Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-20
ECLI:NL:RBROT:2026:2885
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,039 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2885 text/xml public 2026-04-14T16:17:50 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-20 11917647 CV EXPL 25-21424 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2885 text/html public 2026-04-14T16:17:40 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2885 Rechtbank Rotterdam , 20-03-2026 / 11917647 CV EXPL 25-21424 Behandeling bij de dierenarts. De dierenarts mag degene die met de hond langskwam zien als degene die de opdracht gaf. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11917647 CV EXPL 25-21424 datum uitspraak: 20 maart 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Universiteit Utrecht: Faculteit Diergeneeskunde , vestigingsplaats: Utrecht, eiseres, gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘UU’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van UU van 22 september 2025, met bijlagen; het antwoord van [gedaagde] van 15 oktober 2025, met bijlagen; de repliek van UU van 12 november 2025, met bijlagen; de brief van [gedaagde] van 26 november 2025, met bijlagen; de akte van UU van 21 januari 2026, met bijlagen; de brief van [gedaagde] van 4 februari 2026, met bijlagen. 2 De beoordeling vordering 2.1. UU stelt dat [gedaagde] haar gevraagd heeft haar hond te behandelen. UU heeft dit gedaan en voor de behandeling in totaal € 5.086,20 in rekening gebracht bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit bedrag echter niet betaald. UU vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van dit bedrag, met rente (€ 340,59 tot de dagvaarding), € 629,31 aan incassokosten en de proceskosten. [gedaagde] voert verweer. facturen 2.2. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] ertoe de facturen van in totaal € 5.086,20 aan UU te betalen. Zij is namelijk degene die UU de opdracht gaf de hond te behandelen. Dat [gedaagde] deze opdracht namens haar inmiddels ex-partner gaf – en dat UU dat ook zo heeft moeten begrijpen – blijkt onvoldoende. [gedaagde] heeft bij het aangaan van de overeenkomst niet gezegd dat zij handelde namens haar ex-partner en zij heeft niet gevraagd om de overeenkomst op zijn naam te zetten. Wie de eigenaar van de hond is, is in de relatie tussen UU en de opdrachtgever ( [gedaagde] ) in beginsel niet van belang. [gedaagde] heeft daar ten tijde van het aangaan van de overeenkomst geen melding van gemaakt, zodat UU dat niet wist. UU had ook niet uit het opgegeven (e-mail)adres kunnen afleiden dat [gedaagde] de overeenkomst namens haar ex-partner aanging, omdat UU niet kan controleren of [gedaagde] toegang heeft tot dat e-mailadres en niet kan nagaan of zij op het opgegeven adres woont. Verder is van belang dat [gedaagde] ná het (ongetwijfeld hectische) moment in het ziekenhuis niet aan UU heeft meegedeeld dat zij namens haar ex-partner heeft gehandeld. Haar ex-partner heeft dat in de verdere communicatie ook niet gemeld. In het bericht van 21 november 2024, dat UU als bijlage bij haar repliek voegt en waarin om een regeling wordt gevraagd, staat weliswaar het (door [gedaagde] aan UU gegeven) e-mailadres van de ex-partner van [gedaagde] , maar als naam is ‘ [gedaagde] ’ ingevuld. Ook achteraf had UU dus niet hoeven te begrijpen dat [gedaagde] namens haar ex-partner heeft gehandeld en dat de overeenkomst met haar ex-partner was aangegaan. 2.3. Dat sprake is van overname van schuld is eveneens onvoldoende gebleken. Hiervoor is namelijk nodig dat UU als schuldeiser toestemming hiervoor geeft en dat heeft UU niet gedaan. UU incasseert de facturen bij haar contractpartner (en dat is [gedaagde] ) en er is geen regel die UU ertoe verplicht dat bij een ander te doen. Dat de regeling is aangegaan met de ex-partner, waaruit dan moet volgen dat UU ingestemd heeft met een ‘overname van de schuld’, blijkt niet uit het bericht van 21 november 2024. Zoals eerder vermeld, stond deze regeling op naam van [gedaagde] . 2.4. De kantonrechter begrijpt uiteraard dat de veroordeling zuur en nadelig is voor [gedaagde] , (ook) gelet op het feit dat haar relatie inmiddels (op een niet vriendschappelijke manier) ten einde is. UU staat daar echter buiten. Als [gedaagde] van mening is dat haar ex-partner de vordering moet betalen, en dit vindt hij gelet op zijn verklaring van 26 september 2025 kennelijk zelf ook, dan moet [gedaagde] dit onderling met hem regelen. rente en incassokosten 2.5. De rente en de incassokosten die UU vordert voldoen aan de te stellen eisen en zijn dan ook toewijsbaar. proceskosten 2.6. [gedaagde] krijgt ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten bestaan aan de kant van UU uit € 120,78 aan kosten voor de dagvaarding, € 543,00 aan griffierecht, € 720,00 aan salaris voor haar gemachtigde (2 punten van € 360,00) en € 144,00 aan nakosten. Dit is bij elkaar € 1.527,78. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis door een deurwaarder uitgereikt moet worden. 2.7. Voor de akte van UU van 21 januari 2026 wordt niet afzonderlijk salaris toegekend. UU had in die akte kunnen volstaan met de mededeling dat de bijlagen die [gedaagde] bij haar brief van 26 november 2025 in het geding brengt, al eerder in het geding zijn gebracht. uitvoerbaar bij voorraad 2.8. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat het vonnis meteen uitgevoerd mag worden, ook als aan een hogere rechter wordt gevraagd om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan UU € 6.056,10 te betalen, met rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over € 5.086,20, vanaf het uitbrengen van de dagvaarding tot aan de dag dat dit bedrag volledig is betaald; 3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van UU begroot op een bedrag van € 1.527,78; 3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken. 686
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2885 text/xml public 2026-04-14T16:17:50 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-20 11917647 CV EXPL 25-21424 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2885 text/html public 2026-04-14T16:17:40 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2885 Rechtbank Rotterdam , 20-03-2026 / 11917647 CV EXPL 25-21424 Behandeling bij de dierenarts. De dierenarts mag degene die met de hond langskwam zien als degene die de opdracht gaf. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11917647 CV EXPL 25-21424 datum uitspraak: 20 maart 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Universiteit Utrecht: Faculteit Diergeneeskunde , vestigingsplaats: Utrecht, eiseres, gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘UU’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van UU van 22 september 2025, met bijlagen; het antwoord van [gedaagde] van 15 oktober 2025, met bijlagen; de repliek van UU van 12 november 2025, met bijlagen; de brief van [gedaagde] van 26 november 2025, met bijlagen; de akte van UU van 21 januari 2026, met bijlagen; de brief van [gedaagde] van 4 februari 2026, met bijlagen. 2 De beoordeling vordering 2.1. UU stelt dat [gedaagde] haar gevraagd heeft haar hond te behandelen. UU heeft dit gedaan en voor de behandeling in totaal € 5.086,20 in rekening gebracht bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit bedrag echter niet betaald. UU vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van dit bedrag, met rente (€ 340,59 tot de dagvaarding), € 629,31 aan incassokosten en de proceskosten. [gedaagde] voert verweer. facturen 2.2. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] ertoe de facturen van in totaal € 5.086,20 aan UU te betalen. Zij is namelijk degene die UU de opdracht gaf de hond te behandelen. Dat [gedaagde] deze opdracht namens haar inmiddels ex-partner gaf – en dat UU dat ook zo heeft moeten begrijpen – blijkt onvoldoende. [gedaagde] heeft bij het aangaan van de overeenkomst niet gezegd dat zij handelde namens haar ex-partner en zij heeft niet gevraagd om de overeenkomst op zijn naam te zetten. Wie de eigenaar van de hond is, is in de relatie tussen UU en de opdrachtgever ( [gedaagde] ) in beginsel niet van belang. [gedaagde] heeft daar ten tijde van het aangaan van de overeenkomst geen melding van gemaakt, zodat UU dat niet wist. UU had ook niet uit het opgegeven (e-mail)adres kunnen afleiden dat [gedaagde] de overeenkomst namens haar ex-partner aanging, omdat UU niet kan controleren of [gedaagde] toegang heeft tot dat e-mailadres en niet kan nagaan of zij op het opgegeven adres woont. Verder is van belang dat [gedaagde] ná het (ongetwijfeld hectische) moment in het ziekenhuis niet aan UU heeft meegedeeld dat zij namens haar ex-partner heeft gehandeld. Haar ex-partner heeft dat in de verdere communicatie ook niet gemeld. In het bericht van 21 november 2024, dat UU als bijlage bij haar repliek voegt en waarin om een regeling wordt gevraagd, staat weliswaar het (door [gedaagde] aan UU gegeven) e-mailadres van de ex-partner van [gedaagde] , maar als naam is ‘ [gedaagde] ’ ingevuld. Ook achteraf had UU dus niet hoeven te begrijpen dat [gedaagde] namens haar ex-partner heeft gehandeld en dat de overeenkomst met haar ex-partner was aangegaan. 2.3. Dat sprake is van overname van schuld is eveneens onvoldoende gebleken. Hiervoor is namelijk nodig dat UU als schuldeiser toestemming hiervoor geeft en dat heeft UU niet gedaan. UU incasseert de facturen bij haar contractpartner (en dat is [gedaagde] ) en er is geen regel die UU ertoe verplicht dat bij een ander te doen. Dat de regeling is aangegaan met de ex-partner, waaruit dan moet volgen dat UU ingestemd heeft met een ‘overname van de schuld’, blijkt niet uit het bericht van 21 november 2024. Zoals eerder vermeld, stond deze regeling op naam van [gedaagde] . 2.4. De kantonrechter begrijpt uiteraard dat de veroordeling zuur en nadelig is voor [gedaagde] , (ook) gelet op het feit dat haar relatie inmiddels (op een niet vriendschappelijke manier) ten einde is. UU staat daar echter buiten. Als [gedaagde] van mening is dat haar ex-partner de vordering moet betalen, en dit vindt hij gelet op zijn verklaring van 26 september 2025 kennelijk zelf ook, dan moet [gedaagde] dit onderling met hem regelen. rente en incassokosten 2.5. De rente en de incassokosten die UU vordert voldoen aan de te stellen eisen en zijn dan ook toewijsbaar. proceskosten 2.6. [gedaagde] krijgt ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten bestaan aan de kant van UU uit € 120,78 aan kosten voor de dagvaarding, € 543,00 aan griffierecht, € 720,00 aan salaris voor haar gemachtigde (2 punten van € 360,00) en € 144,00 aan nakosten. Dit is bij elkaar € 1.527,78. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis door een deurwaarder uitgereikt moet worden. 2.7. Voor de akte van UU van 21 januari 2026 wordt niet afzonderlijk salaris toegekend. UU had in die akte kunnen volstaan met de mededeling dat de bijlagen die [gedaagde] bij haar brief van 26 november 2025 in het geding brengt, al eerder in het geding zijn gebracht. uitvoerbaar bij voorraad 2.8. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat het vonnis meteen uitgevoerd mag worden, ook als aan een hogere rechter wordt gevraagd om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan UU € 6.056,10 te betalen, met rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over € 5.086,20, vanaf het uitbrengen van de dagvaarding tot aan de dag dat dit bedrag volledig is betaald; 3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van UU begroot op een bedrag van € 1.527,78; 3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken. 686