Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-27
ECLI:NL:RBROT:2026:3441
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,631 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3441 text/xml public 2026-04-16T16:35:50 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-27 26/329 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3441 text/html public 2026-04-16T16:35:31 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3441 Rechtbank Rotterdam , 27-03-2026 / 26/329 Uitspraak op een beroep niet-tijdig beslissen vanwege het uitblijven van een besluit van het UWV. Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/329 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV, (gemachtigde: [persoon A] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing (beroep ntb) op het verzoek om herbeoordeling van eiseres. 1.1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. 3. Niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het verzoek om herbeoordeling is overschreden. Eiseres heeft het UWV in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het UWV zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het UWV alsnog heeft beslist op het verzoek om herbeoordeling. Het beroep is daarom gegrond. 4. Eiseres heeft verzocht de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Het UWV heeft geen dwangsombeschikking afgegeven. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de verbeurde dwangsom vaststellen op € 1.442,-. 5. Vanwege het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Dit geeft aanleiding een andere beslistermijn te bepalen dan de wettelijke beslistermijn van twee weken. De rechtbank heeft in haar uitspraken van 30 juli 2025 beslist dat na gegrondverklaring van een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een primair besluit of een besluit op bezwaar het UWV alsnog een besluit bekend dient te maken binnen 30 weken bij een werknemersberoep en binnen 40 weken bij een werkgeversberoep, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroep ntb heeft ontvangen. 5.1. De rechtbank heeft het beroep ntb ontvangen op 13 januari 2026. Het UWV dient binnen 30 weken na die datum alsnog een beslissing op het verzoek om herbeoordeling van eiseres bekend te maken. Er bestaat geen aanleiding om in dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen. 6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat het UWV een dwangsom verbeurt als het de gestelde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. 7. Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; stelt de door het UWV te betalen reeds verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-; draagt het UWV op binnen 30 weken na 13 januari 2026 alsnog een besluit op het verzoek om herbeoordeling van eiseres bekend te maken; bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Zie de uitspraken van de meervoudige kamer van 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, ECLI:NL:RBROT:2025:9225 en ECLI:NL:RBROT:2025:9226.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3441 text/xml public 2026-04-16T16:35:50 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-27 26/329 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3441 text/html public 2026-04-16T16:35:31 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3441 Rechtbank Rotterdam , 27-03-2026 / 26/329 Uitspraak op een beroep niet-tijdig beslissen vanwege het uitblijven van een besluit van het UWV. Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/329 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV, (gemachtigde: [persoon A] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing (beroep ntb) op het verzoek om herbeoordeling van eiseres. 1.1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. 3. Niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het verzoek om herbeoordeling is overschreden. Eiseres heeft het UWV in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het UWV zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het UWV alsnog heeft beslist op het verzoek om herbeoordeling. Het beroep is daarom gegrond. 4. Eiseres heeft verzocht de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Het UWV heeft geen dwangsombeschikking afgegeven. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de verbeurde dwangsom vaststellen op € 1.442,-. 5. Vanwege het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Dit geeft aanleiding een andere beslistermijn te bepalen dan de wettelijke beslistermijn van twee weken. De rechtbank heeft in haar uitspraken van 30 juli 2025 beslist dat na gegrondverklaring van een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een primair besluit of een besluit op bezwaar het UWV alsnog een besluit bekend dient te maken binnen 30 weken bij een werknemersberoep en binnen 40 weken bij een werkgeversberoep, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroep ntb heeft ontvangen. 5.1. De rechtbank heeft het beroep ntb ontvangen op 13 januari 2026. Het UWV dient binnen 30 weken na die datum alsnog een beslissing op het verzoek om herbeoordeling van eiseres bekend te maken. Er bestaat geen aanleiding om in dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen. 6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat het UWV een dwangsom verbeurt als het de gestelde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. 7. Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; stelt de door het UWV te betalen reeds verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-; draagt het UWV op binnen 30 weken na 13 januari 2026 alsnog een besluit op het verzoek om herbeoordeling van eiseres bekend te maken; bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Zie de uitspraken van de meervoudige kamer van 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, ECLI:NL:RBROT:2025:9225 en ECLI:NL:RBROT:2025:9226.