Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-11
ECLI:NL:RBROT:2026:3036
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,043 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:3036 text/xml public 2026-03-23T17:06:24 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-11 FT RK 25/2189 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Insolventierecht Faillissementswet 284 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3036 text/html public 2026-03-23T17:06:13 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3036 Rechtbank Rotterdam , 11-02-2026 / FT RK 25/2189 Toelating tot de WSNP. Verzoek eerdere ingangsdatum toegewezen. Rechtbank Rotterdam Team insolventie insolventienummer: [nummer] vonnis van : 11 februari 2026 op het verzoek van: [verzoeker] , wonende te [adres], [postcode] [plaatsnaam]. Waar deze zaak over gaat [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek wordt toegewezen. Daarnaast verzoekt [verzoeker] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 1 juli 2026. Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist. 1 De procedure 1.1. [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen. 1.2. Het verzoek is behandeld op de zitting van 28 januari 2026. Op de zitting zijn verschenen: - [verzoeker], - mevrouw G. Fontijne, schuldhulpverlener van Geldplein Rotterdam. 1.3. De rechtbank heeft na de zitting, op 27 januari 2026, van schuldhulpverlening aanvullende stukken ontvangen. 2 De beoordeling Ontvankelijkheid 2.1. Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet [verzoeker] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen. 2.2. Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoeker] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat de schuldenlast niet binnen afzienbare termijn in kaart kan worden gebracht. De belastingdienst heeft geen saldo-opgave gedaan, omdat zij heeft geconstateerd dat de aangifte omzetbelasting over het tweede tot en met vierde kwartaal van 2023 en het eerste kwartaal van 2024 nog niet was gedaan. 2.3. De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet binnen afzienbare termijn tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. [verzoeker] is daarom ontvankelijk in zijn verzoek. De toelating 2.4. [verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen. 2.5. De rechtbank is van oordeel dat de schuld bij de belastingdienst en de CJIB-boetes die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. [verzoeker] heeft aanslagen gekregen van de Belastingdienst voor het niet doen van de aangifte omzetbelasting over de laatste drie kwartalen van 2023 en het eerste kwartaal van 2024. Daarnaast zijn er CJIB-boetes. De belastingschuld voor de omzetbelasting en CJIB-boetes zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstane schulden. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij als zzp’er destijds nalatig is geweest door het blowen en daardoor geen aangiftes omzetbelasting heeft gedaan. Verder verklaart hij dat de CJIB-boetes verkeersboetes zijn die hij heeft gemaakt met dezelfde leaseauto. Deze schulden staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek. 2.6. In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. [verzoeker] heeft aannemelijk gemaakt dat hij de omstandigheden die tot het ontstaan van deze schulden hebben geleid, inmiddels onder controle heeft. [verzoeker] is gestopt met zijn werkzaamheden als zzp’er en heeft inmiddels via de boekhouder de openstaande aangiftes omzetbelasting gedaan. Daarnaast beschikt [verzoeker] niet meer over een auto, zodat daarmee geen nieuwe boetes gemaakt kunnen worden. 2.7. Overigens is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat [verzoeker] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp. [verzoeker] toont zich gemotiveerd en heeft verklaard dat hij bereid is alle medewerking te verlenen en zijn verplichtingen zal nakomen, omdat hij van zijn schulden af wil. 2.8. [verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp. Bevoegdheid 2.9. De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt. Duur 2.10. De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) vast op 18 maanden. De ingangsdatum 2.11. De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan. 2.12. Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan. 2.13. De rechtbank kan de vraag of [verzoeker] tijdens het voorafgaande schuldhulpverleningstraject aan alle verplichtingen heeft voldaan nog niet volledig beoordelen bij gebrek aan voldoende informatie. Het vtlb kan niet eenvoudig worden vastgesteld, vanwege met name het maandelijks wisselende inkomen van [verzoeker]. De rechtbank is desondanks van oordeel dat dit niet in de weg hoeft te staan aan het bepalen van een eerdere ingangsdatum. Uit het overzicht reserveringen en de toelichting ter zitting door de schuldhulpverlener volgt dat door [verzoeker] in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject vanaf 1 juli 2025 een bedrag van € 8884,26 is gespaard. Daarmee is vooralsnog voldaan aan de in dat traject geldende verplichting tot afdracht van het inkomen boven het vtlb. Daarnaast is in de periode van het schuldhulpverleningstraject ook aan de inspanningsverplichting voldaan. [verzoeker] werkt thans 38 tot 40 uur per week en heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. 2.14. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 1 juli 2025, zijnde de dag waarop de eerste aflossing in de zin van artikel 349a lid 1 Fw is gedaan. 3 De (controle van) verplichtingen in de Wsnp 3.1. De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen). 3.2. Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert of [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt. 3.3. De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4.