Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-11
ECLI:NL:RBROT:2026:2858
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
4,021 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2858 text/xml public 2026-05-11T11:52:14 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-11 C/10/702429 / JE RK 25-1357 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2858 text/html public 2026-05-11T11:48:15 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2858 Rechtbank Rotterdam , 11-03-2026 / C/10/702429 / JE RK 25-1357 verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/702429 / JE RK 25-1357 Datum uitspraak: 11 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond , gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige]. De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats], advocaat mr. F. El Makhtari, kantoorhoudende in Rotterdam. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 13 augustus 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken; - de brief van de GI met bijlagen van 21 januari 2026. 1.2. Op 11 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de moeder en haar advocaat; - twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [naam 1] en [naam 2]. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige] was aanwezig bij de uitspraak en heeft deze dus zelf kunnen horen van de kinderrechter. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. 2.2. Na een uithuisplaatsing woont [minderjarige] toch weer bij de moeder. 2.3. Bij beschikking van 13 augustus 2025 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 18 maart 2026 en het overige gedeelte van het verzoek van de GI pro forma aangehouden tot 1 februari 2026. 3 Het (aangehouden) verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er moet nog worden beslist over de resterende periode tot 18 september 2026. 4 De standpunten 4.1. De GI heeft ter zitting het resterende deel van het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht. Door de vondst van een wapen op de kamer van [minderjarige] kon hij niet meer verblijven bij Zorg Hoop Liefde. Tot heden heeft [minderjarige] geen dagbesteding en geen jongerencoach en is het nog niet mogelijk om [minderjarige] op een passende vervolgplek te plaatsen. Door deze omstandigheden woont [minderjarige] sinds 16 december 2025 weer thuis bij de moeder. Op 2 januari 2026 heeft [minderjarige] opnieuw delicten gepleegd. Er zijn zorgen over het delictgedrag en het middelengebruik van [minderjarige]. Daardoor zal Innovazorg de casus opnieuw screenen. In de afgelopen periode is er vanuit de GI weinig contact met [minderjarige] en de moeder geweest. [minderjarige] heeft aangegeven dat hij niet meer gaat meewerken aan de jeugdbescherming en de jeugdreclassering. [minderjarige] heeft met name hulp en begeleiding in het strafrechtelijk kader nodig. 4.2. Namens de moeder is ter zitting verzocht om het resterende deel van het verzoek af te wijzen. Ter onderbouwing van dit standpunt is het volgende aangevoerd. Door de uithuisplaatsing van [minderjarige] is het met [minderjarige] alleen maar slechter gegaan en is hij in aanraking gekomen met justitie. Overdag verbleef [minderjarige] bij de moeder en op de groep sliep hij. [minderjarige] wil niet meewerken aan de uithuisplaatsing. De machtiging uithuisplaatsing wordt bovendien al drie maanden niet meer geëffectueerd. Al drie maanden woont [minderjarige] weer bij de moeder. Sindsdien is de situatie volgens de moeder rustig, gaat het goed en zijn er geen incidenten meer geweest. De moeder heeft met [minderjarige] en de maatschappelijk werker van Ilyada zorg de inschrijving op school geregeld. Hulpverlening voor [minderjarige] kan in het kader van de jeugdreclassering worden geboden. De GI heeft immers geen concreet plan en wil uitsluitend inzetten op Innovazorg. MST en EMDR hadden kunnen worden ingezet. Met hulp van de maatschappelijk werker heeft de moeder tevergeefs geprobeerd contact te krijgen met de jeugdbescherming. De moeder acht de voortzetting van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing contraproductief. 5 De beoordeling 5.1. Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling, zoals gesteld in artikel 1:255, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, niet meer aanwezig zijn. 5.2. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is immers gebleken dat de moeder die het gezag uitoefent de zorg die noodzakelijk is om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen, voldoende accepteert. De moeder heeft hulpverlening van maatschappelijk werk, waaraan zij, onweersproken, positief meewerkt. Zo heeft de moeder met de maatschappelijk werker van Ilyada zorg de inschrijving van [minderjarige] op school geregeld. De moeder is bereid om mee te werken met de noodzakelijke hulpverlening. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat de moeder zelfstandig in staat is om met de noodzakelijk geachte hulpverlening de bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] af te wenden. Daarbij houdt de kinderrechter er ook rekening mee dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling in de afgelopen periode weinig betrokkenheid naar [minderjarige] en de moeder heeft getoond, zoals door en namens de moeder is aangevoerd en niet door de GI is weersproken. Dit neemt echter niet weg dat er nog steeds zorgen zijn over het delictgedrag van [minderjarige]. Zo is [minderjarige] op 2 januari 2026 opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie. De bij beschikking van 13 augustus 2025 verlengde machtiging tot uithuisplaatsing wordt echter door de GI al drie maanden niet meer ten uitvoer gelegd. [minderjarige] woont immers sinds 16 december 2025 weer bij de moeder nadat zijn plaatsing bij Zorg Hoop Liefde is beëindigd. Bij een strafrechtelijke veroordeling heeft [minderjarige] jeugdreclassering opgelegd gekregen. Het is dan ook noodzakelijk dat [minderjarige] in het kader van de jeugdreclassering blijft meewerken aan de geboden hulpverlening en begeleiding. Gelet op al het voorgaande ziet de kinderrechter aanleiding om het resterende deel van het verzoek van de GI af te wijzen, voor zover hierop niet eerder is beslist. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. wijst af het resterende deel van het verzoek van de GI, voor zover hierop niet eerder is beslist. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2858 text/xml public 2026-05-11T11:52:14 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-11 C/10/702429 / JE RK 25-1357 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2858 text/html public 2026-05-11T11:48:15 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2858 Rechtbank Rotterdam , 11-03-2026 / C/10/702429 / JE RK 25-1357 verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/702429 / JE RK 25-1357 Datum uitspraak: 11 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond , gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige]. De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats], advocaat mr. F. El Makhtari, kantoorhoudende in Rotterdam. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 13 augustus 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken; - de brief van de GI met bijlagen van 21 januari 2026. 1.2. Op 11 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de moeder en haar advocaat; - twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [naam 1] en [naam 2]. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige] was aanwezig bij de uitspraak en heeft deze dus zelf kunnen horen van de kinderrechter. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. 2.2. Na een uithuisplaatsing woont [minderjarige] toch weer bij de moeder. 2.3. Bij beschikking van 13 augustus 2025 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 18 maart 2026 en het overige gedeelte van het verzoek van de GI pro forma aangehouden tot 1 februari 2026. 3 Het (aangehouden) verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er moet nog worden beslist over de resterende periode tot 18 september 2026. 4 De standpunten 4.1. De GI heeft ter zitting het resterende deel van het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht. Door de vondst van een wapen op de kamer van [minderjarige] kon hij niet meer verblijven bij Zorg Hoop Liefde. Tot heden heeft [minderjarige] geen dagbesteding en geen jongerencoach en is het nog niet mogelijk om [minderjarige] op een passende vervolgplek te plaatsen. Door deze omstandigheden woont [minderjarige] sinds 16 december 2025 weer thuis bij de moeder. Op 2 januari 2026 heeft [minderjarige] opnieuw delicten gepleegd. Er zijn zorgen over het delictgedrag en het middelengebruik van [minderjarige]. Daardoor zal Innovazorg de casus opnieuw screenen. In de afgelopen periode is er vanuit de GI weinig contact met [minderjarige] en de moeder geweest. [minderjarige] heeft aangegeven dat hij niet meer gaat meewerken aan de jeugdbescherming en de jeugdreclassering. [minderjarige] heeft met name hulp en begeleiding in het strafrechtelijk kader nodig. 4.2. Namens de moeder is ter zitting verzocht om het resterende deel van het verzoek af te wijzen. Ter onderbouwing van dit standpunt is het volgende aangevoerd. Door de uithuisplaatsing van [minderjarige] is het met [minderjarige] alleen maar slechter gegaan en is hij in aanraking gekomen met justitie. Overdag verbleef [minderjarige] bij de moeder en op de groep sliep hij. [minderjarige] wil niet meewerken aan de uithuisplaatsing. De machtiging uithuisplaatsing wordt bovendien al drie maanden niet meer geëffectueerd. Al drie maanden woont [minderjarige] weer bij de moeder. Sindsdien is de situatie volgens de moeder rustig, gaat het goed en zijn er geen incidenten meer geweest. De moeder heeft met [minderjarige] en de maatschappelijk werker van Ilyada zorg de inschrijving op school geregeld. Hulpverlening voor [minderjarige] kan in het kader van de jeugdreclassering worden geboden. De GI heeft immers geen concreet plan en wil uitsluitend inzetten op Innovazorg. MST en EMDR hadden kunnen worden ingezet. Met hulp van de maatschappelijk werker heeft de moeder tevergeefs geprobeerd contact te krijgen met de jeugdbescherming. De moeder acht de voortzetting van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing contraproductief. 5 De beoordeling 5.1. Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling, zoals gesteld in artikel 1:255, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, niet meer aanwezig zijn. 5.2. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is immers gebleken dat de moeder die het gezag uitoefent de zorg die noodzakelijk is om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen, voldoende accepteert. De moeder heeft hulpverlening van maatschappelijk werk, waaraan zij, onweersproken, positief meewerkt. Zo heeft de moeder met de maatschappelijk werker van Ilyada zorg de inschrijving van [minderjarige] op school geregeld. De moeder is bereid om mee te werken met de noodzakelijke hulpverlening. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat de moeder zelfstandig in staat is om met de noodzakelijk geachte hulpverlening de bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] af te wenden. Daarbij houdt de kinderrechter er ook rekening mee dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling in de afgelopen periode weinig betrokkenheid naar [minderjarige] en de moeder heeft getoond, zoals door en namens de moeder is aangevoerd en niet door de GI is weersproken. Dit neemt echter niet weg dat er nog steeds zorgen zijn over het delictgedrag van [minderjarige]. Zo is [minderjarige] op 2 januari 2026 opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie. De bij beschikking van 13 augustus 2025 verlengde machtiging tot uithuisplaatsing wordt echter door de GI al drie maanden niet meer ten uitvoer gelegd. [minderjarige] woont immers sinds 16 december 2025 weer bij de moeder nadat zijn plaatsing bij Zorg Hoop Liefde is beëindigd. Bij een strafrechtelijke veroordeling heeft [minderjarige] jeugdreclassering opgelegd gekregen. Het is dan ook noodzakelijk dat [minderjarige] in het kader van de jeugdreclassering blijft meewerken aan de geboden hulpverlening en begeleiding. Gelet op al het voorgaande ziet de kinderrechter aanleiding om het resterende deel van het verzoek van de GI af te wijzen, voor zover hierop niet eerder is beslist. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. wijst af het resterende deel van het verzoek van de GI, voor zover hierop niet eerder is beslist. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.