Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-18
ECLI:NL:RBROT:2026:3382
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Kort geding
2,047 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:3382 text/xml public 2026-04-09T14:49:49 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-18 12095196 VV EXPL 26-82 Uitspraak Kort geding NL Rotterdam Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3382 text/html public 2026-04-09T14:48:37 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3382 Rechtbank Rotterdam , 18-02-2026 / 12095196 VV EXPL 26-82 Vonnis in kort geding. Toewijzing dwangsom voor iedere dag dat geen uitvoering gegeven wordt aan veroordeling in eerder vonnis. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 12095196 VV EXPL 26-82 datum uitspraak: 18 februari 2026 Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , woonplaats: [woonplaats] , eiser, die zelf procedeert, tegen [gedaagde] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gedaagde, vertegenwoordigd door: [persoon B] . De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 13 februari 2026, met bijlagen. 1.2. Op 16 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiser] , in het bijzijn van zijn vader [persoon A] , en met [persoon B] (hoofd administratie) voor [gedaagde] . 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. Op 5 januari 2026 is de verwarmingsinstallatie uitgevallen in de woning die [eiser] huurt van [gedaagde] . [eiser] heeft dit in januari gemeld aan [gedaagde] maar reparatie of vervanging is uitgebleven ondanks dat hij hierop meermaals aangedrongen heeft. Om deze reden is [eiser] al eerder een kort geding procedure gestart, waarin op dinsdag 4 februari 2026 vonnis gewezen is. [gedaagde] is veroordeeld om de installatie te repareren of te vervangen. Op 6 februari heeft [eiser] [gedaagde] ervan op de hoogte gesteld dat vonnis gewezen is en gevraagd naar de inzet van een installateur. Een dag later heeft hij het vonnis gemaild naar [gedaagde] . Op maandag 9 februari heeft [eiser] aan [gedaagde] gevraagd of al iets bekend is omdat hij nog steeds in de kou zit. De dag daarop heeft [eiser] het vonnis nogmaals gemaild aan [gedaagde] en gevraagd iets te laten weten, omdat hij zich anders genoodzaakt ziet een tweede kort geding procedure te starten. Een reactie hierop is uitgebleven, ook op donderdag 12 en vrijdag 13 februari toen [eiser] weer gemaild heeft naar [gedaagde] . Daarom is [eiser] opnieuw overgegaan tot dagvaarding van [gedaagde] in kort geding. [eiser] eist nu, zo de kantonrechter begrijpt, om [gedaagde] te veroordelen: de verwarming in zijn woning aan de [adres] te Rotterdam te repareren of te vervangen binnen 48 uur, met een dwangsom van € 150,- per dag; tot betaling van € 70,- per nacht aan hotelkosten. 2.2. [gedaagde] is het niet eens met de eis. Zij is het ook niet eens met het eerdere kort geding vonnis en overweegt daartegen in hoger beroep te gaan. [gedaagde] voert aan pas recentelijk kennis te hebben genomen van het vonnis en dat het niet lukt om binnen 48 uur een installateur te regelen. Daarvoor is meer tijd nodig, mede in verband met de voorjaarsvakantie. Haar vaste installateur heeft te kennen gegeven nu geen tijd te hebben. Daarnaast is nog onduidelijk of de verwarmingsinstallatie, als die vervangen moet worden, geplaatst kan worden op de plek waar de moederhaard zich thans bevindt of ergens anders in de woning, en aangesloten kan worden op de radiatoren. Misschien dient bij vervanging ook een rookgasafvoer te worden aangelegd, waarvoor toestemming van de VvE nodig is. [gedaagde] is het ook niet eens met de geëiste vergoeding voor hotelovernachting en wijst erop dat in de eerdere kort geding procedure die eis afgewezen is. Wat oordeelt de kantonrechter? Spoedeisend belang 2.3. Vooropgesteld wordt dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn eis, zodat hij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten, want gelet op het door hem gestelde treedt [gedaagde] niet voortvarend op om het probleem van een niet werkende verwarmingsinstallatie in zijn woning op te lossen. In het eerder gewezen vonnis is hiervoor geen termijn gesteld en hieraan ook geen dwangsom verbonden als stok achter de deur. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven. Toewijzing termijn voor reparatie / vervanging verwarmingsinstallatie en dwangsom 2.4. De eis wordt toegewezen zoals hierna vermeld. Uitgangspunt is het vonnis van 4 februari 2026, op grond waarvan [gedaagde] verplicht is de verwarmingsinstallatie te repareren of te vervangen. Of [gedaagde] in hoger beroep gaat doet er niet toe. Dat in dat vonnis geen termijn is bepaald, doet aan die verplichting ook niet af. Weliswaar is sindsdien weinig tijd verstreken om uitvoering te kunnen geven aan de veroordeling in het vonnis, maar dat neemt niet weg dat [gedaagde] al vanaf begin januari 2026 weet van het probleem. Er is dus al de nodige tijd gepasseerd waarbinnen [gedaagde] dit had kunnen en moeten oplossen. Ter zitting is gebleken dat nog steeds geen installateur ingeschakeld is. Omdat [eiser] in de kou zit en hierdoor huurgenot derft, maar [gedaagde] weinig voortvarend optreedt, is het nodig om in te grijpen. Daarbij is van betekenis dat het belang van [eiser] om te bespoedigen dat hij een werkende verwarming krijgt in zijn woning in deze koude periode zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om dat niet spoedig te hoeven realiseren. [eiser] heeft dus voldoende belang bij het verkrijgen van een stok achter de deur in de vorm van een dwangsom. Wel wordt hiervoor een wat langere termijn gegeven dan de geëiste 48 uur. [gedaagde] wordt een termijn gesteld van 7 dagen om alsnog uitvoering te geven aan de veroordeling en een dwangsom opgelegd van € 150,- per dag voor iedere dag dat zij niet hieraan voldoet na het verstrijken van de termijn. De dwangsom wordt gemaximeerd op € 15.000,-. 2.5. De kantonrechter wijst [eiser] erop dat de dwangsom pas kan worden verbeurd na de betekening door de deurwaarder van dit vonnis aan [gedaagde] . Afwijzing vergoeding hotelovernachting 2.6. In het vorige kort geding vonnis is aan [eiser] geen vergoeding toegekend voor alternatieve woonruimte. In het onderhavige kort geding ziet de kantonrechter geen reden om daarover anders te oordelen voor wat betreft de geëiste vergoeding van € 70,- per hotelovernachting. Het gaat bij deze vordering in feite om schadevergoeding. Een schadevergoeding kan alleen in kort geding worden toegewezen als de schade vast staat. Dat is hier niet het geval, omdat de noodzaak om vanwege het gebrek aan de verwarming te moeten uitwijken naar een hotel niet vast staat en [eiser] zijn heil ook nog niet heeft gezocht in een hotel. Bovendien rust op [eiser] een verplichting om zijn schade te beperken, bijvoorbeeld door in plaats van hotelovernachtingen te kiezen voor verwarming door een elektrische kachel. Dat alles maakt dat niet aannemelijk is dat schadevergoeding voor eventuele hotelovernachtingen in een gewone procedure zal worden toegewezen. Proceskosten 2.7. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt . De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 155,67 aan dagvaardingskosten, € 93,- aan griffierecht, en € 50,- aan onkostenvergoeding. Dat is in totaal € 298,67. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 2.8. Dit vonnis wordt ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaard , omdat het nodig is dat het vonnis ook ten uitvoer kan worden gelegd als [gedaagde] besluit hoger beroep in te stellen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een dwangsom van € 150,- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] geen uitvoering verleent aan de veroordeling opgenomen in het vonnis van de kantonrechter van 4 februari 2026 in de zaak met nummer 12069256 VV EXPL 26-42 na het verstrijken van een termijn van 7 dagen na betekening van dit vonnis, met een maximum van € 15.000,-; 3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 298,67; 3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.4. wijst al het andere af.