Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-23
ECLI:NL:RBROT:2026:3174
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,021 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:3174 text/xml public 2026-03-25T10:20:52 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-23 ROT 25/4912 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3174 text/html public 2026-03-25T10:19:13 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3174 Rechtbank Rotterdam , 23-03-2026 / ROT 25/4912 Partiële afwijzing van een aanvraag op grond van de subsidieregeling Podiumregeling 2025-2029. Eiseres heeft een concreet aanknopingspunt gesteld voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van de adviescommissie, namelijk dat sprake zou zijn van een (schijn van) belangenverstrengeling, en het is de rechtbank niet gebleken dat het Fonds dit zorgvuldig heeft onderzocht. Beroep gegrond. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/4912 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit Rotterdam, eiseres (gemachtigde: mr. S.C. Köbben), en de Raad van Bestuur van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten, het Fonds (gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de partiële afwijzing van de aanvraag van eiseres op grond van de subsidieregeling Podiumregeling 2025-2029. De aanvraag is afgewezen voor zover het de programmeringsbijdrage betreft. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de partiële afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres heeft een concreet aanknopingspunt gesteld voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van de adviescommissie, namelijk dat sprake zou zijn van een (schijn van) belangenverstrengeling, en het is de rechtbank niet gebleken dat het Fonds dit zorgvuldig heeft onderzocht. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 2 oktober 2024 op grond van de subsidieregeling Podiumregeling 2025-2029 een subsidieaanvraag ingediend voor een programmeringssubsidie (€ 44.000,- per jaar) en een productiesubsidie (€ 29.000,- per jaar). Het Fonds heeft met het besluit van 11 maart 2025 de subsidieaanvraag alleen gehonoreerd voor productie, conform het advies van de adviescommissie landsdeel West (hierna: de adviescommissie). 2.1. Met het bestreden besluit van 15 mei 2025 is het Fonds ondanks het bezwaar van eiseres bij de partiële afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. Verweerder heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift. 2.4. Eiseres heeft op 20 februari 2026 aanvullende stukken ingediend. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 3], [naam 4], [naam 5], de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het Fonds. Beoordeling door de rechtbank Hoe moet het Fonds omgaan met het advies van de adviescommissie? 3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1233, heeft een bestuursorgaan - het Fonds is dat ook - een grote mate van beslissingsruimte bij het verlenen van subsidie. Als het bestuursorgaan zich laat adviseren, dan geldt als algemeen uitgangspunt dat het bestuursorgaan op het advies mag afgaan. Het bestuursorgaan moet wel eerst vaststellen dat het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit heet de vergewisplicht. Zie ook artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. 3.1. Het bestuursorgaan mag niet zonder nadere motivering op het advies afgaan als een partij concrete aanknopingspunten stelt voor twijfel aan bijvoorbeeld de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan aan de opsteller van het advies een reactie op wat de betrokkene over het advies heeft aangevoerd. Schijn van belangenverstrengeling 4. Eiseres voert als beroepsgrond aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Awb en om die reden niet in stand kan blijven. 4.1. Op grond van artikel 2:4, tweede lid, van de Awb, waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. Dit betekent ook dat het bestuursorgaan de schijn van belangenverstrengeling moet vermijden. Deze rechtsregel wordt niet anders als toepassing daarvan in de praktijk zou betekenen dat een adviescommissie niet meer samen te stellen is, zoals het Fonds ter zitting heeft gesteld. Als dat inderdaad zo zou zijn, dan is het aan de wetgever en/of de subsidieverlener om de regelgeving daarop aan te passen. Overigens bevat het eigen Huishoudelijk Reglement van het Fonds bepalingen met een vergelijkbare strekking (onder andere artikel 7). 4.2. Het Fonds heeft voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit de leden van de adviescommissie gevraagd naar persoonlijke belangen bij de aanvragen waarover de leden gevraagd zijn te adviseren. De rechtbank acht het aannemelijk dat het Fonds op dat moment geen informatie heeft gehad van adviescommissielid [naam 6] (hierna: het adviescommissielid) waaruit de schijn van belangenverstrengeling bleek voor de aanvraag van eiseres. 4.3. Dit is anders voor het bestreden besluit. Met haar stelling in bezwaar dat eiseres in het jaar daarvoor een (arbeids)conflict heeft gehad met het adviescommissielid, stelt zij een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, namelijk de schijn van belangenverstrengeling. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiseres hier nadere inlichtingen over gegeven, zo vermeldt het hoorverslag. In beroep heeft eiseres voormeld standpunt toegelicht met de stellingen dat haar conflict met het adviescommissielid voortkwam uit meerdere klachten van medewerkers over de onveilige werkomgeving die het adviescommissielid creëerde, dat eiseres drie voorstellingen heeft geschrapt waarvoor het adviescommissielid eindverantwoordelijkheid droeg en dat het adviescommissielid voor hetzelfde – beperkte – subsidiebudget heeft geadviseerd over een aanvraag van een andere aanvrager (het Luxor), van wie het adviescommissielid op verschillende wijzen inkomsten ontvangt. De twijfel onderbouwt eiseres nader door te stellen dat het adviescommissielid de enige is in de gekozen samenstelling van de adviescommissie die met een zeker gewicht kon adviseren over de aanvraag van eiseres, omdat het adviescommissielid de enige was met deskundigheid op het vakgebied van eiseres (theater) en van de regio (Rotterdam). 4.4. Vanwege dit concrete aanknopingspunt voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, had het Fonds een concrete reactie moeten vragen aan de adviescommissie. Het bestreden besluit maakt echter niet duidelijk dat en hoe het Fonds de adviescommissie heeft gevraagd naar de gestelde schijn van belangenverstrengeling en ook niet wat de concrete reactie daarop is geweest van de adviescommissie. Onvoldoende is de gestelde telefonische reactie van het adviescommissielid dat zij zich niet herkent in een eventuele belangenverstrengeling en de gestelde verklaring van de voorzitter van de adviescommissie dat van belangenverstrengeling geen sprake is, zoals het Fonds tijdens de zitting heeft bepleit. Bovendien is tijdens de zitting gebleken dat het Fonds in de bezwaarfase het adviescommissielid bijvoorbeeld ook niet heeft gevraagd naar een (arbeids)conflict. 4.5. Uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar volgt niet dat het Fonds eiseres heeft gevraagd haar standpunt nader te onderbouwen met stukken.