Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-03-06
ECLI:NL:RBROT:2026:2567
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: ROT 23/7389 en ROT 25/5849 uitspraak van de meervoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaken tussen Centraal Administratiekantoor Dordrecht B.V. (CAK), uit Dordrecht (gemachtigden: mr. F.M.A. ’t Hart en mr. F. Wolthuis Scheeres), en Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) (gemachtigden: mr. A.J. de Heer en mr. C.G. Top). Procesverloop Voor een weergave van het procesverloop tot 21 februari 2025 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van die datum (ECLI:NL:RBROT:2025:2085). Bij de tussenuitspraak is de AFM in de gelegenheid gesteld om de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit van 27 september 2023 (bestreden besluit) te herstellen. Bij besluit van 2 mei 2025 (wijzigingsbesluit) heeft de AFM het bezwaar tegen het boetebesluit van 21 november 2022 gedeeltelijk gegrond verklaard, het bestreden besluit deels gewijzigd, het boetebesluit deels herroepen en de hoogte van de aan CAK opgelegde bestuurlijke boete vastgesteld op € 750.000,-. CAK heeft op 18 juni 2025 een zienswijze ingediend over het wijzigingsbesluit. De AFM heeft vervolgens bij besluit van 21 juli 2025 besloten het wijzigingsbesluit openbaar te maken (publicatiebesluit). CAK heeft op 25 juli 2025 bezwaar gemaakt tegen het publicatiebesluit. Daarbij heeft CAK de AFM op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep tegen het publicatiebesluit. Tevens heeft CAK de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de openbaarmaking wordt geschorst (ROT 25/5745). Bij brief van 28 juli 2025 heeft de AFM de rechtbank bericht in te stemmen met het verzoek van CAK om rechtstreeks beroep tegen het publicatiebesluit toe te staan. De rechtbank heeft partijen op 30 juli 2025 bericht dat het (rechtstreekse) beroep tegen het publicatiebesluit in behandeling zal worden genomen (ROT 25/5849) en gevoegd met het beroep tegen het wijzigingsbesluit (ROT 23/7389) zal worden behandeld. CAK heeft het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het publicatiebesluit op 14 augustus 2025 – als onderdeel van met de AFM gemaakte procesafspraken – ingetrokken. CAK heeft op 1 september 2025 de beroepsgronden tegen het publicatiebesluit ingediend. De AFM heeft op 8 september 2025 in zaak ROT 25/5849 (over het publicatiebesluit) een verweerschrift ingediend. Op 11 september 2025 heeft de AFM een verweerschrift in zaak ROT 23/7389 (over de boete) ingediend. Op 22 september 2025 heeft de rechtbank de beroepen gelijktijdig en gevoegd met gesloten deuren op zitting behandeld. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Daarnaast zijn namens CAK verschenen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . De AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Tevens zijn namens de AFM verschenen mr. [naam 5] , mr. [naam 6] en [naam 7] . Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek in zaak ROT 23/7389 gesloten. De rechtbank heeft het onderzoek in zaak ROT 25/5849 geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg tot afspraken te komen over de voorgenomen openbaarmaking van het wijzigingsbesluit. De AFM heeft de rechtbank op 6 oktober 2025 bericht dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de openbaarmaking van het wijzigingsbesluit. De rechtbank heeft partijen op 14 oktober 2025 bericht over het verdere verloop van de procedure in zaak ROT 25/5849. Daarbij heeft de rechtbank partijen de mogelijkheid geboden om te proberen op een nadere zitting onder (bege)leiding van de rechtbank alsnog tot overeenstemming te komen over de openbaarmaking van het wijzigingsbesluit. De AFM en CAK hebben de rechtbank op 24 oktober 2025 bericht dat zij gebruik wensen te maken van deze mogelijkheid. De rechtbank heeft de zaak ROT 25/5849 vervolgens verwezen naar de enkelvoudige kamer. Op 12 december 2025 heeft de (enkelvoudige kamer van de) rechtbank een nadere zitting ge Het verstrekken van onjuiste, onduidelijke en/of misleidende informatie over de indexering van de premie voor de inboedelverzekeringen (naar het oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak bewezen en ernstig). 3. Het verstrekken van onjuiste en/of misleidende informatie over de vervaltermijn voor schademeldingen onder de allrisk inboedelverzekering (naar het oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak bewezen, maar niet ernstig). 4. Het verstrekken van onduidelijke en/of misleidende informatie over de premieverhoging van de autoverzekeringen (naar het oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak niet bewezen). 5. Het verstrekken van onduidelijke en/of misleidende informatie over wijzigingen van de schadeverzekering voor inzittenden (SVI) (naar het oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak bewezen en ernstig). 6. Het verstrekken van onduidelijke en/of misleidende informatie over klantreviews vanwege haar plaatsingsbeleid (naar het oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak bewezen en ernstig). 7. Het verstrekken van onduidelijke en/of misleidende informatie over klantreviews doordat CAK derden (positieve) reviews heeft laten plaatsen (naar het oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak niet deugdelijk gemotiveerd). 8. Het verstrekken van onduidelijke en/of misleidende informatie over klantreviews door deze van cijfers om te rekenen in sterren (naar het oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak niet bewezen). Het basisbedrag van een boete voor één overtreding van artikel 4:19, tweede lid, van de Wft is € 500.000,-. De AFM heeft in het aantal overtredingen en de ernst en duur daarvan aanleiding gezien om, met toepassing van stap 1 en 5 van het Boetetoemetingsbeleid 2021, de boete te verhogen met 50% ten opzichte van het basisbedrag. De AFM heeft daarom de aan CAK opgelegde bestuurlijke boete vastgesteld op € 750.000,-. 5. Bij afzonderlijk besluit van 21 juli 2025 heeft de AFM besloten het wijzigingsbesluit openbaar te maken (het publicatiebesluit). De AFM heeft – na overleg met CAK – ingestemd met rechtstreeks beroep tegen het publicatiebesluit en heeft toegezegd pas over te gaan tot openbaarmaking van het wijzigingsbesluit nadat de rechtbank (eind)uitspraak heeft gedaan op het beroep. Beroep ROT 23/7389 Het wijzigingsbesluit is een 6:19-besluit 6. CAK betoogt allereerst dat het wijzigingsbesluit geen besluit is in de zin van artikel 6:19 van de Awb, omdat de AFM een andere grondslag voor de opgelegde boete heeft gebruikt. 7. De rechtbank stelt voorop dat partijen ter zitting desgevraagd te kennen hebben gegeven dat zij willen dat de rechtbank kennis neemt van het wijzigingsbesluit en dit besluit binnen het bestek van deze procedure toetst. De rechtbank overweegt verder dat de AFM het wijzigingsbesluit heeft genomen ter uitvoering van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank diverse gebreken in het bestreden besluit heeft geconstateerd. Daarmee is het wijzigingsbesluit een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb (zie ook Kamerstukken 2010/11, 32 450, nr. 3, p. 33). De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt dus niet. Het wijzigingsbesluit is deels onrechtmatig 8. CAK betoogt dat het wijzigingsbesluit om meerdere redenen onrechtmatig is. In de eerste plaats voert CAK hiertoe aan dat de AFM op een onrechtmatige wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak. De AFM heeft ten onrechte nagelaten (kenbaar) te motiveren waarom er niet voor is gekozen om van bestraffing af te zien. De AFM heeft voor dezelfde feiten een nieuwe boete opgelegd, echter op een andere wettelijke grondslag. Dit is een ontoelaatbare grondslagwijziging. CAK stelt zich verder op het standpunt dat het wijzigingsbesluit in strijd is met de goede procesorde en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zij wordt namelijk geconfronteerd met een nieuw boetebesluit, gebaseerd op een andere grondslag, zonder dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt. D De AFM heeft CAK al in het oorspronkelijke boetebesluit, waartegen bezwaar is gemaakt, de overtredingen van artikel 4:19, tweede lid, van de Wft verweten waar het in het wijzigingsbesluit om gaat. CAK heeft vervolgens (deels succesvol) beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en zich ook in de beroepsprocedure kunnen uitlaten over deze aan haar verweten overtredingen. CAK is ook na de tussenuitspraak niet geconfronteerd met nieuwe of andere feiten. De rechtbank ziet daarom niet in dat CAK in haar verdedigingsrechten is geschaad of dat de goede procesorde zich verzet tegen het wijzigingsbesluit. Informatieverstrekking over premieverhogingen (overtreding 4) 12. De rechtbank stelt voorop dat zij in haar tussenuitspraak (onder 12.2 – 12.4) heeft geoordeeld dat de AFM niet heeft aangetoond dat de berichtgeving van CAK over de op handen zijnde premieverhogingen van de autoverzekeringen onduidelijk en/of misleidend is en dus ook niet dat er op dit punt sprake is van een overtreding van artikel 4:19, tweede lid, van de Wft. De AFM heeft in het wijzigingsbesluit echter opnieuw aan CAK verweten dat zij artikel 4:19, tweede lid, van de Wft heeft overtreden bij haar berichtgeving over de op handen zijnde premieverhogingen van de autoverzekeringen. De rechtbank begrijpt, mede op basis van het verhandelde ter zitting, dat de AFM de rechtbank hiermee verzoekt op dit punt terug te komen van haar tussenuitspraak. In dat kader heeft de AFM, onder verwijzing naar onder andere het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 maart 2023 (ECLI:EU:C:2013:180), het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1780) en de uitspraak van het Kifid van 3 april 2025, nr. 2025-0272), aan haar standpunt toegevoegd dat de meest relevante boodschap in de eerste laag van de berichtgeving moet worden opgenomen wanneer de informatie – zoals in dit geval – gelaagd wordt gecommuniceerd. CAK heeft in reactie hierop betoogd dat de AFM hiermee buiten de door de rechtbank in de tussenuitspraak gegeven opdracht is getreden. 13. De rechtbank volgt CAK in haar betoog. Aan het verzoek van de AFM om terug te komen van het oordeel in de tussenuitspraak ligt ten grondslag dat de AFM het oneens is met dat oordeel. Dat is geen zeer bijzondere situatie die maakt dat de rechtbank mag (en moet) terugkomen van het oordeel in de tussenuitspraak dat de AFM niet heeft aangetoond dat CAK artikel 4:19, tweede lid, van de Wft met deze informatieverstrekking heeft overtreden. Voor zover het betoog van de AFM na de tussenuitspraak nieuwe elementen bevat die de rechtbank niet heeft kunnen betrekken bij haar beoordeling in de tussenuitspraak, is gesteld noch gebleken dat de AFM die elementen niet eerder in de procedure had kunnen en ook moeten aanvoeren. Dit betekent dat de AFM aan het wijzigingsbesluit ten onrechte mede ten grondslag heeft gelegd dat CAK artikel 4:19, tweede lid, van de Wft heeft overtreden bij haar berichtgeving over de premieverhogingen van autoverzekeringen. Deze ‘overtreding 4’ heeft de AFM dus niet aan de boeteoplegging in het wijzigingsbesluit ten grondslag mogen leggen. De hiertoe aangedragen beroepsgrond slaagt. Klantenreviews (overtreding 6, 7 en 8 in de nummering onder overweging 4 van deze uitspraak, in de tussenuitspraak alle drie beoordeeld als onderdeel van overtreding 6) 14. De rechtbank overweegt over de verweten overtreding(en) met betrekking tot de klantenreviews als volgt. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat CAK onduidelijke en misleidende informatie heeft verstrekt door de wijze waarop zij op grond van haar plaatsingsbeleid (informatie over) de reviews op de website van Promovendum heeft weergegeven (overtreding 6). CAK heeft deze overtreding wederom betwist, maar de rechtbank ziet hierin geen aanleiding om van haar oordeel in de tussenuitspraak terug te komen. Ook op dit punt doet zich namelijk geen zeer bijzondere situatie voor die maakt dat de rechtbank kan en moet terugkomen van de tussenuitspr Het gaat hierbij om de informatieverstrekking over de wijziging van de voorwaarden voor een vergoeding van contra-expertise (overtreding 1) en over de vervaltermijn (overtreding 3). De andere overtredingen die de AFM aan CAK heeft verweten (overtredingen 4, 7 en 8) zijn niet aangetoond en heeft de AFM dus ten onrechte aan het wijzigingsbesluit ten grondslag gelegd. De door CAK aangevoerde beroepsgronden slagen dus deels. De gevolgen hiervan zullen later in deze uitspraak aan de orde komen. Opportuniteit en evenredigheid boeteoplegging 18. CAK betoogt dat de (gehandhaafde) boeteoplegging in strijd is met het opportuniteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel. Door de gang van zaken is CAK reeds genoeg gestraft. Een boete is niet meer op zijn plaats en het had op de weg van de AFM gelegen om te volstaan met een informele maatregel, aldus CAK. 19. De AFM heeft gebruik gemaakt van de haar op grond van artikel 1:80, aanhef en onder a, van de Wft toegekende discretionaire bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen aan een instelling die artikel 4:19, tweede lid, van de Wft heeft overtreden. De rechter moet het gebruik van deze bevoegdheid terughoudend toetsen. Het is immers niet (en in ieder geval niet in de eerste plaats) aan de rechter om te bepalen wanneer de AFM een boete mag opleggen en wanneer niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de AFM in het wijzigingsbesluit in redelijkheid bij haar standpunt kunnen blijven dat boeteoplegging aan CAK, gelet op de aard en ernst en duur van de overtredingen en de hoeveelheid overtredingen, opportuun en evenredig is. Zoals hiervoor door de rechtbank is overwogen heeft de AFM zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat CAK in vijf gevallen artikel 4:19, tweede lid, van de Wft heeft overtreden en heeft de AFM deze overtredingen in drie gevallen terecht als ernstig aangemerkt. Het gegeven dat er in de loop van het onderzoek door de AFM en vervolgens in de beroepsprocedure bij de rechtbank meerdere overtredingen zijn komen te vervallen of door de rechtbank niet als ernstig zijn aangemerkt, maakt niet dat de AFM niet langer in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid om aan CAK een boete op te leggen. Dit geldt ook voor de overtredingen die de AFM ten grondslag heeft gelegd aan het wijzigingsbesluit en waarover de rechtbank heeft geoordeeld dat deze overtredingen niet zijn aangetoond. Dit laat immers onverlet dat de wel aangetoonde overtredingen voldoende grondslag vormen voor boeteoplegging. In wat CAK heeft aangevoerd is dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat boeteoplegging niet opportuun of in strijd met het subsidiariteitsbeginsel is. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Hoogte boete 20. CAK betoogt verder dat de AFM de boete te hoog heeft vastgesteld. De AFM heeft in de aard en ernst van de geconstateerde overtredingen aanleiding gezien om de boete met 50% te verhogen ten opzichte van het basisbedrag zonder dit voldoende te motiveren. Er zijn juist omstandigheden die aanleiding geven tot verlaging van de boete. CAK heeft zich tijdens het onderzoek welwillend en meewerkend opgesteld. De klanten van CAK hebben nagenoeg geen schade geleden en zijn, voor zover dat wel het geval is, door CAK gecompenseerd. De AFM heeft daarnaast geen rekening gehouden met het gegeven dat de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat een aantal overtredingen van 4:19, tweede lid, van de Wft niet is bewezen of niet als ernstig kan worden aangemerkt. CAK wijst er verder op dat de AFM in vergelijkbare zaken geen aanleiding heeft gezien om de boete te verhogen met 50%. Daarnaast heeft de AFM niet geconcretiseerd in hoeverre de duur van de overtredingen van belang is. Tot slot had de AFM bij de vaststelling van de hoogte van de boete de door CAK geleden schade naar aanleiding van de verschillende publicaties over het boetebesluit moeten betrekken. CAK stelt hierdoor aanzienlijke reputatieschade te hebben opgelopen. 21. De rechtbank toetst zonder terughoudendheid of de opgel Redelijke termijn 25. CAK voert tot slot aan dat de redelijke termijn is overschreden. 26. Volgens vaste rechtspraak geldt bij punitieve sancties als uitgangspunt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. Overschrijding van de redelijke termijn behoort in beginsel te leiden tot verlaging van de boete, mede afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. 27. De hoofdregel is dat de redelijke termijn gaat lopen op het moment dat het bestuursorgaan jegens de beboete een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. In de regel is dit moment de datum van het voornemen tot boeteoplegging (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het CBb van 4 april 2023, ECLI:NL:CBB:2023:172, overweging 7). De rechtbank stelt vast dat de AFM op 3 maart 2022 het voornemen heeft uitgebracht om aan CAK een boete op te leggen. Sindsdien zijn vier jaar verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn met twee jaar is overschreden. Niet is gebleken dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen einduitspraak had moeten doen. Anders dan de AFM ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voorliggende beroep zodanig complex is dat een langere redelijke termijn moet worden gehanteerd. De AFM heeft ook aangevoerd dat de lange duur van de procedure mede te wijten is aan het processuele gedrag van CAK, aangezien zij vijf maanden uitstel heeft gekregen voor de indiening van de gronden van bezwaar. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om te oordelen dat de redelijke termijn in deze zaak langer is dan twee jaar. Ook de omstandigheid dat de rechtbank een tussenuitspraak heeft gedaan leidt niet tot een verlenging van de redelijke termijn. Daarbij weegt de rechtbank mee dat CAK tijdens de eerste zitting desgevraagd heeft verklaard een einduitspraak en geen tussenuitspraak te willen en dat de rechtbank een andere keuze heeft gemaakt. Bij een overschrijding met meer dan twaalf maanden wordt naar bevind van zaken gehandeld (vergelijk de uitspraak van het CBb van 30 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:353, overweging 10.8). De rechtbank acht in dit geval een matiging van de opgelegde boete met € 15.000,- passend, wat leidt tot een boetebedrag van € 585.000,-. Conclusie wijzigingsbesluit 28. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het wijzigingsbesluit vernietigen voor zover het overtredingen 4, 7 en 8 en de hoogte van de boete betreft. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door (a) het boetebesluit te herroepen voor zover de AFM daaraan ten grondslag heeft gelegd dat CAK de in overweging 4 van deze einduitspraak omschreven overtredingen 4, 7 en 8 heeft begaan en (b) de hoogte van de boete vast te stellen op € 585.000,-. Een verdergaande herroeping van het boetebesluit is niet nodig, omdat de AFM het boetebesluit (en daarmee feitelijk ook het bestreden besluit) bij het wijzigingsbesluit al heeft herroepen wat betreft de grondslag en de hoogte van de boete. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van het wijzigingsbesluit. 29. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient de AFM op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door CAK betaalde griffierecht aan haar te vergoeden. 30. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de AFM in de door CAK in beroep gemaakte proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De in bezwaar gemaakte proceskosten zijn in het wijzigingsbesluit al vergoed en over de hoogte van deze vergoeding heeft CAK niet geklaagd. De rechtbank stelt de in beroep gemaakte proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 4.903,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestre De doelen die in het algemeen worden nagestreefd met openbaarmaking en de belangen die daarmee worden gediend, zijn: (1) het doel het publiek zo ruim mogelijk kennis te kunnen laten nemen van het optreden van de toezichthouders en de gronden daarvoor, (2) het doel andere instellingen die onder toezicht staan te laten weten welke gedragingen kunnen leiden tot handhaving en inzicht te laten krijgen in de invulling die de toezichthouder aan bepaalde normen geeft, (3) het doel personen die door de inbreuk schade hebben geleden eventueel hun rechten jegens de overtreder geldend te kunnen laten maken en (4) het doel andere personen en ondernemingen die onder toezicht staan te ontmoedigen om overtredingen te begaan. Dit betekent dat de toezichthouder de belangen die met het nastreven van deze vier doelen worden gediend, moet betrekken in zijn beoordeling van de evenwichtigheid tussen enerzijds de mate van schade die een niet-geanonimiseerde openbaarmaking voor de betrokkene met zich brengt en anderzijds het belang dat in het concrete geval met openbaarmaking wordt gediend. Bij deze beoordeling is relevant dat de wetgever als hoofdregel heeft gekozen voor verplichte en volledige openbaarmaking van sanctiebesluiten. 38. De rechtbank stelt vast dat de AFM de vier voormelde doelen bij het publicatiebesluit heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de AFM zich terecht op het standpunt gesteld dat met de openbaarmaking van het wijzigingsbesluit het publiek in kennis wordt gesteld van het (handhavend) optreden en de gronden daarvoor (doel 1). Het gegeven dat het boetebesluit en het bestreden besluit reeds openbaar zijn gemaakt en de onderliggende overtredingen en de identiteit van de overtreder dus ook al bekend zijn, zoals CAK betoogt, doet hier niet aan af. Met de AFM is de rechtbank namelijk van oordeel dat het publiek er niet over is geïnformeerd dat de AFM op grond van de (bewezen geachte) onderliggende overtredingen niet langer aan CAK verwijt dat zij artikel 4:11, tweede lid, van de Wft heeft overtreden. De rechtbank volgt de AFM ook in het standpunt dat er op basis van de tot op heden openbaar gemaakte besluiten en de openbare tussenuitspraak op dit moment een onvolledig beeld bestaat over het handhavend optreden in dit geval. Het wijzigingsbesluit wijkt namelijk op wezenlijke punten af van het bestreden besluit. Om dezelfde reden volgt de rechtbank ook niet het betoog van CAK dat andere instellingen met de eerdere publicatie al voldoende op de hoogte zijn gesteld van de handhaving en de invulling die de AFM aan bepaalde normen geeft (doel 2). De rechtbank volgt CAK ook niet in het standpunt dat zij (eventuele) schade van haar klanten heeft vergoed en dat eventueel schadeverhaal niet als doel van openbaarmaking kan dienen. De AFM stelt zich terecht op het standpunt dat het gegeven dat CAK haar klanten heeft benaderd niet afdoet aan het recht van deze klanten om zelf in voorkomend geval hun (eventueel geleden) schade te verhalen. Hoewel de kans dat consumenten alsnog hun (mogelijke) schade zouden willen verhalen als zeer gering moet worden ingeschat, valt niet volledig uit te sluiten dat er benadeelden zijn die hun mogelijk geleden schade alsnog willen verhalen. Daarom kan worden aangenomen dat ook hierin (doel 3) nog enig belang bij openbaarmaking bestaat. Tot slot heeft de AFM bij het publicatiebesluit kunnen betrekken dat met de openbaarmaking mede kan worden bereikt dat andere personen en ondernemingen die onder toezicht staan worden ontmoedigd om overtredingen van artikel 4:19, tweede lid, van de Wft te begaan (doel 4), ook al is dit doel gelet op de uitspraak van 25 februari 2025 niet zonder meer doorslaggevend. 39. De AFM heeft zich naar het oordeel van de rechtbank, mede gezien het voorgaande, terecht op het standpunt gesteld dat de maatschappelijke belangen bij openbaarmaking in dit geval zwaar wegen en dat deze belangen niet voldoende zouden worden gediend door geanonimiseerde of uitgestelde openbaarmaking. C