde 1]’ en ‘[gedaagde 2]’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 2 december 2024, met bijlagen; het antwoord, met bijlagen; de brief van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 5 maart 2025, met bijlagen; het proces-verbaal van de zitting op 6 maart 2025; de akte van [eiseres] van 25 maart 2025, met bijlagen; de akte van [eiseres] van 23 februari 2026, met bijlagen. 1.2. Op 5 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [naam] namens [eiseres] met de gemachtigde en [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [gedaagde 1] huurt sinds 16 november 2003 van [eiseres] de woning aan [adres] (hierna: de woning). [eiseres] stelt dat er sprake is van een huurachterstand, dat [gedaagde 1] zijn hoofdverblijf niet langer in de woning heeft en dat hij de woning zonder haar toestemming aan [gedaagde 2] in gebruik heeft gegeven. Zij vordert daarom onder meer dat de huurovereenkomst wordt beëindigd en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning verlaten en dat [gedaagde 1] de huurachterstand tot en met februari 2026 van € 1.691,26 betaalt, met rente en kosten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn het hier niet mee eens. De vordering wordt voor een deel toegewezen, namelijk in zoverre dat de huurachterstand moet worden betaald en dat de huurovereenkomst wordt ontbonden. Hierna wordt uitgelegd waarom. Huurachterstand 2.2. [eiseres] heeft, mede naar aanleiding van uitspraken van de Huurcommissie, een nieuwe specificatie van de huurachterstand tot en met februari 2026 overgelegd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hierover op de zitting verteld dat zij het voorschot voor de stookkosten niet meer betalen omdat zij het termijnbedrag onredelijk vinden. Het kan zijn dat dat hoog is, maar omdat het hier een voorschot betreft, wordt alles dat teveel is betaald bij de eindafrekening verrekend. Hierbij komt dat voorschotten een integraal onderdeel vormen van de betalingsverplichting van de huurder. Dus als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun verplichting tot betaling van het voorschot hebben willen opschorten, bestond daarvoor geen redelijke grond. Dit betekent dat wordt uitgegaan van de juistheid van de huurachterstand tot en met februari 2026 van € 1.691,26, zoals gespecificeerd. [gedaagde 1] wordt veroordeeld om dit bedrag aan [eiseres] betalen. Geen hoofdverblijf 2.3. Hoewel de huurachterstand een tekortkoming oplevert, is deze op zichzelf onvoldoende om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Dit ligt anders bij de kern van het geschil, namelijk de verplichting van de huurder tot het hebben van hoofdverblijf in de woning. Vaststaat dat [gedaagde 1] sinds 1 januari 2023 niet meer staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres van de woning. Op de zitting heeft [gedaagde 1] uitgelegd dat hij om en om de ene week in de woning verblijft en de andere week in zijn koopwoning in Rockanje met zijn kinderen, op welk adres hij ook staat ingeschreven. Zonder afbreuk te willen doen aan het belang van zijn kinderen bij deze keuze, moet wel worden vastgesteld dat gelet op die verdeling niet kan worden gezegd dat hij in de woning zijn hoofdverblijf heeft, waarbij de uitschrijving uit de BRP is meegenomen. Ontbinding en ontruiming 2.4. [gedaagde 1] is op grond van de huurovereenkomst verplicht de woning te gebruiken als zijn hoofdverblijf. Omdat is geoordeeld dat hij dat niet doet, is hij tekortgeschoten in de nakoming van een van zijn kernverplichtingen. Die tekortkoming is ernstig genoeg om ontbinding van de huurovereenkomst te re