Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-13
ECLI:NL:RBROT:2026:2901
Civiel recht
Kort geding
4,081 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2901 text/xml public 2026-04-14T16:21:55 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-13 12094454 VV EXPL 26-80 Uitspraak Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2901 text/html public 2026-04-14T16:21:29 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2901 Rechtbank Rotterdam , 13-03-2026 / 12094454 VV EXPL 26-80 Kort geding. Huurovereenkomst bedrijfsruimte. Vordering tot ontruiming toegewezen. Gedaagde moet de huurachterstand betalen met rente. De buitengerechtelijk incassokosten worden afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 12094454 VV EXPL 26-80 datum uitspraak: 13 maart 2026 Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van Marcan Vastgoed B.V. , vestigingsplaats: Barendrecht, eiseres, gemachtigde: mr. Th.C. Visser, tegen [gedaagde] B.V. , vestigingsplaats: Rotterdam, gedaagde, gemachtigde: mr. Dijkstra. De partijen worden hierna ‘Marcan’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: - de dagvaarding van 19 februari 2026, met bijlagen; 1.2. Op 27 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: mevrouw [naam 1] namens Marcan, samen met de gemachtigde van Marcan, mr. S. Nooteboom. Tevens waren aanwezig de heer [naam 2] , bestuurder en eigenaar van [gedaagde] , bijgestaan door de gemachtigde van [gedaagde] , mr. Dijkstra. 2 De beoordeling 2.1. [gedaagde] huurt vanaf 1 mei 2024 de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] van Marcan. Volgens Marcan heeft [gedaagde] een huurachterstand laten ontstaan van € 21.882,28. Marcan vordert daarom in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de bedrijfsruimte te ontruimen en de huurachterstand aan haar te betalen, inclusief boete(rente) en kosten. 2.2. [gedaagde] is het niet eens met de vordering van Marcan en voert het volgende aan. [gedaagde] erkent de huurachterstand, maar betwist dat sprake is van een spoedeisend belang. Er loopt immers op dit moment een bodemprocedure tussen partijen. Volgens [gedaagde] kan de uitkomst in deze bodemprocedure worden afgewacht. Verder geeft [gedaagde] aan dat zij voorafgaand aan de zitting een huurtermijn heeft betaald, waardoor de huurachterstand inmiddels lager is. Tot slot maakt [gedaagde] bezwaar tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten, omdat volgens [gedaagde] geen incassowerkzaamheden zijn verricht. 2.3. De kantonrechter wijst de vorderingen van Marcan (grotendeels) toe. Hierna zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen. [gedaagde] moet de bedrijfsruimte ontruimen 2.4. Ondanks het feit dat tussen partijen ook een bodemprocedure loopt, is de kantonrechter van oordeel dat de ontruiming nu al bevolen kan worden. Het is namelijk zo aannemelijk dat in de bodemprocedure de ontbinding en ontruiming zal worden toegewezen dat het gerechtvaardigd is om hierop vooruit te lopen. 2.5. In beginsel is bij huur van een bedrijfsruimte een achterstand van twee maanden al voldoende voor de ontbinding. [gedaagde] heeft in dit geval een huurachterstand van vier maanden laten ontstaan. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij last heeft (gehad) van liquiditeitsproblemen, waardoor de huur niet altijd tijdig en volledig kon worden voldaan. [gedaagde] verwacht dat dit op termijn zal verbeteren. [gedaagde] heeft haar stellingen echter niet met stukken onderbouwd, zodat niet kan worden nagegaan hoe reëel deze verwachting is. [gedaagde] heeft ook geen concrete toezegging kunnen doen over haar mogelijkheden tot het betalen van de lopende huur en het afbetalen van de huurachterstand. Tot slot is van belang dat [gedaagde] al eerder huurachterstanden heeft laten ontstaan. 2.6. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] in een moeilijke situatie zit, weegt het belang van Marcan bij het beperken van haar financiële schade en het zo spoedig mogelijk vinden van een huurder die wel tijdig en volledig betaalt, zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud van de bedrijfsruimte. 2.7. Gelet op het bovenstaande zal de ontruiming worden toegewezen. De kantonrechter bepaalt de ontruimingstermijn op 14 dagen na betekening van dit vonnis. [gedaagde] moet de huurachterstand van € 21.882,28 betalen 2.8. [gedaagde] heeft op de dag van de zitting een bedrag gelijk aan een maand huur betaald. Partijen zijn het er tijdens de zitting over eens geworden dat dit bedrag ziet op de lopende huur voor de maand maart 2026. De huurachterstand, berekend over de maanden november 2025 tot en met februari 2026 ter hoogte van € 21.882,28, staat daarmee nog open. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van deze huurachterstand niet betwist. Dit bedrag wordt daarom toegewezen en [gedaagde] wordt veroordeeld om € 21.882,28 aan Marcan te betalen. 2.9. De eis tot betaling van de huur vanaf 1 februari 2026 tot en met de datum van de ontruiming wordt ook toegewezen, met dien verstande dat [gedaagde] de huur van maart 2026 inmiddels heeft voldaan. [gedaagde] moet € 1.200,- aan contractuele boete(rente) betalen 2.10. In artikel 25.3 van de toepasselijke algemene voorwaarden is opgenomen dat [gedaagde] een boete van 1% per maand met een minimum van € 300,- over de verschuldigde huurprijs moet betalen als zij de huur te laat betaalt. Marcan vordert dat [gedaagde] deze boete aan haar moet betalen over de maanden dat zij de huur niet op tijd heeft betaald. Volgens Marcan is [gedaagde] over de huur van november 2025 tot en met februari 2026 een bedrag van € 1.200,- aan boetes aan haar verschuldigd. [gedaagde] heeft dat niet betwist. Deze vordering wordt daarom toegewezen. [gedaagde] moet incassokosten van € 40,- betalen 2.11. Op grond van artikel 6:96 lid 4 BW bestaat de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten in geval van een handelsovereenkomst uit ten minste een bedrag van € 40,-. Dit bedrag is zonder aanmaning verschuldigd vanaf de dag na het verstrijken van de wettelijke of overeengekomen betalingstermijn. In dit geval staat vast dat [gedaagde] de huur over de maanden november 2025 tot en met februari 2026 niet tijdig heeft betaald. Conform het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW is [gedaagde] daarmee in ieder geval € 40,- aan vergoeding voor incassokosten aan Marcan verschuldigd. 2.12. Om aanspraak te kunnen maken op een hoger bedrag aan vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten is vereist dat ten minste één incassohandeling is verricht. Het is daarbij niet relevant welke incassohandelingen zijn verricht, het versturen van een enkele brief is voldoende. De hoogte van de verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten hangt af van de hoofdsom die op het moment van het verrichten van de incassohandeling openstond. 2.13. [gedaagde] betwist dat Marcan incassowerkzaamheden heeft verricht op basis waarvan zij een bedrag van € 993,82 verschuldigd is geworden. De hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten heeft Marcan gebaseerd op de vordering die in deze procedure voorligt, en ten aanzien van deze vordering zijn volgens [gedaagde] geen sommaties verstuurd of anderszins werkzaamheden verricht. Marcan stelt dat zij wél buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft uitgevoerd op basis waarvan [gedaagde] een bedrag aan haar verschuldigd is. Zij wijst daarbij op de brief die zij op 15 oktober 2025 aan [gedaagde] heeft verstuurd, welke als productie is overgelegd. 2.14. De brief waarnaar Marcan verwijst dateert van 15 oktober 2025 en heeft daarmee betrekking op een achterstand die openstond voorafgaand aan het ontstaan van de huurachterstand die in deze procedure wordt gevorderd. In deze procedure wordt namelijk een huurachterstand gevorderd over de periode november 2025 tot en met februari 2026. Marcan heeft geen andere stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij ten aanzien van de in deze procedure gevorderde huurachterstand incassowerkzaamheden heeft verricht. Dit kan daarom niet vastgesteld worden. De vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten, voor zover deze € 40,- overstijgen, wordt daarom afgewezen. [gedaagde] moet de wettelijke rente betalen 2.15.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2901 text/xml public 2026-04-14T16:21:55 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-13 12094454 VV EXPL 26-80 Uitspraak Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2901 text/html public 2026-04-14T16:21:29 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2901 Rechtbank Rotterdam , 13-03-2026 / 12094454 VV EXPL 26-80 Kort geding. Huurovereenkomst bedrijfsruimte. Vordering tot ontruiming toegewezen. Gedaagde moet de huurachterstand betalen met rente. De buitengerechtelijk incassokosten worden afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 12094454 VV EXPL 26-80 datum uitspraak: 13 maart 2026 Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van Marcan Vastgoed B.V. , vestigingsplaats: Barendrecht, eiseres, gemachtigde: mr. Th.C. Visser, tegen [gedaagde] B.V. , vestigingsplaats: Rotterdam, gedaagde, gemachtigde: mr. Dijkstra. De partijen worden hierna ‘Marcan’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: - de dagvaarding van 19 februari 2026, met bijlagen; 1.2. Op 27 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: mevrouw [naam 1] namens Marcan, samen met de gemachtigde van Marcan, mr. S. Nooteboom. Tevens waren aanwezig de heer [naam 2] , bestuurder en eigenaar van [gedaagde] , bijgestaan door de gemachtigde van [gedaagde] , mr. Dijkstra. 2 De beoordeling 2.1. [gedaagde] huurt vanaf 1 mei 2024 de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] van Marcan. Volgens Marcan heeft [gedaagde] een huurachterstand laten ontstaan van € 21.882,28. Marcan vordert daarom in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de bedrijfsruimte te ontruimen en de huurachterstand aan haar te betalen, inclusief boete(rente) en kosten. 2.2. [gedaagde] is het niet eens met de vordering van Marcan en voert het volgende aan. [gedaagde] erkent de huurachterstand, maar betwist dat sprake is van een spoedeisend belang. Er loopt immers op dit moment een bodemprocedure tussen partijen. Volgens [gedaagde] kan de uitkomst in deze bodemprocedure worden afgewacht. Verder geeft [gedaagde] aan dat zij voorafgaand aan de zitting een huurtermijn heeft betaald, waardoor de huurachterstand inmiddels lager is. Tot slot maakt [gedaagde] bezwaar tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten, omdat volgens [gedaagde] geen incassowerkzaamheden zijn verricht. 2.3. De kantonrechter wijst de vorderingen van Marcan (grotendeels) toe. Hierna zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen. [gedaagde] moet de bedrijfsruimte ontruimen 2.4. Ondanks het feit dat tussen partijen ook een bodemprocedure loopt, is de kantonrechter van oordeel dat de ontruiming nu al bevolen kan worden. Het is namelijk zo aannemelijk dat in de bodemprocedure de ontbinding en ontruiming zal worden toegewezen dat het gerechtvaardigd is om hierop vooruit te lopen. 2.5. In beginsel is bij huur van een bedrijfsruimte een achterstand van twee maanden al voldoende voor de ontbinding. [gedaagde] heeft in dit geval een huurachterstand van vier maanden laten ontstaan. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij last heeft (gehad) van liquiditeitsproblemen, waardoor de huur niet altijd tijdig en volledig kon worden voldaan. [gedaagde] verwacht dat dit op termijn zal verbeteren. [gedaagde] heeft haar stellingen echter niet met stukken onderbouwd, zodat niet kan worden nagegaan hoe reëel deze verwachting is. [gedaagde] heeft ook geen concrete toezegging kunnen doen over haar mogelijkheden tot het betalen van de lopende huur en het afbetalen van de huurachterstand. Tot slot is van belang dat [gedaagde] al eerder huurachterstanden heeft laten ontstaan. 2.6. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] in een moeilijke situatie zit, weegt het belang van Marcan bij het beperken van haar financiële schade en het zo spoedig mogelijk vinden van een huurder die wel tijdig en volledig betaalt, zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud van de bedrijfsruimte. 2.7. Gelet op het bovenstaande zal de ontruiming worden toegewezen. De kantonrechter bepaalt de ontruimingstermijn op 14 dagen na betekening van dit vonnis. [gedaagde] moet de huurachterstand van € 21.882,28 betalen 2.8. [gedaagde] heeft op de dag van de zitting een bedrag gelijk aan een maand huur betaald. Partijen zijn het er tijdens de zitting over eens geworden dat dit bedrag ziet op de lopende huur voor de maand maart 2026. De huurachterstand, berekend over de maanden november 2025 tot en met februari 2026 ter hoogte van € 21.882,28, staat daarmee nog open. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van deze huurachterstand niet betwist. Dit bedrag wordt daarom toegewezen en [gedaagde] wordt veroordeeld om € 21.882,28 aan Marcan te betalen. 2.9. De eis tot betaling van de huur vanaf 1 februari 2026 tot en met de datum van de ontruiming wordt ook toegewezen, met dien verstande dat [gedaagde] de huur van maart 2026 inmiddels heeft voldaan. [gedaagde] moet € 1.200,- aan contractuele boete(rente) betalen 2.10. In artikel 25.3 van de toepasselijke algemene voorwaarden is opgenomen dat [gedaagde] een boete van 1% per maand met een minimum van € 300,- over de verschuldigde huurprijs moet betalen als zij de huur te laat betaalt. Marcan vordert dat [gedaagde] deze boete aan haar moet betalen over de maanden dat zij de huur niet op tijd heeft betaald. Volgens Marcan is [gedaagde] over de huur van november 2025 tot en met februari 2026 een bedrag van € 1.200,- aan boetes aan haar verschuldigd. [gedaagde] heeft dat niet betwist. Deze vordering wordt daarom toegewezen. [gedaagde] moet incassokosten van € 40,- betalen 2.11. Op grond van artikel 6:96 lid 4 BW bestaat de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten in geval van een handelsovereenkomst uit ten minste een bedrag van € 40,-. Dit bedrag is zonder aanmaning verschuldigd vanaf de dag na het verstrijken van de wettelijke of overeengekomen betalingstermijn. In dit geval staat vast dat [gedaagde] de huur over de maanden november 2025 tot en met februari 2026 niet tijdig heeft betaald. Conform het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW is [gedaagde] daarmee in ieder geval € 40,- aan vergoeding voor incassokosten aan Marcan verschuldigd. 2.12. Om aanspraak te kunnen maken op een hoger bedrag aan vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten is vereist dat ten minste één incassohandeling is verricht. Het is daarbij niet relevant welke incassohandelingen zijn verricht, het versturen van een enkele brief is voldoende. De hoogte van de verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten hangt af van de hoofdsom die op het moment van het verrichten van de incassohandeling openstond. 2.13. [gedaagde] betwist dat Marcan incassowerkzaamheden heeft verricht op basis waarvan zij een bedrag van € 993,82 verschuldigd is geworden. De hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten heeft Marcan gebaseerd op de vordering die in deze procedure voorligt, en ten aanzien van deze vordering zijn volgens [gedaagde] geen sommaties verstuurd of anderszins werkzaamheden verricht. Marcan stelt dat zij wél buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft uitgevoerd op basis waarvan [gedaagde] een bedrag aan haar verschuldigd is. Zij wijst daarbij op de brief die zij op 15 oktober 2025 aan [gedaagde] heeft verstuurd, welke als productie is overgelegd. 2.14. De brief waarnaar Marcan verwijst dateert van 15 oktober 2025 en heeft daarmee betrekking op een achterstand die openstond voorafgaand aan het ontstaan van de huurachterstand die in deze procedure wordt gevorderd. In deze procedure wordt namelijk een huurachterstand gevorderd over de periode november 2025 tot en met februari 2026. Marcan heeft geen andere stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij ten aanzien van de in deze procedure gevorderde huurachterstand incassowerkzaamheden heeft verricht. Dit kan daarom niet vastgesteld worden. De vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten, voor zover deze € 40,- overstijgen, wordt daarom afgewezen. [gedaagde] moet de wettelijke rente betalen 2.15.