Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-16
ECLI:NL:RBROT:2026:3499
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,021 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:3499 text/xml public 2026-03-31T09:25:19 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-16 ROT 25/4575 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3499 text/html public 2026-03-31T09:24:11 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3499 Rechtbank Rotterdam , 16-03-2026 / ROT 25/4575 Algemene Nabestaandenwet (Anw). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder op goede gronden het recht op een nabestaandenuitkering heeft herzien en de aan eiseres te veel betaalde nabestaandenuitkering van haar heeft teruggevorderd. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/4575 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit Gorinchem, eiseres (gemachtigde: mr. F. Folkers), en de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: mr. P. Stahl- de Bruin). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet (Anw). Eiseres is het niet eens met de herziening. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening van de nabestaandenuitkering. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder op goede gronden het recht op een nabestaandenuitkering heeft herzien en de aan eiseres te veel betaalde nabestaandenuitkering van haar heeft teruggevorderd. Eiseres heeft dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. 2.1. Met een besluit van 4 november 2024 heeft verweerder de nabestaandenuitkering van eiseres herzien en de daardoor ten onrechte verleende uitkering teruggevorderd. 2.2. Met een besluit van 14 november 2024 heeft verweerder laten weten het besluit van 4 november niet te herzien. Met een besluit van 23 april 2025 (het bestreden besluit) is verweerder bij de herziening en terugvordering van het besluit van 4 november 2024 gebleven. 2.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld van haar dochter [naam] en haar gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres ontving een nabestaandenuitkering. Op 3 juni 2024 is de zus van eiseres bij haar komen wonen. Om die reden heeft verweerder met het besluit van 4 november 2024 de nabestaandenuitkering van eiseres vanaf juli 2024 verlaagd van 70% naar 50% van het netto minimumloon, aangezien voor eiseres als gevolg van het inwonen van haar zus het normbedrag voor een nabestaande met een kostendeler geldt. Het vanaf 1 juli 2024 te veel betaalde bedrag aan nabestaandenuitkering heeft verweerder teruggevorderd, zijnde een bedrag van € 2.255,44. 4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de zus van eiseres een kostendeler is omdat zij op hetzelfde adres woont en dat eiseres daarom recht heeft op een nabestaandenuitkering van 50% van het netto minimumloon. Voor de toepassing van de kostendelersnorm is niet van belang of de kosten feitelijk worden gedeeld. De omstandigheid dat de zus van eiseres een verstandelijke beperking heeft en wegens het ontbreken van een verblijfsvergunning geen uitkering ontving, zodat de kosten niet feitelijk worden gedeeld, leidt niet tot een andere beslissing. Verder zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan van terugvordering moet worden afgezien. Wettelijk kader 5. Op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, van de Anw eindigt het recht op nabestaandenuitkering indien de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Anw wordt de bruto-nabestaandenuitkering op een zodanig bedrag vastgesteld, dat nadat de over dat bedrag in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964), is afgetrokken, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 70% van het netto-minimumloon. In artikel 17, tweede lid, van de Anw wordt in afwijking van het eerste lid de bruto-nabestaandenuitkering van de nabestaande, zolang hij een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende voert, op een zodanig bedrag vastgesteld, dat nadat de over dat bedrag in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet LB 1964, is afgetrokken, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 50% van het netto-minimumloon. In artikel 17, vijfde lid, van de Anw wordt in afwijking van het eerste lid de bruto-nabestaandenuitkering van de nabestaande die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, op een zodanig bedrag vastgesteld, dat nadat de over dat bedrag in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet LB 1964, is afgetrokken, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 50% van het netto-minimumloon. Verweerder heeft de nabestaandenuitkering terecht herzien 6.1. Eiseres betoogt dat haar nabestaandenuitkering ten onrechte is herzien. Ze voert aan dat er geen sprake is van een kostendeler, omdat de persoon die bij haar in huis woont verstandelijk beperkt is en geen verblijfsvergunning heeft, en daardoor ook geen inkomsten en geen uitkering. Door de toepassing van de kostendelersnorm komt eiseres in de financiële problemen. Eiseres voert aan dat bij het bestreden besluit onvoldoende rekening gehouden is met haar persoonlijke omstandigheden en dat het in strijd is met het zorgvuldigheids-, het motiverings- en het evenredigheidsbeginsel. 6.2. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat op grond van artikel 17, vijfde lid, van de Anw de nabestaande die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft in aanmerking komt voor een nabestaandenuitkering van 50% van het netto-minimumloon. Niet in geschil is dat eiseres vanaf 3 juli 2024 haar hoofdverblijf deelt ten behoeve van de verzorging van haar zus, die hulpbehoevend is. Eiseres heeft daarom op grond van artikel 17, vijfde lid, van de Anw recht op een nabestaandenuitkering van 50% van het netto-minimumloon. 6.3. Of medebewoners de kosten feitelijk delen en of zij daadwerkelijk bijdragen in de woonlasten, is voor de toepassing van de kostendelersnorm niet van belang. Uitgangspunt is dat de mogelijkheid bestaat om kosten te delen, ongeacht de persoonlijke omstandigheden van de medebewoner. De Anw biedt verweerder niet de mogelijkheid de nabestaandenuitkering af te stemmen op de individuele omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Artikel 17, vijfde lid, van de Anw schrijft dwingend voor dat, behoudens de gevallen in het zesde en zevende lid van dat artikel genoemd, in geval een nabestaande met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 50% van het netto-minimumloon. Zoals de Raad eerder heeft overwogen staat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan toetsing van een artikel in een wet in formele zin, zoals in dit geval artikel 17 van de Anw, aan het evenredigheidsbeginsel in de weg.