Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-25
ECLI:NL:RBROT:2026:3386
Bestuursrecht
Proces-verbaal
2,281 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3386 text/xml public 2026-04-29T10:24:00 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-25 26/2203 Uitspraak Proces-verbaal NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3386 text/html public 2026-04-29T10:22:49 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3386 Rechtbank Rotterdam , 25-03-2026 / 26/2203 Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker wil een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding door een zorgaanbieder. Er zijn voorliggende voorzieningen en er is niet gebleken dat verzoeker heeft geprobeerd om hulp te krijgen bij die instanties. Het verzoek wordt daarom afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/2203 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. D.H. van Tongerlo), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (gemachtigde: mr. T. Baltus). Inleiding 1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding door zorgaanbieder Stichting Probs4You. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 januari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het college en [persoon A] (namens het college). 4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter Wat is er gebeurd? 5. Verzoeker is 18 jaar en hij woont bij zijn vader en diens nieuwe vriendin. Het betreft een samengesteld gezin, waardoor er 9 tot 11 personen in de woning verblijven. Daarnaast heeft verzoeker twee stiefbroers met psychische aandoeningen. Verzoeker vindt het te druk in huis en het gedrag binnenshuis heeft ook effect op zijn gemoedstoestand. Hij wil hulp bij het leren omgaan en beheersen van zijn boosheid en verdriet. Hij heeft behoefte aan iemand met wie hij ventilerende gesprekken mee kan voeren. Verzoeker heeft daarom een aanvraag ingediend voor een pgb voor begeleiding bij het dagelijks leven. Waar gaat het in deze zaak om? 6. Het college heeft de aanvraag afgewezen. Volgens het college kan verzoeker de belemmeringen zelf oplossen met ondersteuning vanuit het wijknetwerk of inzet van behandeling vanuit de praktijkondersteuner huisarts (poh). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij voorlopig een Wmo-indicatie krijgt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af 7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 8. Het college stelt dat er voorliggende voorzieningen zijn, zoals de praktijkondersteuner huisarts en het wijknetwerk. Er is niet gebleken dat verzoeker heeft geprobeerd om hulp te krijgen via deze instanties. Verzoeker heeft verder nog diverse gronden aangevoerd, waaronder dat het ondersteuningsverslag onjuist en onvolledig is. De door verzoeker aangevoerde gronden leiden echter niet tot een ander oordeel, omdat die niet afdoen aan het feit dat er voorliggende voorzieningen zijn waar verzoeker een beroep op zou kunnen doen. Daarnaast is niet gebleken dat de hulp vanuit die instanties niet adequaat is. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker vooralsnog niet in aanmerking komt voor een Wmo-indicatie. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026 door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit is een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3386 text/xml public 2026-04-29T10:24:00 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-25 26/2203 Uitspraak Proces-verbaal NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3386 text/html public 2026-04-29T10:22:49 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3386 Rechtbank Rotterdam , 25-03-2026 / 26/2203 Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker wil een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding door een zorgaanbieder. Er zijn voorliggende voorzieningen en er is niet gebleken dat verzoeker heeft geprobeerd om hulp te krijgen bij die instanties. Het verzoek wordt daarom afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/2203 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. D.H. van Tongerlo), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (gemachtigde: mr. T. Baltus). Inleiding 1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding door zorgaanbieder Stichting Probs4You. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 januari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het college en [persoon A] (namens het college). 4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter Wat is er gebeurd? 5. Verzoeker is 18 jaar en hij woont bij zijn vader en diens nieuwe vriendin. Het betreft een samengesteld gezin, waardoor er 9 tot 11 personen in de woning verblijven. Daarnaast heeft verzoeker twee stiefbroers met psychische aandoeningen. Verzoeker vindt het te druk in huis en het gedrag binnenshuis heeft ook effect op zijn gemoedstoestand. Hij wil hulp bij het leren omgaan en beheersen van zijn boosheid en verdriet. Hij heeft behoefte aan iemand met wie hij ventilerende gesprekken mee kan voeren. Verzoeker heeft daarom een aanvraag ingediend voor een pgb voor begeleiding bij het dagelijks leven. Waar gaat het in deze zaak om? 6. Het college heeft de aanvraag afgewezen. Volgens het college kan verzoeker de belemmeringen zelf oplossen met ondersteuning vanuit het wijknetwerk of inzet van behandeling vanuit de praktijkondersteuner huisarts (poh). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij voorlopig een Wmo-indicatie krijgt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af 7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 8. Het college stelt dat er voorliggende voorzieningen zijn, zoals de praktijkondersteuner huisarts en het wijknetwerk. Er is niet gebleken dat verzoeker heeft geprobeerd om hulp te krijgen via deze instanties. Verzoeker heeft verder nog diverse gronden aangevoerd, waaronder dat het ondersteuningsverslag onjuist en onvolledig is. De door verzoeker aangevoerde gronden leiden echter niet tot een ander oordeel, omdat die niet afdoen aan het feit dat er voorliggende voorzieningen zijn waar verzoeker een beroep op zou kunnen doen. Daarnaast is niet gebleken dat de hulp vanuit die instanties niet adequaat is. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker vooralsnog niet in aanmerking komt voor een Wmo-indicatie. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026 door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit is een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.