Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-20
ECLI:NL:RBROT:2026:355
RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/1871 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit Schiedam, eiseres (gemachtigde: mr. I. Winia), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (gemachtigde: mr. C. Nobel). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Eiseres heeft zorg verleend aan haar moeder op basis van een persoonsgebonden budget (pgb). Het UWV stelt dat geen sprake is van een gezagsverhouding en eiseres daarom niet kwalificeert als werknemer. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt met stukken dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. De enkele stelling dat sprake is van een gezagsverhouding is niet voldoende. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 24 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres heeft vanaf 2018 zorg verleend aan haar moeder op basis van een zorgovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit betreft een standaarddocument van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) voor het verlenen van zorg door een partner of familielid. In de zorgovereenkomst is afgesproken dat eiseres zorg biedt onder de Wet langdurige zorg (Wlz). De zorg omvat verpleging, huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging en begeleiding individueel. Eiseres werkt een vast aantal uur (in augustus 2024 35,54 per week). Het bruto maandsalaris is in augustus 2024 € 3538,22 (inclusief 8% vakantiegeld). Het salaris wordt door de Svb betaald uit het persoonsgebonden budget (pgb) van haar moeder. 3.1. Na het overlijden van haar moeder op 21 augustus 2024 heeft eiseres een uitkering op grond van de WW aangevraagd. Met het besluit van 24 september 2024 heeft het UWV de WW-uitkering geweigerd, omdat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen eiseres en haar moeder als werkgever. Ook stelt het UWV dat eiseres geen SV-loon ontving. 3.2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Eiseres stelt dat wel sprake was van een gezagsverhouding onder meer omdat haar moeder en broer, als gewaarborgde hulp, instructies gaven en het dagritme bepaalden. Daarnaast is het krijgen van een SV-loon volgens eiseres geen vereiste voor de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst. Ook wijst eiseres op het feit dat zij volledig afhankelijk was van het inkomen dat zij bij haar moeder kreeg en dat dit gat – ook na het vinden van een parttime-betrekking – nog niet is opgevuld. 3.3. Het UWV is met het bestreden besluit bij de afwijzing gebleven. Het UWV handhaaft het standpunt dat geen sprake was van een gezagsverhouding zodat geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Het UWV verwijst daarbij onder meer naar het feit dat eiseres de zorg ook voor het aangaan van de zorgovereenkomst heeft verleend en feitelijk 24-uurs zorg leverde hetgeen verder gaat dan op grond van de zorgovereenkomst verwacht mocht worden. Ook stelt het UWV dat de zorg niet werd geregistreerd en geen verantwoording over de verleende zorg werd afgelegd. Eiseres heeft beroep ingesteld. Toetsingskader 4. Een Het gaat daarbij onder meer om werktijden, vakantiedagen, de procedure rond ziekmelding en vervanging bij ziekte en verlof. Ter zitting heeft eiseres wel verklaard op welke momenten zij de werkzaamheden heeft verricht en dat haar zorgtaken tijdens vakantie of bij ziekte werden overgenomen door haar broer of zussen, maar hiervan zijn geen nadere stukken overlegd. Dat geldt ook voor de invulling van en controle op de werkzaamheden door eiseres. Eiseres heeft aangegeven dat het zorgkantoor jaarlijks langskwam voor controles maar ook hiervan zijn geen stukken overlegd. Ook ontbreekt concrete informatie over de feitelijke invulling van de werkzaamheden, met name over de vraag in hoeverre eiseres werkzaamheden verrichtte volgens de aanwijzingen en instructies van haar moeder. Eiseres stelt weliswaar dat haar moeder bepaalde wat het dagritme was en dat bepaalde zaken moesten gebeuren, maar dat heeft zij verder niet onderbouwd. Hoewel het standpunt van eiseres dat het niet noodzakelijk is om gebruik te maken van de instructiebevoegdheid op zichzelf juist is , heeft het UWV voldoende uiteengezet – zoals ook uit voorgaande blijkt – dat andere elementen om een gezagsverhouding aan te nemen, ontbreken of in ieder geval niet met nadere stukken zijn onderbouwd. Bij gebrek aan objectief en controleerbaar bewijs kan de rechtbank eiseres niet volgen in het standpunt dat sprake is van een gezagsverhouding. Anders dan eiseres stelt, kan het UWV in die situatie volstaan met het vaststellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Ter zitting heeft het UWV desgevraagd verklaard dat soms gebruik wordt gemaakt van vragenlijsten naar de invulling van de arbeidsverhouding, maar dat dit uitsluitend wordt gedaan indien op basis van de stukken in het dossier twijfel bestaat. Dat was hier niet zo. 5.5. Het standpunt van eiseres dat zij volledig afhankelijk was van het loon dat zij ontving voor de zorg voor haar moeder en dat daarom sprake is van een gezagsverhouding tussen eiseres en moeder, volgt de rechtbank niet. Anders dan in de aangehaalde rechtspraak , is ter zitting immers gebleken dat eiseres naast de zorgtaken voor haar moeder tevens 24 uur per week werkzaam was als taxichauffeur. Eiseres was voor haar inkomsten dus niet volledig afhankelijk van het inkomen van de zorgverlening. Dat zij het laatste levensjaar van haar moeder de zorgtaken voor haar moeder niet meer kon combineren met haar baan als taxichauffeur, maakt voorgaande niet anders. Weliswaar is aangegeven dat de zorgindicatie van de moeder van eiseres per 15 april 2024 omhoog is gegaan, maar nadere stukken waaruit volgt hoeveel uur eiseres daarna tegen betaling heeft gewerkt ontbreken. Bovendien heeft eiseres zelf besloten dat zij 24 uur per dag, zeven dagen per week beschikbaar wilde zijn voor haar moeder en dat niet meer te combineren viel met haar baan als taxichauffeur. Hoewel de rechtbank dat begrijpt, leidt dit zonder nadere onderbouwing niet tot de conclusie dat eiseres van de inkomsten dusdanig afhankelijk was dat sprake is van een gezagsverhouding. Overigens volgt de rechtbank het standpunt van het UWV niet dat die 24-uurs beschikbaarheid maakt dat geen sprake kan zijn van een arbeidsovereenkomst. Hoewel een dergelijke inzet niet verwacht mag worden van een professionele zorgverlener, is het goed te begrijpen dat eiseres naast haar betaalde zorgtaken, ook anderszins zorg bood aan haar moeder. Dat deed zij ook al toen zij nog 40 uur per week werkte als filiaalmanager bij de Kruidvat. Door in algemene zin te stellen dat die 24-uurs beschikbaarheid ertoe leidt dat geen sprake kan zijn van een arbeidsverhouding tenzij de overuren worden betaald, is het feitelijk onmogelijk om op grond van een arbeidsovereenkomst zorgtaken te verrichten voor familieleden. Dit volgt ook niet expliciet uit de door het UWV aangehaalde uitspraak. Het staat vast dat familieleden een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst met elkaar kunnen aangaan. Dat kan ook h