Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-18
ECLI:NL:RBROT:2026:2807
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,079 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2807 text/xml public 2026-04-15T10:55:19 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-18 C/10/715676 / KG ZA 26-198 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2807 text/html public 2026-04-15T10:54:30 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2807 Rechtbank Rotterdam , 18-03-2026 / C/10/715676 / KG ZA 26-198 Kort geding. Executiegeschil (ontruiming huurder). Toewijzing. Het belang van eiser weegt gedurende een bepaalde periode zwaarder dan het belang van gedaagde. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/715676 / KG ZA 26-198 Vonnis in kort geding van 18 maart 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , eisende partij, advocaat: mr. S.A. Chedie, tegen STICHTING HEF WONEN , te Rotterdam, gedaagde partij, advocaat: mr. R.H. Ruysendaal. Partijen worden hierna de vrouw en Hef Wonen genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 6 maart 2026, met bijlagen 1 tot en met 6; - bijlage 8 van de vrouw; - twee ongenummerde bijlagen van Hef Wonen; - de mondelinge behandeling van 16 maart 2026; - de pleitnota van mr. R.H. Ruysendaal. 2 De feiten 2.1. De vrouw huurt een woning van Hef Wonen. Bij vonnis van de kantonrechter van 6 februari 2026 heeft de kantonrechter bepaald dat de vrouw de woning moet ontruimen omdat de vrouw zorgt voor ernstige overlast voor de omwonenden. De ontruiming staat gepland op 19 maart 2026. De vrouw vordert, samengevat, schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. De vorderingen van de vrouw worden (gedeeltelijk) toegewezen. 3 Het geschil 3.1. De vrouw vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad dat de voorzieningenrechter: I. de aangezegde tenuitvoerlegging van het vonnis d.d. 6 februari 2026 c.q. de aangezegde ontruiming d.d. 19 maart 2026 te schorsen en Hef Wonen te verbieden om tot tenuitvoerlegging van het vonnis d.d. 6 februari 2026 over te gaan tot vier weken na het wijzen van arrest in hoger beroep, steeds op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag tot een maximum van € 10.000,00; II. (een) zodanige voorziening(en), binnen een zodanige termijn, treft die de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 wanneer Hef Wonen niet aan de veroordeling onder I voldoet; III. Hef Wonen te veroordelen in de proceskosten inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien deze kosten niet zijn voldaan binnen drie dagen na betekening van dit vonnis. 3.2. De vrouw legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De kantonrechter heeft de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet gemotiveerd. De kantonrechter heeft enkel één belang van de vrouw om de woning te behouden benoemd maar de belangen vervolgens niet (juist) afgewogen en/of zich bediend van aannames en/of onjuiste feiten. Om die reden dient er nog een (juiste en volledige) belangenafweging plaats te vinden. De vrouw stelt dat deze belangenafweging in haar voordeel dient uit te vallen. 3.3. Hef Wonen voert verweer. Hef Wonen concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. 4.2. Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag. De executie wordt tijdelijk geschorst 4.3. De vrouw stelt dat de kantonrechter de belangen niet (juist) heeft afgewogen en/of zich heeft bediend van aannames en/of onjuiste feiten. Het gaat de vrouw dus om een onjuiste belangenafweging en niet om een kennelijke misslag in het vonnis van de kantonrechter. Dat laatste is in ieder geval niet gesteld door de vrouw. 4.4. Dat de kantonrechter de belangen niet (juist) heeft afgewogen en/of zich heeft bediend van aannames en/of onjuiste feiten zoals de vrouw stelt, vindt geen steun in het vonnis van de kantonrechter, noch in de overgelegde producties, met de volgende nuancering. 4.5. De in dit kort geding overgelegde recente brief van de behandelend psychiater vermeldt: “Momenteel wordt ingezet op plaatsing in een vorm van Begeleid Wonen, waarin cliënte naast behandeling ook structurele begeleiding ontvangt. Deze aanvraag is met urgentie in gang gezet zodra duidelijk werd dat cliënte haar huidige woning dient te verlaten. Op inhoudelijke gronden wordt verwacht dat cliënte voldoet aan de criteria voor deze woonvorm; de aanvraag is echter op dit moment nog niet volledig administratief afgerond. De verwachting is dat plaatsing binnen enkele maanden gerealiseerd kan worden. Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het behoud van passende huisvesting van essentieel belang is ter voorkoming van ernstige psychiatrische ontregeling, maatschappelijke teloorgang en verhoogde veiligheidsrisico's voor cliënte.” 4.6. Mevrouw [naam] , de begeleider van de vrouw via Antes, en de advocaat van de vrouw hebben ter zitting uitleg verstrekt over de procedure rondom de met urgentie in gang gezette aanvraag van Begeleid Wonen. Pas nadat er concreet zicht was op uithuisplaatsing, is dat proces in gang gezet. Eerder was dat in hun visie niet mogelijk. 4.7. Evident is dat de vrouw er groot belang bij heeft dat de ontruiming nog korte tijd wordt opgeschort opdat de hulpverlening het daarheen kan leiden dat een plek bij Begeleid Wonen ter beschikking kan worden gesteld, dan wel een tijdelijke noodoplossing kan worden gerealiseerd tot het moment waarop die plek beschikbaar is. In dit verband is van belang dat er zicht is op andere woonruimte met Begeleid Wonen, waarbij de vrouw naast behandeling ook structurele begeleiding ontvangt. Volgens de behandelend psychiater van de vrouw is de verwachting dat de vrouw op inhoudelijke gronden voldoet aan de criteria voor deze woonvorm en zijn er enkel administratieve werkzaamheden die moeten worden doorlopen. 4.8. Het hiervoor genoemde belang van de vrouw dient te worden afgewogen tegen het belang van Hef Wonen. Hef Wonen moet ook de belangen van haar andere huurders (omwonenden) dienen. Ook die huurders kunnen aanspraak maken op rustig huurgenot. Duidelijk is dat er in het verleden diverse perioden zijn geweest waarin zij dat onvoldoende hebben genoten. In dit verband is van belang dat Hef Wonen ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat er geen recente klachten zijn van andere huurders waaruit kan worden afgeleid dat in de situatie van dit moment het rustig huurgenot van de andere huurders wordt aangetast door gedragingen van de vrouw. 4.9. Niet onaannemelijk is dat op dit moment bestaande relatief rustige huursituatie ermee samenhangt dat de vrouw momenteel gedwongen zorg ontvangt. Die gedwongen zorg loopt tot mei 2026. Wat er daarna gaat gebeuren is onzeker. De kantonrechter heeft in het vonnis waarbij de huurovereenkomst is ontbonden en de vrouw is veroordeeld tot ontruiming meegewogen dat er geen duidelijk perspectief op bestendige verbetering was. Tijdens de zitting bij de kantonrechter heeft de vrouw aangegeven dat zij het niet eens is met haar behandeltraject.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2807 text/xml public 2026-04-15T10:55:19 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-18 C/10/715676 / KG ZA 26-198 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2807 text/html public 2026-04-15T10:54:30 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2807 Rechtbank Rotterdam , 18-03-2026 / C/10/715676 / KG ZA 26-198 Kort geding. Executiegeschil (ontruiming huurder). Toewijzing. Het belang van eiser weegt gedurende een bepaalde periode zwaarder dan het belang van gedaagde. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/715676 / KG ZA 26-198 Vonnis in kort geding van 18 maart 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , eisende partij, advocaat: mr. S.A. Chedie, tegen STICHTING HEF WONEN , te Rotterdam, gedaagde partij, advocaat: mr. R.H. Ruysendaal. Partijen worden hierna de vrouw en Hef Wonen genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 6 maart 2026, met bijlagen 1 tot en met 6; - bijlage 8 van de vrouw; - twee ongenummerde bijlagen van Hef Wonen; - de mondelinge behandeling van 16 maart 2026; - de pleitnota van mr. R.H. Ruysendaal. 2 De feiten 2.1. De vrouw huurt een woning van Hef Wonen. Bij vonnis van de kantonrechter van 6 februari 2026 heeft de kantonrechter bepaald dat de vrouw de woning moet ontruimen omdat de vrouw zorgt voor ernstige overlast voor de omwonenden. De ontruiming staat gepland op 19 maart 2026. De vrouw vordert, samengevat, schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. De vorderingen van de vrouw worden (gedeeltelijk) toegewezen. 3 Het geschil 3.1. De vrouw vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad dat de voorzieningenrechter: I. de aangezegde tenuitvoerlegging van het vonnis d.d. 6 februari 2026 c.q. de aangezegde ontruiming d.d. 19 maart 2026 te schorsen en Hef Wonen te verbieden om tot tenuitvoerlegging van het vonnis d.d. 6 februari 2026 over te gaan tot vier weken na het wijzen van arrest in hoger beroep, steeds op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag tot een maximum van € 10.000,00; II. (een) zodanige voorziening(en), binnen een zodanige termijn, treft die de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 wanneer Hef Wonen niet aan de veroordeling onder I voldoet; III. Hef Wonen te veroordelen in de proceskosten inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien deze kosten niet zijn voldaan binnen drie dagen na betekening van dit vonnis. 3.2. De vrouw legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De kantonrechter heeft de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet gemotiveerd. De kantonrechter heeft enkel één belang van de vrouw om de woning te behouden benoemd maar de belangen vervolgens niet (juist) afgewogen en/of zich bediend van aannames en/of onjuiste feiten. Om die reden dient er nog een (juiste en volledige) belangenafweging plaats te vinden. De vrouw stelt dat deze belangenafweging in haar voordeel dient uit te vallen. 3.3. Hef Wonen voert verweer. Hef Wonen concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. 4.2. Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag. De executie wordt tijdelijk geschorst 4.3. De vrouw stelt dat de kantonrechter de belangen niet (juist) heeft afgewogen en/of zich heeft bediend van aannames en/of onjuiste feiten. Het gaat de vrouw dus om een onjuiste belangenafweging en niet om een kennelijke misslag in het vonnis van de kantonrechter. Dat laatste is in ieder geval niet gesteld door de vrouw. 4.4. Dat de kantonrechter de belangen niet (juist) heeft afgewogen en/of zich heeft bediend van aannames en/of onjuiste feiten zoals de vrouw stelt, vindt geen steun in het vonnis van de kantonrechter, noch in de overgelegde producties, met de volgende nuancering. 4.5. De in dit kort geding overgelegde recente brief van de behandelend psychiater vermeldt: “Momenteel wordt ingezet op plaatsing in een vorm van Begeleid Wonen, waarin cliënte naast behandeling ook structurele begeleiding ontvangt. Deze aanvraag is met urgentie in gang gezet zodra duidelijk werd dat cliënte haar huidige woning dient te verlaten. Op inhoudelijke gronden wordt verwacht dat cliënte voldoet aan de criteria voor deze woonvorm; de aanvraag is echter op dit moment nog niet volledig administratief afgerond. De verwachting is dat plaatsing binnen enkele maanden gerealiseerd kan worden. Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het behoud van passende huisvesting van essentieel belang is ter voorkoming van ernstige psychiatrische ontregeling, maatschappelijke teloorgang en verhoogde veiligheidsrisico's voor cliënte.” 4.6. Mevrouw [naam] , de begeleider van de vrouw via Antes, en de advocaat van de vrouw hebben ter zitting uitleg verstrekt over de procedure rondom de met urgentie in gang gezette aanvraag van Begeleid Wonen. Pas nadat er concreet zicht was op uithuisplaatsing, is dat proces in gang gezet. Eerder was dat in hun visie niet mogelijk. 4.7. Evident is dat de vrouw er groot belang bij heeft dat de ontruiming nog korte tijd wordt opgeschort opdat de hulpverlening het daarheen kan leiden dat een plek bij Begeleid Wonen ter beschikking kan worden gesteld, dan wel een tijdelijke noodoplossing kan worden gerealiseerd tot het moment waarop die plek beschikbaar is. In dit verband is van belang dat er zicht is op andere woonruimte met Begeleid Wonen, waarbij de vrouw naast behandeling ook structurele begeleiding ontvangt. Volgens de behandelend psychiater van de vrouw is de verwachting dat de vrouw op inhoudelijke gronden voldoet aan de criteria voor deze woonvorm en zijn er enkel administratieve werkzaamheden die moeten worden doorlopen. 4.8. Het hiervoor genoemde belang van de vrouw dient te worden afgewogen tegen het belang van Hef Wonen. Hef Wonen moet ook de belangen van haar andere huurders (omwonenden) dienen. Ook die huurders kunnen aanspraak maken op rustig huurgenot. Duidelijk is dat er in het verleden diverse perioden zijn geweest waarin zij dat onvoldoende hebben genoten. In dit verband is van belang dat Hef Wonen ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat er geen recente klachten zijn van andere huurders waaruit kan worden afgeleid dat in de situatie van dit moment het rustig huurgenot van de andere huurders wordt aangetast door gedragingen van de vrouw. 4.9. Niet onaannemelijk is dat op dit moment bestaande relatief rustige huursituatie ermee samenhangt dat de vrouw momenteel gedwongen zorg ontvangt. Die gedwongen zorg loopt tot mei 2026. Wat er daarna gaat gebeuren is onzeker. De kantonrechter heeft in het vonnis waarbij de huurovereenkomst is ontbonden en de vrouw is veroordeeld tot ontruiming meegewogen dat er geen duidelijk perspectief op bestendige verbetering was. Tijdens de zitting bij de kantonrechter heeft de vrouw aangegeven dat zij het niet eens is met haar behandeltraject.