Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-13
ECLI:NL:RBROT:2026:2677
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,007 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:2677 text/xml public 2026-04-09T11:22:19 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-13 11817423 CV EXPL 25-16478 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2677 text/html public 2026-04-09T11:21:25 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2677 Rechtbank Rotterdam , 13-03-2026 / 11817423 CV EXPL 25-16478 Huur woonruimte. De huurovereenkomst wordt ontbonden vanwege een grote huurachterstand. Huurder moet de woning uit. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11817423 CV EXPL 25-16478 datum uitspraak: 13 maart 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Stichting Havensteder , vestigingsplaats: Rotterdam, eiseres, gemachtigde: Hafkamp Groenewegen gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 28 juli 2025, met bijlagen; het antwoord, met bijlagen; de mail van 8 januari 2025 van de gemachtigde van Havensteder, met bijlage; de rolbeslissing van 16 januari 2026; de akte van 12 februari 2026 van Havensteder, met bijlage. 1.2. Op 13 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig de heer [naam] namens de gemachtigde van Havensteder en [gedaagde] . 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [gedaagde] huurt vanaf 18 januari 2024 een woning van Havensteder. De huur is nu € 834,20 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. Havensteder eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen en de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is. [gedaagde] moet een huurachterstand van € 10.621,78 betalen 2.2. Op het moment van dagvaarden had [gedaagde] een huurachterstand van (€ 10.036,38 -/- € 833,00 =) € 9.203,38. Vast staat dat [gedaagde] daarna t/m 29 november 2025 € 833,00 per maand heeft betaald en daarbovenop ter aflossing een bedrag van € 50,00 per maand. Op het moment van de zitting van 13 januari 2026 was de huurachterstand € 9.787,58. Dat stelt Havensteder met verwijzing naar de recente specificatie. [gedaagde] betwist dat niet. De huur voor januari 2026 was toen nog niet betaald. [gedaagde] heeft dat erkend. 2.3. Havensteder heeft de gelegenheid gekregen om op 12 februari 2026 te laten weten of de huur voor januari en februari 2026 is betaald. [gedaagde] heeft de gelegenheid gekregen om op 12 februari 2026 bankafschriften te overleggen van de betalingen van de huur voor januari en februari 2026 en om te laten weten hoe het ervoor staat met de volgens hem ingeschakelde schuldhulpverlening. Dat staat in de rolbeslissing van 16 januari 2026. Havensteder heeft vervolgens bij akte laten weten dat [gedaagde] de huur van januari en februari 2026 niet heeft betaald. De schuldhulpverlener van [gedaagde] heeft op 21 januari 2026 gevraagd om een specificatie van de achterstand maar na verstrekking hiervan niets meer van zich laten horen, aldus Havensteder. [gedaagde] heeft helemaal niet gereageerd. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] de huur voor januari en februari 2026 niet heeft betaald. Dat betekent dat de huurachterstand is opgelopen. De achterstand berekend tot 12 februari 2026 is (€ 9.787,58 + € 834,20 =) € 10.621,78. [gedaagde] wordt veroordeeld dat bedrag te betalen aan Havensteder. De huurovereenkomst wordt ontbonden 2.4. De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden: dat er op het moment van dagvaarden in juli 2025 een achterstand was van elf maanden, dat de huur voor augustus 2025 t/m december 2025 wel op tijd is betaald; dat de huur voor januari en februari 2026 niet is betaald, waardoor de huurachterstand is opgelopen naar een achterstand van twaalf maanden; dat [gedaagde] niet heeft laten weten hoe het ervoor staat met schuldhulpverlening, dat het onduidelijk is of [gedaagde] de maandelijkse huurtermijnen kan betalen en of er enig zicht is op een concreet voorstel voor het aflossen van de huurachterstand; dat [gedaagde] evident belang heeft bij het behouden van zijn woning, maar dat Havensteder belang heeft bij een huurder die een essentiële huurdersverplichting nakomt, namelijk het betalen van de huur. In dit geval is er sprake van een ernstige tekortkoming van [gedaagde] , die mede gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, de ontbinding van de huurovereenkomst met de gevolgen rechtvaardigt. [gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen 2.5. Omdat de huurovereenkomst wordt ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis. 2.6. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 834,20 per maand betalen (artikel 7:225 BW). Havensteder eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur. De nevenvorderingen zijn ingetrokken 2.7. De kantonrechter beslist niet op de nevenvorderingen (de buitengerechtelijke kosten en de rente) die in de dagvaarding zijn ingesteld. Tijdens de zitting is namens Havensteder meegedeeld dat deze vorderingen worden ingetrokken als de kantonrechter een vonnis wijst. Geen oneerlijke bepalingen 2.8. De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 2.9. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Havensteder moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 543,00 aan griffierecht, € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.552,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 2.10. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. Betalingen en betalingsregeling 2.11. Voor zover [gedaagde] betalingen heeft gedaan die door Havensteder of de incassogemachtigde van Havensteder zijn ontvangen maar niet zijn meegenomen in de beoordeling, strekken die betalingen uiteraard in mindering van hetgeen [gedaagde] vanwege dit vonnis aan Havensteder moet betalen. 2.12. [gedaagde] heeft tijdens de procedure gevraagd om een betalingsregeling, maar de kantonrechter kan geen betalingsregeling vaststellen in dit vonnis. Daarvoor moet Havensteder namelijk toestemming geven en dat heeft Havensteder niet gedaan (artikel 6:29 BW). [gedaagde] kan wel contact opnemen met de gemachtigde van Havensteder om te vragen of Havensteder alsnog een betalingsregeling wil afspreken. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Havensteder te betalen € 10.621,78 aan huurachterstand berekend tot 12 februari 2026; 3.2.