Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-25
ECLI:NL:RBROT:2026:3487
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,178 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3487 text/xml public 2026-04-29T11:05:46 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-25 C/10/703574 / HA ZA 25-612 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3487 text/html public 2026-04-29T11:05:22 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3487 Rechtbank Rotterdam , 25-03-2026 / C/10/703574 / HA ZA 25-612 Matiging van een contractuele boete uit een koopovereenkomst. RECHTBANK Rotterdam team handel en haven Zaaknummer: C/10/703574 / HA ZA 25-612 Vonnis van 25 maart 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats] , 2 2. [eiser 2] , wonende te [woonplaats] , eisers, advocaat: mr. R.H. de Vries, tegen [gedaagde] , wonende te [plaats] , gedaagde, advocaat: mr. T.W. Phea. Partijen worden hierna ook “ [eisers] e.a.” en “ [gedaagde] ” genoemd. 1 De zaak in het kort Deze zaak gaat over de in een koopovereenkomst tussen [eisers] e.a. en [gedaagde] opgenomen boete van € 49.600,- en de vraag of die boete moet worden gematigd op grond van artikel 6:94 BW. De rechtbank komt in dit vonnis tot het oordeel dat de boete onder de gegeven omstandigheden tot een onaanvaardbaar resultaat leidt en matigt de boete tot een bedrag van € 7.500,-. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 30 juni 2025, met productie 1 t/m 21; - de conclusie van antwoord, met productie 1 t/m 13; - de aanvullende akte van [eisers] e.a., met productie 22 t/m 28; - de aanvullende akte van [gedaagde] , met productie 14 t/m 20; - de aanvullende akte uitlating producties van [eisers] ; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de e-mail van de rechtbank met een zittingsagenda; - de mondelinge behandeling van 29 januari 2026. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [eisers] e.a. zijn broer en zus. Zij hebben in 2024 een woning te [woonplaats] (hierna de “woning”) verkregen uit de erfenis van hun vader. 3.2. Op 31 oktober 2024 hebben [eisers] e.a. en [gedaagde] een koopovereenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] de woning zou kopen voor een bedrag van € 496.000,- (hierna de “koopovereenkomst”). 3.3. De koopovereenkomst bevat een financieringsvoorbehoud dat door [gedaagde] op uiterlijk 29 november 2024 kon worden ingeroepen. De koopovereenkomst bepaalt verder, kort gezegd, dat de koopovereenkomst zonder rechterlijke tussenkomst kan worden ontbonden als een van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van een of meer van diens uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. In dat geval is de nalatige partij een direct opeisbare boete van 10% van de koopsom verschuldigd aan de wederpartij. 3.4. Op 29 november 2024, de datum waarop [gedaagde] het financieringsvoorbehoud uiterlijk kon inroepen, berichtte [gedaagde] de makelaar van [eisers] e.a. per e-mail dat ze nog wat tijd nodig had om alles in orde te maken. In reactie op die e-mail verzocht de makelaar van [eisers] e.a. om een nadere toelichting van [gedaagde] . 3.5. Op 9 december 2024 sommeerde de makelaar van [eisers] e.a. [gedaagde] om haar verplichting onder de koopovereenkomst tot het stellen van een bankgarantie/storten van een waarborgsom na te komen. 3.6. Op 19 december 2024 sommeerde de advocaat van [eisers] e.a. [gedaagde] per brief wederom om haar verplichtingen uit de koopovereenkomst binnen 15 dagen na te komen. In die brief schreef de advocaat bovendien dat [eisers] e.a. de overeenkomst reeds ontbonden voor het geval dat [gedaagde] niet aan de sommatie zou voldoen. 3.7. Vervolgens zijn [eisers] e.a. en (een adviseur van) [gedaagde] in gesprek getreden, waarna [eisers] e.a. [gedaagde] , onder nadere voorwaarden, uitstel hebben aangeboden. Dat uitstel hield in dat [gedaagde] tot 24 december 2024 kreeg voor het stellen van de bankgarantie/betalen van de waarborgsom en dat de levering van de woning zou plaatsvinden op uiterlijk 31 januari 2025. [gedaagde] was daarmee akkoord, maar gaf aan dat de bankgarantie “ een aantal dagen later ” zou volgen dan 30 december 2024. 3.8. Op 10 januari 2025 hebben [eisers] e.a. [gedaagde] wederom uitstel verleend voor het stellen van de bankgarantie/betalen van de waarborgsom tot 24 januari 2024. 3.9. Op 3 februari 2025 was door [gedaagde] nog geen bankgarantie gesteld of waarborgsom betaald en had geen overdracht van de woning plaatsgevonden. [eisers] e.a. hebben [gedaagde] op die datum bevestigd dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, dan wel door [eisers] e.a. werd ontbonden. [eisers] e.a. hebben in die brief ook aanspraak gemaakt op de contractuele boete en de buitengerechtelijke incassokosten. 3.10. Op 17 maart 2025 hebben [eisers] e.a. de woning voor een bedrag van € 490.000,- verkocht aan een derde. 3.11. Op 18 februari 2025 hebben [eisers] e.a. [gedaagde] gesommeerd om op uiterlijk 5 maart 2025 over te gaan tot betaling van de contractuele boete en de buitengerechtelijke incassokosten. [eisers] e.a. hebben daarbij aangezegd dat zij vanaf 5 maart 2025 aanspraak zullen maken op de wettelijke rente. 4 Het geschil 4.1. [eisers] e.a. vorderen in deze procedure, uitvoerbaar bij voorraad, nakoming van de in de koopovereenkomst overeengekomen boeteclausule, op grond waarvan [gedaagde] een bedrag van € 49.600,- aan hen verschuldigd is. [eisers] e.a. vorderen daarnaast een bedrag van € 6.958,- aan buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 4.2. [gedaagde] is het niet eens met de eis. Zij betwist niet dat zij de contractuele boete verschuldigd is, maar doet een beroep op matiging van de boete tot een bedrag van € 6.000,-, althans tot een door de rechtbank te bepalen bedrag. [gedaagde] vordert daarnaast, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [eisers] e.a. in de kosten van deze procedure. 5 De beoordeling Juridisch kader 5.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de contractuele boete uit de koopovereenkomst moet worden gematigd, en zo ja, tot welk bedrag. 5.2. Op grond van artikel 6:94 BW kan de rechter een contractuele boete matigen, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Deze maatstaf betekent dat matiging alleen aan de orde is als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zijn de omstandigheden van het geval beslissend, waaronder de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Artikel 6:94 BW bepaalt verder dat aan [eisers] e.a. niet minder kan worden toegekend dan de schadevergoeding waarop zij op grond van de wet recht zouden hebben. De contractuele boete wordt gematigd tot een bedrag van € 7.500,- 5.3. De rechtbank is van oordeel dat de contractuele boete van € 49.600,- tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt als bedoeld in artikel 6:94 BW. De rechtbank licht dit toe. 5.4. In de eerste plaats acht de rechtbank van belang dat de boetebepaling is opgesteld door de makelaar van [eisers] e.a. aan de hand van de daarvoor gebruikelijke standaard en dat over het boetebeding niet is onderhandeld. [gedaagde] werd zelf niet bijgestaan door een makelaar en heeft onbetwist aangevoerd dat zij zich niet bewust is geweest van het boetebeding en de gevolgen daarvan. [eisers] e.a. hebben ook niet gesteld dat [gedaagde] bij het sluiten de koopovereenkomst op het boetebeding is gewezen. 5.5. Daar komt bij dat naar het oordeel van de rechtbank een wanverhouding bestaat tussen de gevorderde boete van € 49.500,- en de schade die [eisers] e.a. daadwerkelijk hebben geleden als gevolg van de ontbinding van de koopovereenkomst. Die schade moet worden bepaald aan de hand van een vergelijking tussen de werkelijke situatie zoals die zich heeft voorgedaan en de hypothetische situatie waarin [gedaagde] geen wanprestatie zou hebben gepleegd. De door [eisers] e.a. werkelijk geleden schade bedraagt naar het oordeel van de rechtbank € 6.139,04.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3487 text/xml public 2026-04-29T11:05:46 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-25 C/10/703574 / HA ZA 25-612 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3487 text/html public 2026-04-29T11:05:22 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3487 Rechtbank Rotterdam , 25-03-2026 / C/10/703574 / HA ZA 25-612 Matiging van een contractuele boete uit een koopovereenkomst. RECHTBANK Rotterdam team handel en haven Zaaknummer: C/10/703574 / HA ZA 25-612 Vonnis van 25 maart 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats] , 2 2. [eiser 2] , wonende te [woonplaats] , eisers, advocaat: mr. R.H. de Vries, tegen [gedaagde] , wonende te [plaats] , gedaagde, advocaat: mr. T.W. Phea. Partijen worden hierna ook “ [eisers] e.a.” en “ [gedaagde] ” genoemd. 1 De zaak in het kort Deze zaak gaat over de in een koopovereenkomst tussen [eisers] e.a. en [gedaagde] opgenomen boete van € 49.600,- en de vraag of die boete moet worden gematigd op grond van artikel 6:94 BW. De rechtbank komt in dit vonnis tot het oordeel dat de boete onder de gegeven omstandigheden tot een onaanvaardbaar resultaat leidt en matigt de boete tot een bedrag van € 7.500,-. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 30 juni 2025, met productie 1 t/m 21; - de conclusie van antwoord, met productie 1 t/m 13; - de aanvullende akte van [eisers] e.a., met productie 22 t/m 28; - de aanvullende akte van [gedaagde] , met productie 14 t/m 20; - de aanvullende akte uitlating producties van [eisers] ; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de e-mail van de rechtbank met een zittingsagenda; - de mondelinge behandeling van 29 januari 2026. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [eisers] e.a. zijn broer en zus. Zij hebben in 2024 een woning te [woonplaats] (hierna de “woning”) verkregen uit de erfenis van hun vader. 3.2. Op 31 oktober 2024 hebben [eisers] e.a. en [gedaagde] een koopovereenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] de woning zou kopen voor een bedrag van € 496.000,- (hierna de “koopovereenkomst”). 3.3. De koopovereenkomst bevat een financieringsvoorbehoud dat door [gedaagde] op uiterlijk 29 november 2024 kon worden ingeroepen. De koopovereenkomst bepaalt verder, kort gezegd, dat de koopovereenkomst zonder rechterlijke tussenkomst kan worden ontbonden als een van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van een of meer van diens uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. In dat geval is de nalatige partij een direct opeisbare boete van 10% van de koopsom verschuldigd aan de wederpartij. 3.4. Op 29 november 2024, de datum waarop [gedaagde] het financieringsvoorbehoud uiterlijk kon inroepen, berichtte [gedaagde] de makelaar van [eisers] e.a. per e-mail dat ze nog wat tijd nodig had om alles in orde te maken. In reactie op die e-mail verzocht de makelaar van [eisers] e.a. om een nadere toelichting van [gedaagde] . 3.5. Op 9 december 2024 sommeerde de makelaar van [eisers] e.a. [gedaagde] om haar verplichting onder de koopovereenkomst tot het stellen van een bankgarantie/storten van een waarborgsom na te komen. 3.6. Op 19 december 2024 sommeerde de advocaat van [eisers] e.a. [gedaagde] per brief wederom om haar verplichtingen uit de koopovereenkomst binnen 15 dagen na te komen. In die brief schreef de advocaat bovendien dat [eisers] e.a. de overeenkomst reeds ontbonden voor het geval dat [gedaagde] niet aan de sommatie zou voldoen. 3.7. Vervolgens zijn [eisers] e.a. en (een adviseur van) [gedaagde] in gesprek getreden, waarna [eisers] e.a. [gedaagde] , onder nadere voorwaarden, uitstel hebben aangeboden. Dat uitstel hield in dat [gedaagde] tot 24 december 2024 kreeg voor het stellen van de bankgarantie/betalen van de waarborgsom en dat de levering van de woning zou plaatsvinden op uiterlijk 31 januari 2025. [gedaagde] was daarmee akkoord, maar gaf aan dat de bankgarantie “ een aantal dagen later ” zou volgen dan 30 december 2024. 3.8. Op 10 januari 2025 hebben [eisers] e.a. [gedaagde] wederom uitstel verleend voor het stellen van de bankgarantie/betalen van de waarborgsom tot 24 januari 2024. 3.9. Op 3 februari 2025 was door [gedaagde] nog geen bankgarantie gesteld of waarborgsom betaald en had geen overdracht van de woning plaatsgevonden. [eisers] e.a. hebben [gedaagde] op die datum bevestigd dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, dan wel door [eisers] e.a. werd ontbonden. [eisers] e.a. hebben in die brief ook aanspraak gemaakt op de contractuele boete en de buitengerechtelijke incassokosten. 3.10. Op 17 maart 2025 hebben [eisers] e.a. de woning voor een bedrag van € 490.000,- verkocht aan een derde. 3.11. Op 18 februari 2025 hebben [eisers] e.a. [gedaagde] gesommeerd om op uiterlijk 5 maart 2025 over te gaan tot betaling van de contractuele boete en de buitengerechtelijke incassokosten. [eisers] e.a. hebben daarbij aangezegd dat zij vanaf 5 maart 2025 aanspraak zullen maken op de wettelijke rente. 4 Het geschil 4.1. [eisers] e.a. vorderen in deze procedure, uitvoerbaar bij voorraad, nakoming van de in de koopovereenkomst overeengekomen boeteclausule, op grond waarvan [gedaagde] een bedrag van € 49.600,- aan hen verschuldigd is. [eisers] e.a. vorderen daarnaast een bedrag van € 6.958,- aan buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 4.2. [gedaagde] is het niet eens met de eis. Zij betwist niet dat zij de contractuele boete verschuldigd is, maar doet een beroep op matiging van de boete tot een bedrag van € 6.000,-, althans tot een door de rechtbank te bepalen bedrag. [gedaagde] vordert daarnaast, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [eisers] e.a. in de kosten van deze procedure. 5 De beoordeling Juridisch kader 5.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de contractuele boete uit de koopovereenkomst moet worden gematigd, en zo ja, tot welk bedrag. 5.2. Op grond van artikel 6:94 BW kan de rechter een contractuele boete matigen, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Deze maatstaf betekent dat matiging alleen aan de orde is als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zijn de omstandigheden van het geval beslissend, waaronder de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Artikel 6:94 BW bepaalt verder dat aan [eisers] e.a. niet minder kan worden toegekend dan de schadevergoeding waarop zij op grond van de wet recht zouden hebben. De contractuele boete wordt gematigd tot een bedrag van € 7.500,- 5.3. De rechtbank is van oordeel dat de contractuele boete van € 49.600,- tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt als bedoeld in artikel 6:94 BW. De rechtbank licht dit toe. 5.4. In de eerste plaats acht de rechtbank van belang dat de boetebepaling is opgesteld door de makelaar van [eisers] e.a. aan de hand van de daarvoor gebruikelijke standaard en dat over het boetebeding niet is onderhandeld. [gedaagde] werd zelf niet bijgestaan door een makelaar en heeft onbetwist aangevoerd dat zij zich niet bewust is geweest van het boetebeding en de gevolgen daarvan. [eisers] e.a. hebben ook niet gesteld dat [gedaagde] bij het sluiten de koopovereenkomst op het boetebeding is gewezen. 5.5. Daar komt bij dat naar het oordeel van de rechtbank een wanverhouding bestaat tussen de gevorderde boete van € 49.500,- en de schade die [eisers] e.a. daadwerkelijk hebben geleden als gevolg van de ontbinding van de koopovereenkomst. Die schade moet worden bepaald aan de hand van een vergelijking tussen de werkelijke situatie zoals die zich heeft voorgedaan en de hypothetische situatie waarin [gedaagde] geen wanprestatie zou hebben gepleegd. De door [eisers] e.a. werkelijk geleden schade bedraagt naar het oordeel van de rechtbank € 6.139,04.
Volledig
De rechtbank komt als volgt tot dit bedrag. 5.6. [gedaagde] was op grond van de koopovereenkomst een koopprijs van € 496.000,- aan [eisers] e.a. verschuldigd. Na de ontbinding hebben [eisers] e.a. de woning voor een bedrag van € 490.000,- verkocht. Dit betekent dat [eisers] e.a. in ieder geval een bedrag van € 6.000,- aan schade hebben geleden als gevolg van de ontbinding van de koopovereenkomst met [gedaagde] . De rechtbank volgt [gedaagde] niet in haar betoog dat [eisers] e.a. de woning voor een hoger bedrag hadden kunnen verkopen en de schade dus mede aan zichzelf hebben te wijten. [gedaagde] heeft die stelling naar het oordeel de rechtbank onvoldoende onderbouwd door te verwijzen naar de WOZ-waarde van de woning en de algemene stelling dat de huizenprijzen zijn gestegen. [gedaagde] heeft bijvoorbeeld niet gewezen op het bestaan van concrete hogere aanbiedingen die door [eisers] e.a. zouden zijn afgewezen. 5.7. Daarnaast voorzag de koopovereenkomst tussen [eisers] e.a. en [gedaagde] , na het meermaals door [eisers] e.a. verleende uitstel, in een levering op uiterlijk 31 januari 2025. [eisers] e.a. hebben de woning uiteindelijk op 17 maart 2025, en dus anderhalve maand later, verkocht. Dit betekent dat ook de kosten die [eisers] e.a. gedurende die periode hebben moeten maken in verband met de woning schade betreft die zij hebben geleden als gevolg van de ontbinding. Die kosten bestaan, zo volgt uit de met bankafschriften onderbouwde stellingen van [eisers] e.a., uit een bedrag van € 45,54 aan hypotheeklasten, € 61,50 aan gemeentelijke belasting en € 32,- aan waterschapsbelasting. 5.8. De rechtbank volgt [eisers] e.a. niet in hun betoog dat bij het bepalen van de door hen geleden schade rekening gehouden moet worden met een contractuele dagboete van € 5.000,- die zij zijn misgelopen, de door hen gemaakte advocaatkosten van bijna € 25.000,- en de door hen betaalde voorschotten voor water en energie. De rechtbank licht dit voor deze schadeposten toe. 5.9. De rechtbank gaat ervan uit dat [eisers] e.a. met de misgelopen dagboete van € 5.000,- doelen op de dagboete uit artikel 11.3 van de koopovereenkomst die per dag 3‰ van de koopprijs bedraagt en die maximaal 10% van de koopprijs bedraagt. [eisers] e.a. hebben echter niet toegelicht hoe die contractuele dagboete zich verhoudt tot de door hen in deze procedure gevorderde ontbindingsboete van 10% van de koopprijs, en waarom bij het bepalen van de daadwerkelijk door hen geleden schade rekening moet worden gehouden met die contractuele dagboete. Dat had wel op hun weggelegen, omdat de contractuele dagboete (net als de gevorderde ontbindingsboete) een contractueel gefixeerd bedrag is, die losstaat van de daadwerkelijk geleden schade. 5.10. Ten aanzien van de advocaatkosten is de rechtbank van oordeel dat deze deels vallen onder de buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub c BW en deels onder de proceskosten als bedoeld in artikel 237 tot en met 240 Rv. Deze kosten worden door [eisers] e.a. in deze procedure naast de contractuele boete gevorderd. De rechtbank zal deze kosten hierna dan ook afzonderlijk beoordelen aan de hand van de daarop van toepassing zijnde bepalingen en niet meenemen bij het bepalen van de werkelijke schade van [eisers] e.a. De verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten is op grond van 6:96 lid 5 en 6 BW en het BIK besluit namelijk gemaximeerd en aan nadere regels onderworpen. Van die regels kan ten aanzien van een schuldenaar die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (zoals [gedaagde] ) niet (via een boetebeding) worden afgeweken. Als de werkelijke incassokosten zouden worden meegenomen bij het bepalen van de werkelijke schade en de vraag of en tot welk bedrag de boete moet worden gematigd zou dit feitelijk tot gevolg hebben dat [gedaagde] de werkelijke incassokosten, als onderdeel van de contractuele boete, aan [eisers] e.a. zou vergoeden. Ten aanzien van de door [eisers] gemaakte proceskosten geldt dat [gedaagde] in dit vonnis in de proceskosten zal worden veroordeeld (zie hierna sub 5.17). Als de gemaakte proceskosten ook als werkelijke schade zouden worden meegerekend bij het beoordelen van de vraag of en tot welk bedrag de contractuele boete kan worden gematigd dan leidt dit er feitelijk toe dat [eisers] e.a. (meer dan) hun werkelijke proceskosten vergoed krijgen. Voor een vergoeding van de werkelijke proceskosten bestaat echter alleen ruimte in geval van bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld van misbruik van procesrecht. Dat hiervan sprake is, is niet gesteld of gebleken. 5.11. De gemaakte water- en energiekosten hebben [eisers] e.a. naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Zij hebben namelijk slechts verwezen naar de door hen betaalde voorschotten, maar zij hebben niet toegelicht dat zij ook daadwerkelijk energie- en waterkosten hebben gemaakt. Dit had wel op hun weg gelegen aangezien vaststaat dat de woning leegstond. 5.12. De rechtbank heeft in de stellingen van [eisers] e.a. geen aanknopingspunten gevonden voor andere door hen geleden schade. Dit betekent dat [eisers] e.a. (los van de door het gemaakte advocaatkosten) schade hebben geleden voor een bedrag € 6.139,04. Dat bedrag staat naar het oordeel van de rechtbank niet in een redelijke verhouding tot de hoogte van de boete van € 49.600,-. 5.13. De boete heeft echter niet alleen tot doel de schade te vergoeden. De boete betreft ook een prikkel tot nakoming. Het belang dat [eisers] e.a. hadden bij nakoming door [gedaagde] is naar het oordeel van de rechtbank breder dan hun vermogensrechtelijk belang. [eisers] e.a. hebben ook onbetwist aangevoerd dat zij veel last hebben gehad van de stress en onzekerheid die is veroorzaakt door de ontbinding van de koopovereenkomst. Bovendien acht de rechtbank van belang dat [eisers] e.a. de ontbinding (en het boetebeding) pas hebben ingeroepen nadat zij [gedaagde] op haar verzoek meermaals uitstel hebben verleend voor het nakomen van haar verplichtingen onder de koopovereenkomst. Ook is van belang dat [gedaagde] de met [eisers] e.a. overeengekomen termijnen heeft laten verstrijken zonder [eisers] e.a. van te voren op de hoogte te stellen, en dat [gedaagde] ook in deze procedure geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door haar gepleegde wanprestatie. 5.14. Al het bovenstaande in aanmerking nemende zal de rechtbank de boete matigen tot een bedrag van € 7.500,-. [gedaagde] moet wettelijke rente betalen 5.15. [eisers] e.a. vorderen wettelijke rente over het door [gedaagde] verschuldigde bedrag vanaf 5 maart 2025. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe, omdat [eisers] e.a. genoeg omstandigheden hebben gesteld waaruit volgt dat [gedaagde] vanaf in ieder geval 5 maart 2025 in verzuim verkeerde en [gedaagde] dat niet heeft betwist. [gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen 5.16. [eisers] e.a. vorderen een bedrag van € 6.958,- aan buitengerechtelijke incassokosten. Voor deze vordering is van belang dat [gedaagde] de koopovereenkomst heeft gesloten als consument (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Artikel 6:96 lid 6 BW bepaalt immers dat een consument alleen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is als de schuldeiser een aanmaning aan die consument heeft gestuurd waarin de consument een termijn van veertien dagen heeft gekregen, die ingaat op de dag na de aanmaning, om de vordering alsnog te betalen. Die aanmaning moet ook de buitengerechtelijke kosten vermelden die de consument moet betalen als hij de hoofdsom niet tijdig betaalt. De door [eisers] e.a. aan [gedaagde] verstuurde aanmaningen voldoen niet aan de deze vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW. De rechtbank wijst de buitengerechtelijke incassokosten daarom af. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 5.17. Hoewel beide partijen in dit vonnis gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. [gedaagde] wordt in dit vonnis namelijk veroordeeld tot het betalen van de boete aan [eisers] e.a. en uit de stellingen en processtukken van partijen maakt de rechtbank op dat het voor [eisers] e.a.
Volledig
De rechtbank komt als volgt tot dit bedrag. 5.6. [gedaagde] was op grond van de koopovereenkomst een koopprijs van € 496.000,- aan [eisers] e.a. verschuldigd. Na de ontbinding hebben [eisers] e.a. de woning voor een bedrag van € 490.000,- verkocht. Dit betekent dat [eisers] e.a. in ieder geval een bedrag van € 6.000,- aan schade hebben geleden als gevolg van de ontbinding van de koopovereenkomst met [gedaagde] . De rechtbank volgt [gedaagde] niet in haar betoog dat [eisers] e.a. de woning voor een hoger bedrag hadden kunnen verkopen en de schade dus mede aan zichzelf hebben te wijten. [gedaagde] heeft die stelling naar het oordeel de rechtbank onvoldoende onderbouwd door te verwijzen naar de WOZ-waarde van de woning en de algemene stelling dat de huizenprijzen zijn gestegen. [gedaagde] heeft bijvoorbeeld niet gewezen op het bestaan van concrete hogere aanbiedingen die door [eisers] e.a. zouden zijn afgewezen. 5.7. Daarnaast voorzag de koopovereenkomst tussen [eisers] e.a. en [gedaagde] , na het meermaals door [eisers] e.a. verleende uitstel, in een levering op uiterlijk 31 januari 2025. [eisers] e.a. hebben de woning uiteindelijk op 17 maart 2025, en dus anderhalve maand later, verkocht. Dit betekent dat ook de kosten die [eisers] e.a. gedurende die periode hebben moeten maken in verband met de woning schade betreft die zij hebben geleden als gevolg van de ontbinding. Die kosten bestaan, zo volgt uit de met bankafschriften onderbouwde stellingen van [eisers] e.a., uit een bedrag van € 45,54 aan hypotheeklasten, € 61,50 aan gemeentelijke belasting en € 32,- aan waterschapsbelasting. 5.8. De rechtbank volgt [eisers] e.a. niet in hun betoog dat bij het bepalen van de door hen geleden schade rekening gehouden moet worden met een contractuele dagboete van € 5.000,- die zij zijn misgelopen, de door hen gemaakte advocaatkosten van bijna € 25.000,- en de door hen betaalde voorschotten voor water en energie. De rechtbank licht dit voor deze schadeposten toe. 5.9. De rechtbank gaat ervan uit dat [eisers] e.a. met de misgelopen dagboete van € 5.000,- doelen op de dagboete uit artikel 11.3 van de koopovereenkomst die per dag 3‰ van de koopprijs bedraagt en die maximaal 10% van de koopprijs bedraagt. [eisers] e.a. hebben echter niet toegelicht hoe die contractuele dagboete zich verhoudt tot de door hen in deze procedure gevorderde ontbindingsboete van 10% van de koopprijs, en waarom bij het bepalen van de daadwerkelijk door hen geleden schade rekening moet worden gehouden met die contractuele dagboete. Dat had wel op hun weggelegen, omdat de contractuele dagboete (net als de gevorderde ontbindingsboete) een contractueel gefixeerd bedrag is, die losstaat van de daadwerkelijk geleden schade. 5.10. Ten aanzien van de advocaatkosten is de rechtbank van oordeel dat deze deels vallen onder de buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub c BW en deels onder de proceskosten als bedoeld in artikel 237 tot en met 240 Rv. Deze kosten worden door [eisers] e.a. in deze procedure naast de contractuele boete gevorderd. De rechtbank zal deze kosten hierna dan ook afzonderlijk beoordelen aan de hand van de daarop van toepassing zijnde bepalingen en niet meenemen bij het bepalen van de werkelijke schade van [eisers] e.a. De verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten is op grond van 6:96 lid 5 en 6 BW en het BIK besluit namelijk gemaximeerd en aan nadere regels onderworpen. Van die regels kan ten aanzien van een schuldenaar die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (zoals [gedaagde] ) niet (via een boetebeding) worden afgeweken. Als de werkelijke incassokosten zouden worden meegenomen bij het bepalen van de werkelijke schade en de vraag of en tot welk bedrag de boete moet worden gematigd zou dit feitelijk tot gevolg hebben dat [gedaagde] de werkelijke incassokosten, als onderdeel van de contractuele boete, aan [eisers] e.a. zou vergoeden. Ten aanzien van de door [eisers] gemaakte proceskosten geldt dat [gedaagde] in dit vonnis in de proceskosten zal worden veroordeeld (zie hierna sub 5.17). Als de gemaakte proceskosten ook als werkelijke schade zouden worden meegerekend bij het beoordelen van de vraag of en tot welk bedrag de contractuele boete kan worden gematigd dan leidt dit er feitelijk toe dat [eisers] e.a. (meer dan) hun werkelijke proceskosten vergoed krijgen. Voor een vergoeding van de werkelijke proceskosten bestaat echter alleen ruimte in geval van bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld van misbruik van procesrecht. Dat hiervan sprake is, is niet gesteld of gebleken. 5.11. De gemaakte water- en energiekosten hebben [eisers] e.a. naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Zij hebben namelijk slechts verwezen naar de door hen betaalde voorschotten, maar zij hebben niet toegelicht dat zij ook daadwerkelijk energie- en waterkosten hebben gemaakt. Dit had wel op hun weg gelegen aangezien vaststaat dat de woning leegstond. 5.12. De rechtbank heeft in de stellingen van [eisers] e.a. geen aanknopingspunten gevonden voor andere door hen geleden schade. Dit betekent dat [eisers] e.a. (los van de door het gemaakte advocaatkosten) schade hebben geleden voor een bedrag € 6.139,04. Dat bedrag staat naar het oordeel van de rechtbank niet in een redelijke verhouding tot de hoogte van de boete van € 49.600,-. 5.13. De boete heeft echter niet alleen tot doel de schade te vergoeden. De boete betreft ook een prikkel tot nakoming. Het belang dat [eisers] e.a. hadden bij nakoming door [gedaagde] is naar het oordeel van de rechtbank breder dan hun vermogensrechtelijk belang. [eisers] e.a. hebben ook onbetwist aangevoerd dat zij veel last hebben gehad van de stress en onzekerheid die is veroorzaakt door de ontbinding van de koopovereenkomst. Bovendien acht de rechtbank van belang dat [eisers] e.a. de ontbinding (en het boetebeding) pas hebben ingeroepen nadat zij [gedaagde] op haar verzoek meermaals uitstel hebben verleend voor het nakomen van haar verplichtingen onder de koopovereenkomst. Ook is van belang dat [gedaagde] de met [eisers] e.a. overeengekomen termijnen heeft laten verstrijken zonder [eisers] e.a. van te voren op de hoogte te stellen, en dat [gedaagde] ook in deze procedure geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door haar gepleegde wanprestatie. 5.14. Al het bovenstaande in aanmerking nemende zal de rechtbank de boete matigen tot een bedrag van € 7.500,-. [gedaagde] moet wettelijke rente betalen 5.15. [eisers] e.a. vorderen wettelijke rente over het door [gedaagde] verschuldigde bedrag vanaf 5 maart 2025. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe, omdat [eisers] e.a. genoeg omstandigheden hebben gesteld waaruit volgt dat [gedaagde] vanaf in ieder geval 5 maart 2025 in verzuim verkeerde en [gedaagde] dat niet heeft betwist. [gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen 5.16. [eisers] e.a. vorderen een bedrag van € 6.958,- aan buitengerechtelijke incassokosten. Voor deze vordering is van belang dat [gedaagde] de koopovereenkomst heeft gesloten als consument (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Artikel 6:96 lid 6 BW bepaalt immers dat een consument alleen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is als de schuldeiser een aanmaning aan die consument heeft gestuurd waarin de consument een termijn van veertien dagen heeft gekregen, die ingaat op de dag na de aanmaning, om de vordering alsnog te betalen. Die aanmaning moet ook de buitengerechtelijke kosten vermelden die de consument moet betalen als hij de hoofdsom niet tijdig betaalt. De door [eisers] e.a. aan [gedaagde] verstuurde aanmaningen voldoen niet aan de deze vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW. De rechtbank wijst de buitengerechtelijke incassokosten daarom af. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 5.17. Hoewel beide partijen in dit vonnis gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. [gedaagde] wordt in dit vonnis namelijk veroordeeld tot het betalen van de boete aan [eisers] e.a. en uit de stellingen en processtukken van partijen maakt de rechtbank op dat het voor [eisers] e.a.