Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-01
ECLI:NL:RBROT:2026:3536
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
3,893 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3536 text/xml public 2026-04-29T10:16:16 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-01 26/1229 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3536 text/html public 2026-04-29T10:14:39 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3536 Rechtbank Rotterdam , 01-04-2026 / 26/1229 Verzoek om een voorlopige voorziening. Het UWV heeft verzoeksters ZW-uitkering beëindigd. Verzoekster wil dat dit besluit wordt geschorst. De voorzieningenrechter heeft echter onvoldoende twijfel aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid door het UWV. Het verzoek wordt daarom afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/1229 uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2026 in de zaak tussen [naam verzoekster] , [plaats] , verzoekster (gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: [naam gemachtigde 2] ). Samenvatting Het UWV heeft verzoeksters ZW-uitkering beëindigd. Verzoekster wil dat dit besluit wordt geschorst. De voorzieningenrechter heeft echter onvoldoende twijfel aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid door het UWV. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Procesverloop 1. Met het bestreden besluit van 20 september 2024 heeft het UWV de ZW-uitkering van verzoekster beëindigd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [persoon A] (verzoeksters vader) en de gemachtigde van het UWV. Beoordeling door de voorzieningenrechter Wat is er gebeurd? 3. Verzoekster werkte als productmedewerker bij [bedrijf X] . voor 32 uur per week, op basis van een jaarcontract van 9 januari 2023 tot 9 januari 2024. Op 12 februari 2023 is de auto waarin zij reed, van achteren aangereden. Kort daarvoor had verzoekster ook al een aanrijding meegemaakt. Verzoekster heeft zich op 13 februari 2023 ziek gemeld. Verzoekster ontving sinds 9 januari 2024 een ZW-uitkering. 4. Op 5 augustus 2024 heeft verzoekster het spreekuur van arts van het UWV bezocht in verband met de beoordeling of zij in het tweede jaar van haar ziekte nog steeds recht heeft op een ZW-uitkering. In het rapport van de arts van 6 augustus 2024 staat dat verzoekster diverse klachten heeft. De arts heeft verzoeksters beperkingen vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van diezelfde datum. 5. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat verzoekster haar eigen werk niet meer kan doen. Zij heeft vervolgens onderzocht of verzoekster met haar mogelijkheden en beperkingen geschikt is om ander werk te doen. De arbeidsdeskundige heeft een aantal functies geselecteerd die verzoekster nog zou kunnen doen. Met die werkzaamheden zou ze volgens de arbeidsdeskundige (kort gezegd) meer dan 65% van haar loon als productmedewerker kunnen verdienen. Waar gaat het in deze zaak om? 6. Het UWV heeft verzoeksters ZW-uitkering beëindigd per 21 oktober 2024 omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst, zodat haar ZW-uitkering weer wordt uitbetaald. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af 7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. Is er een spoedeisend belang? 8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. 9. Verzoekster heeft tot 21 oktober 2024 een ZW-uitkering ontvangen. Vervolgens heeft zij van 21 oktober 2024 tot 21 september 2025 een WW-uitkering gekregen. Verzoekster komt vanwege de inkomsten van haar echtgenoot niet in aanmerking voor een (aanvullende) bijstandsuitkering. Ook zou zij van de verzekeraar geen verdere schadevergoeding meer krijgen, omdat zij volgens het UWV volledig arbeidsgeschikt is. Volgens verzoekster betaalt haar echtgenoot nu de vaste lasten, maar hebben zij hun maandelijkse lasten noodgedwongen moeten verlagen. Verzoekster heeft hiervan ook bewijsstukken overgelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat de terugval in inkomsten substantiële gevolgen heeft voor de financiële situatie van het gezin. Daarbij komt dat er grote achterstanden zijn bij het UWV en een beslissing op bezwaar niet op korte termijn is te verwachten. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Waarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af? 10. Verzoekster voert als hoofdargument aan dat de verzekeringsarts haar beperkingen op 5 augustus 2024 (de beoordelingsdatum) structureel heeft onderschat. De verzekeringsarts gaat ten onrechte uit van een belastbaarheid die gebaseerd is op wat zij incidenteel kan, in plaats van wat zij structureel kan volhouden. Volgens verzoekster blijkt uit stukken van het Triage Medisch Adviesbureau en de bedrijfsarts dat zij aanhoudende klachten en beperkingen heeft die passen bij een Whiplash Associated Disorder. Zij is beperkt belastbaar en pogingen tot opbouw van activiteiten leiden tot toename van de klachten. 11. Om aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe informatie nodig van een arts, medisch behandelaar of een deskundige. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de stukken van het Triage Medisch Adviesbureau en de bedrijfsarts niet evident blijkt dat het rapport van de arts van het UWV niet klopt. Verzoekster heeft verklaard dat zij heeft geprobeerd om weer 32 uur per week te gaan werken, maar dat zij dit niet kon volhouden. Verzoekster heeft een nieuw, uitgebreid dagverhaal ingebracht om uit te leggen hoe in de periode rond augustus 2024 een gemiddelde slechte dag er voor haar uitzag. Dit zijn echter geen objectieve gegevens, zodat de voorzieningenrechter daar niet op af kan gaan. De voorzieningenrechter moet er vooralsnog van uitgaan dat de beperkingen in de FML juist zijn. 12. De voorzieningenrechter overweegt verder nog dat uit de door verzoekster overgelegde stukken niet blijkt dat zij zich op dit moment in een zodanig acute financiële situatie bevindt dat alleen om die reden al een voorlopige voorziening zou moeten worden getroffen. Conclusie en gevolgen 13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het UWV vooralsnog geen voorschot op een ZW-uitkering hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3536 text/xml public 2026-04-29T10:16:16 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-01 26/1229 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3536 text/html public 2026-04-29T10:14:39 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3536 Rechtbank Rotterdam , 01-04-2026 / 26/1229 Verzoek om een voorlopige voorziening. Het UWV heeft verzoeksters ZW-uitkering beëindigd. Verzoekster wil dat dit besluit wordt geschorst. De voorzieningenrechter heeft echter onvoldoende twijfel aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid door het UWV. Het verzoek wordt daarom afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/1229 uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2026 in de zaak tussen [naam verzoekster] , [plaats] , verzoekster (gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: [naam gemachtigde 2] ). Samenvatting Het UWV heeft verzoeksters ZW-uitkering beëindigd. Verzoekster wil dat dit besluit wordt geschorst. De voorzieningenrechter heeft echter onvoldoende twijfel aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid door het UWV. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Procesverloop 1. Met het bestreden besluit van 20 september 2024 heeft het UWV de ZW-uitkering van verzoekster beëindigd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [persoon A] (verzoeksters vader) en de gemachtigde van het UWV. Beoordeling door de voorzieningenrechter Wat is er gebeurd? 3. Verzoekster werkte als productmedewerker bij [bedrijf X] . voor 32 uur per week, op basis van een jaarcontract van 9 januari 2023 tot 9 januari 2024. Op 12 februari 2023 is de auto waarin zij reed, van achteren aangereden. Kort daarvoor had verzoekster ook al een aanrijding meegemaakt. Verzoekster heeft zich op 13 februari 2023 ziek gemeld. Verzoekster ontving sinds 9 januari 2024 een ZW-uitkering. 4. Op 5 augustus 2024 heeft verzoekster het spreekuur van arts van het UWV bezocht in verband met de beoordeling of zij in het tweede jaar van haar ziekte nog steeds recht heeft op een ZW-uitkering. In het rapport van de arts van 6 augustus 2024 staat dat verzoekster diverse klachten heeft. De arts heeft verzoeksters beperkingen vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van diezelfde datum. 5. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat verzoekster haar eigen werk niet meer kan doen. Zij heeft vervolgens onderzocht of verzoekster met haar mogelijkheden en beperkingen geschikt is om ander werk te doen. De arbeidsdeskundige heeft een aantal functies geselecteerd die verzoekster nog zou kunnen doen. Met die werkzaamheden zou ze volgens de arbeidsdeskundige (kort gezegd) meer dan 65% van haar loon als productmedewerker kunnen verdienen. Waar gaat het in deze zaak om? 6. Het UWV heeft verzoeksters ZW-uitkering beëindigd per 21 oktober 2024 omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst, zodat haar ZW-uitkering weer wordt uitbetaald. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af 7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. Is er een spoedeisend belang? 8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. 9. Verzoekster heeft tot 21 oktober 2024 een ZW-uitkering ontvangen. Vervolgens heeft zij van 21 oktober 2024 tot 21 september 2025 een WW-uitkering gekregen. Verzoekster komt vanwege de inkomsten van haar echtgenoot niet in aanmerking voor een (aanvullende) bijstandsuitkering. Ook zou zij van de verzekeraar geen verdere schadevergoeding meer krijgen, omdat zij volgens het UWV volledig arbeidsgeschikt is. Volgens verzoekster betaalt haar echtgenoot nu de vaste lasten, maar hebben zij hun maandelijkse lasten noodgedwongen moeten verlagen. Verzoekster heeft hiervan ook bewijsstukken overgelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat de terugval in inkomsten substantiële gevolgen heeft voor de financiële situatie van het gezin. Daarbij komt dat er grote achterstanden zijn bij het UWV en een beslissing op bezwaar niet op korte termijn is te verwachten. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Waarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af? 10. Verzoekster voert als hoofdargument aan dat de verzekeringsarts haar beperkingen op 5 augustus 2024 (de beoordelingsdatum) structureel heeft onderschat. De verzekeringsarts gaat ten onrechte uit van een belastbaarheid die gebaseerd is op wat zij incidenteel kan, in plaats van wat zij structureel kan volhouden. Volgens verzoekster blijkt uit stukken van het Triage Medisch Adviesbureau en de bedrijfsarts dat zij aanhoudende klachten en beperkingen heeft die passen bij een Whiplash Associated Disorder. Zij is beperkt belastbaar en pogingen tot opbouw van activiteiten leiden tot toename van de klachten. 11. Om aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe informatie nodig van een arts, medisch behandelaar of een deskundige. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de stukken van het Triage Medisch Adviesbureau en de bedrijfsarts niet evident blijkt dat het rapport van de arts van het UWV niet klopt. Verzoekster heeft verklaard dat zij heeft geprobeerd om weer 32 uur per week te gaan werken, maar dat zij dit niet kon volhouden. Verzoekster heeft een nieuw, uitgebreid dagverhaal ingebracht om uit te leggen hoe in de periode rond augustus 2024 een gemiddelde slechte dag er voor haar uitzag. Dit zijn echter geen objectieve gegevens, zodat de voorzieningenrechter daar niet op af kan gaan. De voorzieningenrechter moet er vooralsnog van uitgaan dat de beperkingen in de FML juist zijn. 12. De voorzieningenrechter overweegt verder nog dat uit de door verzoekster overgelegde stukken niet blijkt dat zij zich op dit moment in een zodanig acute financiële situatie bevindt dat alleen om die reden al een voorlopige voorziening zou moeten worden getroffen. Conclusie en gevolgen 13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het UWV vooralsnog geen voorschot op een ZW-uitkering hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.