Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-01
ECLI:NL:RBROT:2026:3658
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,113 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3658 text/xml public 2026-04-29T12:34:16 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-01 C/10/701075 / HA ZA 25-471 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3658 text/html public 2026-04-29T11:29:16 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3658 Rechtbank Rotterdam , 01-04-2026 / C/10/701075 / HA ZA 25-471 Vonnis in incident. Verwijzing naar de kantonrechter. Toewijzing. Subjectieve cumulatie. Artikel 93 sub a Rv. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/701075 / HA ZA 25-471 Vonnis in incident van 1 april 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [eiser] , in zijn hoedanigheid van gezaghebbend ouder en wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2] , woonplaats: [woonplaats] , eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident, advocaat: mr. M. Mook, tegen 1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde partijen in de hoofdzaak, eisende partijen in het incident, advocaat: mr. H. Loonstein. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 26 mei 2025, met bijlagen 1 tot en met 10; de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid; de conclusie van antwoord in het incident. 2 De beoordeling in het incident 2.1. [eiser] vordert in de hoofdzaak dat [gedaagden] worden veroordeeld om in totaal € 30.512,00 (met rente) aan [eiser] te betalen. Dit totaalbedrag betreft volgens [eiser] het spaargeld van zijn minderjarige kinderen (€ 16.080,00 van [kind 1] en € 14.432,00 van [kind 2] ), dat [eiser] in het kader van de financiering van een koopwoning bij [gedaagden] heeft ondergebracht. 2.2. Volgens [gedaagden] is in de hoofdzaak sprake van twee vorderingen die namens twee afzonderlijke partijen zijn ingesteld: een vordering ten bedrage van € 16.080,00 namens [kind 1] en een vordering ten bedrage van € 14.432,00 namens [kind 2] . Aangezien beide vorderingen onder de competentiegrens van de kantonrechter à € 25.000,00 liggen, zijn [gedaagden] van mening dat [eiser] de hoofdzaak bij de kantonrechter had moeten aanbrengen. Daarom vorderen [eiser] in het incident dat het Team handel en haven van deze rechtbank zich onbevoegd verklaard en de zaak zo nodig verwijst naar de bevoegde rechter, kosten rechtens. [eiser] concludeert tot toewijzing van de vordering tot onbevoegdverklaring en verwijzing van de hoofdzaak naar de kantonrechter, met de bepaling dat de beslissing over de proceskosten in het incident aan de kantonrechter wordt overgelaten. 2.3. De incidentele conclusie is op tijd en vóór alle weren genomen. 2.4. De rechtbank stelt voorop dat van (absolute) onbevoegdheid geen sprake kan zijn; de rechtbank is bevoegd. De vraag die moet worden beantwoord, is welke kamer van de rechtbank de zaak moet behandelen. Als dat de kamer voor kantonzaken (de kantonrechter) is, leidt dit tot verwijzing op grond van artikel 71 lid 2 Rv en niet tot onbevoegdverklaring. De rechtbank begrijpt de incidentele vordering daarom als een vordering tot verwijzing. 2.5. De rechtbank constateert dat in de hoofdzaak twee afzonderlijke vorderingen door [eiser] zijn ingesteld: een vordering ten bedrage van € 16.080,00 namens [kind 1] en een vordering ten bedrage van € 14.432,00 namens [kind 2] . Zij zijn de materiële procespartijen. Er is dus sprake van subjectieve cumulatie. In zo’n geval moet voor elke vordering afzonderlijk worden beoordeeld welke kamer van de rechtbank bevoegd is om die vordering te behandelen en te beslissen. Aangezien ieder van de vorderingen niet meer dan € 25.000,00 bedraagt, worden die vorderingen op grond van artikel 93 sub a Rv door de kantonrechter behandeld en beslist. De rechtbank wijst de incidentele vordering dan ook toe. Gelet op de woonplaats van [gedaagden] verwijst de rechtbank de hoofdzaak op grond van artikel 71 lid 2 Rv naar de kantonrechter in deze rechtbank, locatie Dordrecht. 2.6. De rechtbank ziet geen reden om de beoordeling over de proceskosten in het incident over te laten aan de kantonrechter; de rechtbank beslist daar direct over. Omdat [eiser] de zaak ten onrechte bij het Team handel en haven van deze rechtbank heeft aangebracht, heeft [eiser] in het incident te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. [eiser] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in het incident betalen. De proceskosten in het incident van [gedaagden] worden begroot op: - salaris advocaat € 653,00 (1 punt × tarief II à € 653,00 per punt) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 842,00 3 De beslissing De rechtbank: in het incident 3.1. wijst de vordering toe; 3.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; in de hoofdzaak 3.3. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter in deze rechtbank, locatie Dordrecht, op donderdag 9 april 2026 om 10:00 uur ; 3.4. wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst beslist op welke wijze de procedure wordt voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing informeert; 3.5. wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen; 3.6. wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht op grond van artikel 8 lid 4 WGBZ wordt verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier wordt teruggestort. Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026. 3349 / 3669 Zie onder meer Rechtbank Rotterdam 29 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2806, r.o. 4.1. en ook Tekst & Commentaar bij artikel 94 BW, aantekening 1 onder c.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3658 text/xml public 2026-04-29T12:34:16 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-01 C/10/701075 / HA ZA 25-471 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3658 text/html public 2026-04-29T11:29:16 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3658 Rechtbank Rotterdam , 01-04-2026 / C/10/701075 / HA ZA 25-471 Vonnis in incident. Verwijzing naar de kantonrechter. Toewijzing. Subjectieve cumulatie. Artikel 93 sub a Rv. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/701075 / HA ZA 25-471 Vonnis in incident van 1 april 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [eiser] , in zijn hoedanigheid van gezaghebbend ouder en wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2] , woonplaats: [woonplaats] , eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident, advocaat: mr. M. Mook, tegen 1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde partijen in de hoofdzaak, eisende partijen in het incident, advocaat: mr. H. Loonstein. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 26 mei 2025, met bijlagen 1 tot en met 10; de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid; de conclusie van antwoord in het incident. 2 De beoordeling in het incident 2.1. [eiser] vordert in de hoofdzaak dat [gedaagden] worden veroordeeld om in totaal € 30.512,00 (met rente) aan [eiser] te betalen. Dit totaalbedrag betreft volgens [eiser] het spaargeld van zijn minderjarige kinderen (€ 16.080,00 van [kind 1] en € 14.432,00 van [kind 2] ), dat [eiser] in het kader van de financiering van een koopwoning bij [gedaagden] heeft ondergebracht. 2.2. Volgens [gedaagden] is in de hoofdzaak sprake van twee vorderingen die namens twee afzonderlijke partijen zijn ingesteld: een vordering ten bedrage van € 16.080,00 namens [kind 1] en een vordering ten bedrage van € 14.432,00 namens [kind 2] . Aangezien beide vorderingen onder de competentiegrens van de kantonrechter à € 25.000,00 liggen, zijn [gedaagden] van mening dat [eiser] de hoofdzaak bij de kantonrechter had moeten aanbrengen. Daarom vorderen [eiser] in het incident dat het Team handel en haven van deze rechtbank zich onbevoegd verklaard en de zaak zo nodig verwijst naar de bevoegde rechter, kosten rechtens. [eiser] concludeert tot toewijzing van de vordering tot onbevoegdverklaring en verwijzing van de hoofdzaak naar de kantonrechter, met de bepaling dat de beslissing over de proceskosten in het incident aan de kantonrechter wordt overgelaten. 2.3. De incidentele conclusie is op tijd en vóór alle weren genomen. 2.4. De rechtbank stelt voorop dat van (absolute) onbevoegdheid geen sprake kan zijn; de rechtbank is bevoegd. De vraag die moet worden beantwoord, is welke kamer van de rechtbank de zaak moet behandelen. Als dat de kamer voor kantonzaken (de kantonrechter) is, leidt dit tot verwijzing op grond van artikel 71 lid 2 Rv en niet tot onbevoegdverklaring. De rechtbank begrijpt de incidentele vordering daarom als een vordering tot verwijzing. 2.5. De rechtbank constateert dat in de hoofdzaak twee afzonderlijke vorderingen door [eiser] zijn ingesteld: een vordering ten bedrage van € 16.080,00 namens [kind 1] en een vordering ten bedrage van € 14.432,00 namens [kind 2] . Zij zijn de materiële procespartijen. Er is dus sprake van subjectieve cumulatie. In zo’n geval moet voor elke vordering afzonderlijk worden beoordeeld welke kamer van de rechtbank bevoegd is om die vordering te behandelen en te beslissen. Aangezien ieder van de vorderingen niet meer dan € 25.000,00 bedraagt, worden die vorderingen op grond van artikel 93 sub a Rv door de kantonrechter behandeld en beslist. De rechtbank wijst de incidentele vordering dan ook toe. Gelet op de woonplaats van [gedaagden] verwijst de rechtbank de hoofdzaak op grond van artikel 71 lid 2 Rv naar de kantonrechter in deze rechtbank, locatie Dordrecht. 2.6. De rechtbank ziet geen reden om de beoordeling over de proceskosten in het incident over te laten aan de kantonrechter; de rechtbank beslist daar direct over. Omdat [eiser] de zaak ten onrechte bij het Team handel en haven van deze rechtbank heeft aangebracht, heeft [eiser] in het incident te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. [eiser] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in het incident betalen. De proceskosten in het incident van [gedaagden] worden begroot op: - salaris advocaat € 653,00 (1 punt × tarief II à € 653,00 per punt) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 842,00 3 De beslissing De rechtbank: in het incident 3.1. wijst de vordering toe; 3.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; in de hoofdzaak 3.3. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter in deze rechtbank, locatie Dordrecht, op donderdag 9 april 2026 om 10:00 uur ; 3.4. wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst beslist op welke wijze de procedure wordt voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing informeert; 3.5. wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen; 3.6. wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht op grond van artikel 8 lid 4 WGBZ wordt verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier wordt teruggestort. Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026. 3349 / 3669 Zie onder meer Rechtbank Rotterdam 29 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2806, r.o. 4.1. en ook Tekst & Commentaar bij artikel 94 BW, aantekening 1 onder c.