Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-01
ECLI:NL:RBROT:2026:3537
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,167 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3537 text/xml public 2026-04-29T10:18:16 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-01 26/1337 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3537 text/html public 2026-04-29T10:17:17 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3537 Rechtbank Rotterdam , 01-04-2026 / 26/1337 Verzoek om een proceskostenveroordeling na intrekking van een verzoek om een voorlopige voorziening. Het griffierecht is niet betaald. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/1337 uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2026 in de zaak tussen [naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. R. Moghni), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (gemachtigde: mr. Z. Abachi). Inleiding 1. Met het bestreden besluit van 4 februari 2026 heeft het college de uitbetaling van verzoekers bijstandsuitkering geblokkeerd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2. Het college heeft de rechtbank op 5 maart 2026 laten weten dat er geen sprake meer is van een blokkade en dat verzoekers uitkering op 26 februari 2026 is uitbetaald. 3. Verzoeker heeft vervolgens het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. 4. De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft bij brief van 26 maart 2026 gereageerd. 5. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de voorzieningenrechter 6. Het betalen van het verschuldigde griffierecht vormt een voorwaarde voor de toegang tot de voorzieningenrechter. Dat geldt ook als om een proceskostenveroordeling wordt gevraagd bij de intrekking van een verzoek om een voorlopige voorziening. Dit betekent dat er pas aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om proceskostenveroordeling wordt toegekomen als het griffierecht betaald is. 7. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 54,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. 8. Verzoeker heeft op 17 februari 2026 een beroep op betalingsonmacht gedaan. Met de brief van 2 maart 2026 is het beroep op betalingsonmacht afgewezen. De griffier heeft verzoeker vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 4 maart 2026 in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 6 maart 2026 om 10:31 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Er is niet gebleken dat er een verontschuldiging is voor dit verzuim. 9. Op grond van het bovenstaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat er geen inhoudelijke beoordeling kan plaatsvinden en dat het verzoek van verzoeker om het college te veroordelen in de kosten van de procedure kennelijk niet-ontvankelijk is. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3537 text/xml public 2026-04-29T10:18:16 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-01 26/1337 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3537 text/html public 2026-04-29T10:17:17 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3537 Rechtbank Rotterdam , 01-04-2026 / 26/1337 Verzoek om een proceskostenveroordeling na intrekking van een verzoek om een voorlopige voorziening. Het griffierecht is niet betaald. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/1337 uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2026 in de zaak tussen [naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. R. Moghni), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (gemachtigde: mr. Z. Abachi). Inleiding 1. Met het bestreden besluit van 4 februari 2026 heeft het college de uitbetaling van verzoekers bijstandsuitkering geblokkeerd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2. Het college heeft de rechtbank op 5 maart 2026 laten weten dat er geen sprake meer is van een blokkade en dat verzoekers uitkering op 26 februari 2026 is uitbetaald. 3. Verzoeker heeft vervolgens het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. 4. De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft bij brief van 26 maart 2026 gereageerd. 5. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de voorzieningenrechter 6. Het betalen van het verschuldigde griffierecht vormt een voorwaarde voor de toegang tot de voorzieningenrechter. Dat geldt ook als om een proceskostenveroordeling wordt gevraagd bij de intrekking van een verzoek om een voorlopige voorziening. Dit betekent dat er pas aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om proceskostenveroordeling wordt toegekomen als het griffierecht betaald is. 7. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 54,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. 8. Verzoeker heeft op 17 februari 2026 een beroep op betalingsonmacht gedaan. Met de brief van 2 maart 2026 is het beroep op betalingsonmacht afgewezen. De griffier heeft verzoeker vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 4 maart 2026 in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 6 maart 2026 om 10:31 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Er is niet gebleken dat er een verontschuldiging is voor dit verzuim. 9. Op grond van het bovenstaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat er geen inhoudelijke beoordeling kan plaatsvinden en dat het verzoek van verzoeker om het college te veroordelen in de kosten van de procedure kennelijk niet-ontvankelijk is. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.