Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-03-11
ECLI:NL:RBROT:2026:2400
Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummer: 71/264218-23 Datum uitspraak: 11 maart 2026 Data zittingen: 3, 4 en 6 februari en 11 maart 2026 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1959 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [plaatsnaam] . Advocaat van de verdachte: mr. B.Th. Nooitgedagt Officieren van justitie: LAP 1069 en LAP 1070 (hierna: de officier van justitie) Kern van het vonnis De verdachte heeft opzettelijk staatsgeheime stukken onder zich gehouden in zijn woning en zijn bagage, zonder daartoe gerechtigd te zijn. Een deel van die documenten heeft hij ook opzettelijk onder zich genomen, zonder daartoe gerechtigd te zijn, door ze op kantoor te printen, mee naar huis te nemen en daar te scannen. Hiervoor wordt aan hem een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden opgelegd, die gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis die hij heeft ondergaan. De dagvaarding is nietig ten aanzien van de ten laste gelegde pogingen tot het overdragen van staatsgeheime stukken aan – kort gezegd – (medewerkers van) de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’ (hierna: DGED), en partieel nietig ten aanzien van de onder 2 primair opgenomen zinsnede met overige (niet concreet benoemde) gerubriceerde documenten. De verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde overdragen van staatsgeheime documenten aan (medewerkers van) de DGED en voorbereidingshandelingen daarvoor. Leeswijzer De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – ongerechtigd staatsgeheime documenten onder zich heeft genomen en/of gehouden en dat hij die heeft overgedragen (of heeft geprobeerd die over te dragen) aan een buitenlandse mogendheid, namelijk de DGED danwel een in het buitenland gevestigde persoon of lichaam, namelijk medewerkers van deze dienst, danwel daartoe voorbereidingshandelingen heeft verricht. De volledige tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1. De dagvaarding onder 1 en 2 is op onderdelen nietig. Deze beslissing wordt in hoofdstuk 2 uitgelegd. De beschuldiging is voor een deel bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren, de bewijsmiddelen en de argumenten die op onderdelen tot vrijspraak hebben geleid, staan in hoofdstuk 3. De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 4. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 20 maanden op, met aftrek van voorarrest. In hoofdstuk 5 wordt uitgelegd waarom deze straf wordt opgelegd. In hoofdstuk 6 staat de beslissing over de voorlopige hechtenis. In hoofdstuk 7 zijn de toegepaste wetsbepalingen vermeld en in hoofdstuk 8 staan alle beslissingen in het kort. 1 Tenlastelegging De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat 1 primair hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2023 tot en met 26 oktober 2023 te Haarlemmermeer, Den Haag en/of Rotterdam, althans (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meer inlichtingen en/of gegevens waarvan de geheimhouding door het belang van de staat en/of een of meer van zijn bondgenoten werd geboden en/of een of meer voorwerpen waaraan zodanige inlichtingen konden worden verleend, te weten: Inlichtingenanalyse ‘Normbeeld Marokkaanse inlichtingenactiviteiten in Nederland’, d.d. 16-07-2021, kenmerk 92295c16-or1-1.9 en/of MIVD Inlichtingenbericht d.d. 29 maart 2021, Digitaal, F.01.005 (Device nr.) met kenmerk DIS2021004605 en/of een of meer andere staatsgeheim gerubriceerde en confidentiële documenten en/of documenten van internationale herkomst met een rubricering equivalent aan staatsgeheim geheim en/of staatsgeheim confidentieel en/of departementaal vertrouwelijk (par. 3.4.1. en 3.4.2. Zaakdossier en [proces-verbaalnummer] , p.1005-1006) zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk te verstrekken aan en/of ter beschikkin 5.13.3) en/of Inlichtingenbericht, d.d. 21-06-2023, kenmerk 97aeae8d-or1-1.6 (par. 5.13.3) en/of Inlichtingenbericht, d.d. 03-07-2023, kenmerk 97b585ea-or1-1.1 (par. 5.13.3) en/of Inlichtingenbericht, d.d. 10-08-2023, kenmerk 97cfb435-or1-1.1 (par. 5.14.6) en/of Inlichtingenbericht, d.d. 15-08-2023, kenmerk 97d0af66-or1-1.5 (par. 5.14.6) en/of MIVD Inlichtingenbericht van 11 augustus 2023, Hardcopy, A.06.04.001.305 met kenmerk DIS2023016182 (par. 5.14.6) en/of een of meer andere staatsgeheim gerubriceerde en confidentiële documenten en/of documenten van internationale herkomst met een rubricering equivalent aan staatsgeheim geheim en/of staatsgeheim confidentieel en/of departementaal vertrouwelijk zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk heeft verstrekt aan en/of ter beschikking heeft gesteld van een buitenlandse mogendheid (te weten: de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’) en/of een in het buitenland gevestigd persoon en/of lichaam (te weten: [persoon 1] , zijnde de directeur contra-inlichtingen van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’ en/of [persoon 2] , zijnde inlichtingenofficier/(plaatsvervangend) directeur van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’ en/of [persoon 3] , zijnde medewerker van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’ en/of [persoon 4] , zijnde inlichtingenofficier van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’) en/of aan zodanige personen (te weten: [persoon 1] , zijnde de directeur contra-inlichtingen van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’ en/of [persoon 2] , zijnde inlichtingenofficier/(plaatsvervangend) directeur van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’ en/of [persoon 3] , zijnde medewerker van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’ en/of [persoon 4] , zijnde inlichtingenofficier van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’) dat gevaar ontstaat dat de inlichtingen en/of de gegevens aan een buitenlandse mogendheid of aan een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam bekend worden, terwijl verdachte wist althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het zodanige inlichtingen, gegevens en/of voorwerpen betroffen, terwijl verdachte heeft gehandeld in opdracht van een buitenlandse mogendheid en/of van een in het buitenland gevestigd persoon en/of lichaam; 2 subsidiair hij in of omstreeks de periode van 23 december 2022 tot en met 15 september 2023 te Den Haag en/of Rotterdam, althans (elders) in Nederland en/of Marokko, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meer inlichtingen en/of gegevens waarvan de geheimhouding door het belang van de staat en/of een of meer van zijn bondgenoten werd geboden en/of een of meer voorwerpen waaraan zodanige inlichtingen konden worden verleend, te weten: EU SECRET - EEAS (2023) 10242 - 28 April 2023 (pvb [nummer 6] ) en/of EU SECRET EEAS (2023) 10243 02 May 2023 (pvb [nummer 6] ) en/of EEAS (2023) 10235 28 April 2023 (pvb [nummer 6] ) en/of EU SECRET EEAS (2023) 10232 27 April 2023 (pvb [nummer 6] ) en/of Inlichtingenbericht, d.d. 31-05-2023, kenmerk 976a4f6e-or1-1.4 (par. 5.11.5) en/of MIVD intelligence Update Week 21, Hardcopy, A.06.04.001.098 met kenmerk DlS2023010634 (par. 5.11.5) en/of Inlichtingenbericht, d.d. 06-06-2023, kenmerk 97888250-or1-1.5 (par. 5.12.3) en/of Inlichtingenbericht, d.d. 08-06-2023, kenmerk 97a412f8-or1-1.1 (par. 5.12.3) en/of Inlichtingenanalyse d.d. 6 juni 2023, Hardcopy, A.06.04.001.006 / A.06.04.001.262 met kenmerk DIS2023006176 (par. 5.12.3) en/of Inlichtingenbericht, d.d. 19-06-2023, kenmerk 97b36755-or1-1.5 (par. 5.13.3) en/of Inlichtingenbericht, d.d. 21-06-2023, kenmerk 97aeae8d-or1-1.6 (par. 5.13.3) en/of In 5.14.6) en/of een of meer andere staatsgeheim gerubriceerde en confidentiële documenten en/of documenten van internationale herkomst met een rubricering equivalent aan staatsgeheim geheim en/of staatsgeheim confidentieel en/of departementaal vertrouwelijk zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk te verstrekken aan en/of ter beschikking te stellen van een buitenlandse mogendheid (te weten: de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’) en/of een in het buitenland gevestigd persoon en/of lichaam (te weten: [persoon 1] , zijnde de directeur contra-inlichtingen van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’ en/of [persoon 2] , zijnde inlichtingenofficier/(plaatsvervangend) directeur van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’ en/of [persoon 3] , zijnde medewerker van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’ en/of [persoon 4] , zijnde inlichtingenofficier van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’) en/of aan zodanige personen (te weten: [persoon 1] , zijnde de directeur contra-inlichtingen van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’ en/of [persoon 2] , zijnde inlichtingenofficier/(plaatsvervangend) directeur van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’ en/of [persoon 3] , zijnde medewerker van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’ en/of [persoon 4] , zijnde inlichtingenofficier van de Marokkaanse inlichtingendienst ‘Direction Générale d’Etudes et de Documentation’) dat gevaar ontstaat dat de inlichtingen en/of de gegevens aan een buitenlandse mogendheid of aan een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam bekend worden terwijl verdachte wist althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het zodanige inlichtingen, gegevens en/of voorwerpen betroffen, terwijl verdachte heeft gehandeld in opdracht van een buitenlandse mogendheid en/of van een in het buitenland gevestigd persoon en/of lichaam terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2 meer subsidiair hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 december 2022 tot en met 15 september 2023 te Den Haag en/of Rotterdam, althans (elders) in Nederland en/of Marokko, (telkens) ter voorbereiding van het misdrijf om een of meer inlichtingen en/ of gegevens waarvan de geheimhouding door het belang van de staat en/ of een of meer van zijn bondgenoten werd geboden en/of een of meer voorwerpen waaraan zodanige inlichtingen konden worden verleend zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk te verstrekken aan en/of ter beschikking te stellen van een buitenlandse mogendheid en/of een in het buitenland gevestigd persoon en/of lichaam en/of aan zodanige personen dat gevaar ontstaat dat de inlichtingen en/of de gegevens aan een buitenlandse mogendheid of aan een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam bekend worden terwijl verdachte wist althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het zodanige inlichtingen, gegevens en/ of voorwerpen betroffen, terwijl verdachte heeft gehandeld in opdracht van een buitenlandse mogendheid en/ of van een in het buitenland gevestigd persoon en/of lichaam, zijnde (telkens) een misdrijf als strafbaar gesteld in artikel 98a lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht, opzettelijk voorwerpen, bestemd tot het begaan van die/dat misdrijf/misdrijven heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad in verdachtes woning aan de [adres] , te weten: een of meerdere gegevensdragers/USB stick(s)/telefoon(s)/geheugenkaartje(s), en/of een of meerdere vliegtickets en/ of reisbescheiden, en/of een of meerdere staatsgeheim gerubriceerde en confidentiële documenten en/ of documenten van internationale herkomst met een rubricering equivalent aan staatsgeheim geheim en/of staatsgeheim confidentieel en/ Deze onderdelen van de dagvaarding zijn zo ruim en weinig concreet geformuleerd dat het voor de verdediging niet inzichtelijk is waartegen de verdachte zich dient te verdedigen en het voor de rechtbank niet duidelijk is waarover zij dient te beslissen. De dagvaarding is daarom op deze onderdelen strijdig is met het bepaalde in artikel 261 Sv. 2.2.2. Standpunt van de officier van justitie De functie van de dagvaarding is dat de verdachte daarmee voldoende wordt geïnformeerd ten aanzien van het strafrechtelijk verwijt dat hem wordt gemaakt. Aan dat criterium is voldaan. Uit wat er ter zitting met de verdachte is besproken, blijkt dat hij weet waar het over gaat. Het verweer dat strekt tot partiële nietigheid van de dagvaarding slaagt daarom niet, aldus de officier van justitie. 2.2.3. Oordeel van de rechtbank Feit 1 subsidiair Onder feit 1 subsidiair is onder ‘een of meer inlichtingen en/of gegevens waarvan de geheimhouding door het belang van de staat en/of een of meer van zijn bondgenoten werd geboden en/of een of meer voorwerpen waaraan zodanige inlichtingen konden worden verleend’ een opsomming van documenten gegeven. Daarbij zijn twee concrete documenten genoemd. Vervolgens is een categorie met overige documenten genoemd, die zijn aangeduid als ‘een of meer andere staatsgeheim gerubriceerde en confidentiële documenten en/of documenten van internationale herkomst met een rubricering equivalent aan staatsgeheim geheim en/of staatsgeheim confidentieel en/of departementaal vertrouwelijk (par. 3.4.1. en 3.4.2. Zaakdossier en PVB [nummer 3] , p.1005-1006)’. De in deze zinsnede genoemde paragraaf 3.4.1. van het zaaksdossier verwijst naar het proces-verbaal van bevindingen met documentcode [nummer 1] . Dit proces-verbaal bevat de bevindingen van het onderzoek naar gerubriceerde documenten op twee van de gegevensdragers die bij de aanhouding van de verdachte op Schiphol op 26 oktober 2023 in zijn bagage zijn aangetroffen, namelijk de M2 Toshiba 256 GB (met beslagcode F.01.006) en de Samsung T5 SSD 1 TB (met beslagcode F.01.007). Hierin zijn de op deze gegevensdragers aangetroffen gerubriceerde documenten afzonderlijk benoemd. Onder het kopje ‘zoekresultaten’ is per gegevensdrager (en per daarop aanwezige ‘filepath’) gespecificeerd (met concrete aanduiding van de betreffende documenten, data daarvan en de rubriceringen daarvan) welke gerubriceerde documenten daarop zijn aangetroffen. De genoemde paragraaf 3.4.2. van het zaaksdossier verwijst naar het proces-verbaal van bevindingen met documentcode [nummer 2] . In dit proces-verbaal staan de bevindingen van het onderzoek naar gerubriceerde documenten op de derde bij de verdachte aangetroffen gegevensdrager, namelijk de Samsung EVO SSD 4 TB (met beslagcode F.01.005). Dit proces-verbaal bevat geen opsomming van de afzonderlijke aangetroffen gerubriceerde stukken, zoals het in de vorige alinea genoemde proces-verbaal. In dit proces-verbaal is alleen vermeld op welke zoektermen (rubriceringen) is gezocht en een opsomming gegeven van het aantal documenten dat is voorzien van een bepaalde rubricering. In de tenlastelegging is verder verwezen naar het proces-verbaal van bevindingen met documentcode [nummer 3] en specifiek het deel van dit proces-verbaal op blz. DB01005-1006. Op deze bladzijdenummers is een schema opgenomen met daarin een totaaloverzicht van de aangetroffen gerubriceerde documenten op de M2 Toshiba 256 GB en de Samsung T5 SSD 1 TB (waarin dit per jaartal en per rubricering is weergegeven). Dit proces-verbaal bevat op blz. DB01007 ook een schema met een totaaloverzicht van de aangetroffen gerubriceerde documenten op de Samsung EVO SSD 4 TB, maar deze pagina is niet opgenomen in de tenlastelegging. Gelet hierop gaat de rechtbank er van uit dat de onder 1 subsidiair opgenomen categorie met overige documenten betrekking heeft op de gerubriceerde documenten die zijn aangetroffen op de M2 Toshiba 256 GB en de Samsung T5 SSD 1 TB, die concreet zijn benoemd in het proces-verbaal van De rechtbank verwerpt het verweer voor zover dat ziet op deze zinsneden. Feit 2 primair Ook in de tenlastelegging van feit 2 primair is onder ‘een of meer inlichtingen en/of gegevens waarvan de geheimhouding door het belang van de staat en/of een of meer van zijn bondgenoten werd geboden en/of een of meer voorwerpen waaraan zodanige inlichtingen konden worden verleend’ een opsomming opgenomen van concreet genoemde documenten en daarna een categorie met overige documenten. Deze categorie is aangeduid als ‘een of meer andere staatsgeheim gerubriceerde en confidentiële documenten en/of documenten van internationale herkomst met een rubricering equivalent aan staatsgeheim geheim en/of staatsgeheim confidentieel en/of departementaal vertrouwelijk’. Hierin ontbreekt (anders dan bij de feiten 1 en 3) een verwijzing naar een paragraaf/paragrafen in het zaaksdossier en/of processen-verbaal in het dossier met betrekking tot aangetroffen gerubriceerde documenten. Zonder een zodanige verwijzing is het – ook in het licht van de inhoud van het dossier – niet duidelijk om welke documenten het hier gaat, gelet ook op de hoeveelheid van documenten die in het dossier zijn opgenomen dan wel genoemd. Deze aanduiding van documenten is dus onvoldoende specifiek en feitelijk, waardoor het voor de verdachte niet duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren en het voor de rechtbank ook niet duidelijk is waarover zij dient te beslissen. Daarmee voldoet deze zinsnede niet aan de eisen die in artikel 261 Sv aan de dagvaarding worden gesteld. De dagvaarding zal daarom in zoverre nietig worden verklaard. Feit 2 meer subsidiair Voor zover de raadsman zijn beroep op partiële nietigheid ook heeft gedaan met het oog op de aanduiding van gerubriceerde documenten in feit 2 meer subsidiair, geldt dat het hier gaat om een tenlastelegging van voorbereidingshandelingen, waarbij gezien de aard van het verwijt een concrete aanduiding van die voorwerpen (documenten) niet is vereist. De algemene aanduiding van deze documenten doet daarom niet af aan de geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van dit feit. Het verweer wordt daarom verworpen voor zover het ziet op deze zinsnede. 2.3. Conclusie De dagvaarding is nietig ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 subsidiair en partieel nietig ten aanzien van de in feit 2 primair opgenomen zinsnede ‘een of meer inlichtingen en/of gegevens waarvan de geheimhouding door het belang van de staat en/of een of meer van zijn bondgenoten werd geboden en/of een of meer voorwerpen waaraan zodanige inlichtingen konden worden verleend’. De dagvaarding is voor het overige geldig. 3 Bewijs / vrijspraak 3.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. 3.2. Conclusie van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 3 ook een beroep gedaan op de strafuitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld. Dit beroep wordt hierna onder 3.3.5. en 4.2. besproken. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewezenverklaring Bewezen is dat de verdachte opzettelijk staatsgeheime documenten, genoemd onder feit 1 subsidiair en feit 3, onder zich heeft gehouden in zijn woning en zijn bagage, zonder daartoe gerechtigd te zijn. Ten aanzien van een deel van de onder feit 3 genoemde documenten is ook bewezen dat hij die opzettelijk onder zich heeft genomen, zonder daartoe gerechtigd te zijn, door ze op kantoor te printen, mee naar huis te nemen en daar te scannen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 3.3.7. 3.3.2. Bewijsmotivering De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De re Nadere ambtsberichten Gedurende de loop van het onderzoek hebben de AIVD en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: MIVD) nog een aantal ambtsberichten verstrekt aan de Lovj, die door hem zijn doorgezonden naar de Rijksrecherche. Een deel daarvan ziet op de verdenkingen en een deel ziet op het staatsgeheime karakter van onder de verdachte in beslag genomen fysieke en digitale documenten. 3.3.4. Voorafgaande overwegingen De ten laste gelegde feiten komen er op neer dat de verdachte ongerechtigd staatsgeheime documenten onder zich had en/of dat hij die heeft overgedragen aan medewerkers van de DGED (de Marokkaanse geheime dienst). In deze zaak staan twee vragen centraal die voor alle ten laste gelegde feiten van belang zijn: Wat is de bewijswaarde van de ambtsberichten, waarop (in de ogen van de officier van justitie) de bewijsconstructie in belangrijke mate steunt? Zijn de in de tenlastelegging bedoelde documenten die onder de verdachte in beslag zijn genomen en die hij volgens de officier van justitie heeft overgedragen of heeft willen overdragen aan de DGED, aan te merken als staatsgeheim? De rechtbank zal – alvorens verder in te gaan op de afzonderlijke feiten – eerst deze vragen bespreken. Ad 1) De bewijswaarde van de ambtsberichten In de ambtsberichten van 10 oktober 2023 (gecorrigeerd bij ambtsbericht van 9 februari 2024 ) en van 12 januari 2024 heeft [naam 2] , Directeur-generaal van de AIVD – kort weergegeven - gesteld dat de verdachte in augustus 2023 bij de NCTV staatsgeheime informatie heeft geprint en deze mee naar huis heeft genomen, dat hij in de periode vanaf (tenminste) 2020 tot en met 2023 contact had met bij naam en telefoonnummer genoemde personen, werkzaam bij of voor de DGED, en dat hij in 2023 meerdere reizen heeft ondernomen naar Marokko en steeds kort daarvoor staatsgeheime informatie had geprint. In ambtsberichten van 6 februari 2024 , 1 juli 2024 , 15 juli 2024 , 19 september 2024 is namens de AIVD / MIVD informatie verstrekt over het staatsgeheime karakter van onder de verdachte in beslag genomen fysieke en digitale documenten. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze ambtsberichten niet als bewijs kunnen worden gebruikt, alleen al omdat de juistheid daarvan niet door de verdediging (en de rechtbank) kan worden getoetst. In het arrest van 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4144, heeft de Hoge Raad overwogen dat geen rechtsregel zich verzet tegen het gebruik van door een inlichtingen- en veiligheidsdienst verstrekte inlichtingen als startinformatie voor het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Evenmin verzet enige rechtsregel zich tegen het gebruik van door zo een dienst vergaard materiaal tot het bewijs in een strafzaak. Wat betreft zulk gebruik tot het bewijs zal de strafrechter van geval tot geval met de nodige behoedzaamheid moeten beoordelen of het materiaal, gelet op de soms beperkte toetsbaarheid, tot het bewijs kan meewerken. Gelet op dit rechtsoordeel van de Hoge Raad gaat de rechtbank er van uit dat de bovengenoemde AIVD- en MIVD-ambtsberichten als bewijs kunnen worden gebruikt, voor zover er voldoende andere informatie is die als steunbewijs kan dienen voor wat in de ambtsberichten is vermeld. Ad 2) Staatsgeheim De verdenkingen roepen de vraag op, of de verdachte inderdaad staatsgeheime stukken voorhanden heeft gehad, in fysieke of digitale vorm. De verdediging heeft dit betwist, althans heeft aangevoerd dat dit niet kan worden vastgesteld of gecontroleerd. In dit verband heeft de raadsman gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2016, ECLI:NL:2016:168, waarin is overwogen: 4.4.2. Er is sprake van een staatsgeheim als het gaat om bijzondere informatie waarvan de geheimhouding door het belang van de staat of zijn bondgenoten wordt geboden en indien kennisneming van die informatie door niet-gerechtigden kan leiden tot nadelige gevolgen voor of schade aan deze belangen. (…) Of de desbetreffende inlichting, het voorwerp of het gegeven naa Verder wordt telkens de achtergrond van het document besproken: door welke instantie en om welke reden het is opgesteld, wat het belang is van dat document en waarom openbaarmaking van dat document het belang van de Staat, van zijn bondgenoten of van één of meer ministeries zou schaden. In processen-verbaal van bevindingen heeft de Lovj deze ambtsberichten beoordeeld. In de processen-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2024 , d.d. 4 juli 2024 , en d.d. 15 juli 2024 , vermeldt de Lovj steeds dat hij de documenten, genoemd in de onderliggende ambtsberichten, heeft gezien in originele staat en zonder dat delen onzichtbaar zijn gemaakt. Hij bevestigt dat de documenten die hij gezien heeft, overeenkomen met de documenten die bij de verdachte zijn aangetroffen, dat die documenten zijn gerubriceerd overeenkomstig het vermelde in het ambtsbericht, dat zij als staatsgeheim zijn aangemerkt en dat zij deze status nog steeds hebben. Als de inhoud van deze documenten bekend zou worden, brengt dit volgens de Lovj schade toe aan de staat zoals in artikel 4 van het VIRBI 2013 omschreven. De Lovj heeft tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris , op de vraag hoe hij heeft onderzocht dan wel vastgesteld of de inhoud van de stukken een staatsgeheim karakter heeft, geantwoord: “ Er staat een rubricering op een document. Het origineel document is aan mij getoond en daar staat een rubricering op. Ik controleer of die rubricering nog van toepassing is. (…) Die documenten zijn aangeleverd door de MIVD en de AIVD. Ik heb vervolgens getoetst of het document overeen komt qua rubricering. (…) De opsteller zet de rubricering erop. En de derubricering wordt ook door de opsteller gedaan. Als dat niet is gedaan dan geldt de rubricering nog. Dat is wat ik heb getoetst. Het ging om documenten die vrij recent waren. ” De beschreven werkwijze komt er op neer dat de opsteller van het ambtsbericht, die kennis heeft van de inhoud van het document, aan de hand daarvan beoordeelt of de VIRBI-rubricering (nog) juist is en of de belangen van de staat en/of bondgenoten zouden worden geschaad bij openbaarmaking. De Lovj heeft – nadat hij kennis heeft genomen van de inhoud van de documenten – de juistheid van de rubricering bevestigd. Deze gang van zaken maakt dat de ambtsberichten van de AIVD / MIVD en de processen-verbaal van bevindingen van de Lovj, in samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank steunbewijs vormen voor de stelling dat de beschreven documenten inderdaad als staatsgeheim moeten worden aangemerkt. Verder is van belang dat de verdachte toegang had tot Rubrinet, het systeem van de analyseafdeling van de NCTV waarin staatsgeheime documenten werden opgeslagen en waarin zij konden worden geraadpleegd met behulp van de Zoek en Opslag Tool (ZOT) . De verdachte was in ieder geval tot juli 2023 geautoriseerd voor die systemen; daarna heeft hij de autorisatie van een collega gebruikt. In zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft de verdachte de computer waarop Rubrinet / ZOT draaide, zelf de ‘STG-computer’ genoemd . Op de vraag “ Heeft u wel eens gebruik gemaakt van het account van een NCTV-collega om op het RubriNet gevonden staatsgeheim document te printen? ” antwoordde de verdachte: “ Dat heb ik dus regelmatig gedaan .” . De verdachte had dus toegang tot Rubrinet en heeft erkend dat hij vanuit dat systeem staatsgeheime documenten heeft geprint. Ook dit zijn belangrijke aanwijzingen dat de bij hem aangetroffen, in de ambtsberichten genoemde documenten inderdaad zijn aan te merken als staatsgeheim. Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank geen reden om er aan te twijfelen dat documenten die zijn vermeld onder de feiten 1 en 3, moeten worden aangemerkt als ‘inlichtingen en/of gegevens waarvan de geheimhouding door het belang van de staat en/of een of meer van zijn bondgenoten werd geboden’. Deze conclusie berust niet alleen op de rubricering die de opstellers of vaststellers van de documenten hebben gegeven, maar ook op de duiding die in de Tegen de achtergrond van het in deze paragraaf (3.3.4.) overwogene, en met inachtneming van de genoemde deel-vrijspraken, oordeelt de rechtbank hierna met betrekking tot de ten laste gelegde feiten voorts als volgt. 3.3.5. Bewijsmotivering feit 1 subsidiair en feit 3 Volgens de verdediging valt niet te bewijzen dat de verdachte de stukken die onder hem in beslag zijn genomen, zonder daartoe gerechtigd te zijn voorhanden had in zijn woning en/of in zijn bagage op Schiphol. Volgens de verdediging was het de verdachte toegestaan om ook buiten zijn werkplek bij de NCTV fysiek of digitaal te beschikken over deze stukken. Subsidiair heeft de verdediging in dit verband een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld. De rechtbank stelt vast dat de verdachte in zijn woning de fysieke en/of gedigitaliseerde stukken voorhanden heeft gehad die zijn vermeld onder feit 3 en dat hij, toen hij op 26 oktober 2023 op Schiphol werd aangehouden, een gegevensdrager bij zich had waarop de stukken zijn aangetroffen die onder feit 1 subsidiair zijn vermeld. Hiervoor is overwogen dat deze stukken staatsgeheime informatie bevatten. De vraag is, gelet op het verweer van de verdediging, a. a) hoe de verdachte aan deze stukken kwam en b) of het was toegestaan dat hij deze documenten buiten zijn werkplek onder zich had. Ad a): herkomst stukken en autorisatie Hiervoor is al overwogen dat de verdachte in ieder geval tot 4 juli 2023 een autorisatie had voor Rubrinet en ZOT . Op 10 en 22 augustus 2023 heeft hij Rubrinet geraadpleegd via het account van zijn collega [naam 1] . Vastgesteld is, dat de verdachte op een aantal dagen in 2023 op zijn werkplek bij de NCTV stukken, genoemd in de tenlastelegging, uit Rubrinet heeft geprint en dat hij deze later thuis weer heeft gescand . Ten aanzien van een aantal onder feit 1 en feit 3 genoemde documenten is niet vast te stellen wanneer en hoe zij in het bezit van de verdachte zijn gekomen, maar het ligt in de rede dat ook die documenten afkomstig zijn uit Rubrinet. Uit verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat de autorisatie van de verdachte voor ZOT medio 2023 is ingetrokken omdat hij ging werken voor de NCTV-Academie en daarom geen toegang meer hoefde te hebben tot dit systeem. Over de precieze datum van de intrekking van de autorisatie bestaat onduidelijkheid. Naar eigen zeggen kon de verdachte op 4 juli 2023 nog zelf inloggen, dus de feitelijke intrekking van de autorisatie zal niet voor die datum hebben plaatsgevonden. Het besluit tot intrekking van de autorisatie zou al eerder zijn genomen, volgens [getuige 1] in mei 2023 . De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hem nooit is medegedeeld dat zijn autorisaties waren ingetrokken. Hij ging er van uit dat hij nog steeds informatie uit Rubrinet en ZOT mocht halen omdat hij naast zijn promotie-onderzoek en zijn werk voor de NCTV-Academie nog analysewerk zou doen. Toen hij in juli 2023 merkte dat het benaderen van Rubrinet/ZOT niet meer lukte, ging hij er van uit dat dit een gevolg was van een technische storing. Hij heeft toen aan zijn collega [naam 1] gevraagd of hij haar account mocht gebruiken. Dat de verdachte niet wist dat zijn autorisaties waren ingetrokken, wordt tegengesproken door de verklaringen van [getuige 3] , die verklaart dat dit al tussen september en december 2022 aan de verdachte is meegedeeld . De [getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte voor de zomer van 2023 bij zijn leidinggevende [getuige 1] heeft aangekaart dat hij zijn autorisatie terug wilde, maar dat dit toen is geweigerd. Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte hierover verklaard: “ Ik begon dus ergens in juli en later in oktober problemen te krijgen met die ZOT. Wat is dit? Toen ben ik dus naar [getuige 1] geweest: Van wat is dit? Hij zegt ja, je moet dus opnieuw een autorisatie aanvragen. Ik zeg, ik ben toch nog steeds analist hier? Nee, je moet het vragen vanuit je nieuwe functie, of hij noemt het nieuw regime. Terwijl er helemaal geen sp Dat was echt een no go .” De beveiligingscoördinator [getuige 2] heeft geantwoord op de vraag of het de verdachte was toegestaan om papieren Stg-documenten mee naar huis te nemen en of er regels waren omtrent het bewaren van die documenten in huis: “ Bij mijn weten is dit niet gevraagd, en ik zou er ook niet mee instemmen. Het is niet toegestaan. Stel dat het echt nodig is voor de uitvoering van de functie en werkzaamheden, dan zouden ze thuis in een speciale kluis moeten liggen .” [getuige 1] heeft hierover verklaard: “ Van staatsgeheimen mag je kennisnemen via het scherm, via dat aparte netwerk en mag je printen via het aparte netwerk. Nadat het geprint is moet je het bewaren in een goedgekeurde kluis of vernietigen middels een speciale shredder. Het mag dus niet mee naar huis. Dat mag indien nodig alleen met toestemming van mij als afdelingshoofd en de beveiligingscoördinator, maar ik zie geen enkele noodzaak om dat te doen en heb die vraag ook nog nooit gehad. ” [getuige 8] heeft verklaard: “ Er mogen meer mensen thuiswerken bij de NCTV, maar het meenemen van STG-stukken kan niet. Dat soort informatie gaat de deur gewoon niet uit . ” Ook de getuigen [getuige 7] en [getuige 3] verklaarden expliciet dat het niet was toegestaan om staatsgeheime stukken mee naar huis te nemen. [getuige 7] verklaarde, geconfronteerd met de stelling van de verdachte ‘dat er soms wat losser met de regels werd omgegaan’: “ Daar heb ik in ieder geval nooit toestemming voor gegeven .” De verdachte heeft de juistheid van deze verklaringen betwist; hij stelt dat hem wel was toegestaan om geheime stukken mee te nemen en dat de getuigen achteraf (in zijn woorden) “ hun kloten klaren ”. Gezien de aard en consistentie van de aangehaalde verklaringen staat het voor de rechtbank voldoende vast dat het buiten de kantooromgeving meenemen van staatsgeheime stukken niet was toegestaan. Uit de verklaringen wordt voorts niet aannemelijk dat de verdachte, die mogelijk in een aantal opzichten een uitzonderingspositie had, op enig moment van een bevoegde autoriteit uitdrukkelijke toestemming had verkregen voor het buiten de kantooromgeving meenemen van staatsgeheime stukken. De stelling van de verdachte dat hij een bijzondere opdracht respectievelijk toestemming had van de voormalige (intussen overleden) leidinggevende [naam 8] om voor zijn eigen veiligheid thuis te werken en ‘gevoelige documenten op te ruimen’, is hiervoor onvoldoende. [naam 8] kon daarover niet meer bevraagd worden en de andere betrokken autoriteiten die wel als getuigen zijn gehoord, verklaren onomwonden dat een dergelijke toestemming bij hun weten niet is gegeven en ook niet gegeven zou worden. Dat de toestemming tot het meenemen van een bulk aan ‘werkmaterialen’ zich ook zou uitstrekken over het thuis bewaren van staatsgeheime stukken, heeft de verdachte niet verder kunnen onderbouwen. Voor de rechtbank is het bovendien onbegrijpelijk waarom deze wijze van bewaren van staatsgeheime stukken veiliger zou zijn dan het bewaren in een kluis in de kantooromgeving. De wijze waarop de verdachte met de stukken omging, getuigt ook niet van een groot veiligheidsbewustzijn. Immers, hij heeft in zijn schriftelijke verklaring nogal hoog opgegeven van het belang van het opbergen van stukken in een kluis , maar dit in de praktijk niet waar gemaakt: bij de doorzoeking werden stukken (ook met een rubricering) bij hem thuis verspreid over de hele woning aangetroffen . De rechtbank merkt in dit verband nog op dat zij bekend is met de inhoud van het “Onderzoeksrapport Beveiligingsproces van staatsgeheime / vertrouwelijke informatie bij NCTV en politie”, op 29 november 2024 uitgebracht door de Auditdienst Rijk van het Ministerie van Financiën (hierna: het Auditrapport). In dit rapport wordt kritiek geuit op de manier waarop staatsgeheime vertrouwelijke informatie binnen de NCTV-organisatie werd beveiligd. Dat er wellicht nogal wat was aan te merken op de beveiliging van deze informatie binnen de organisatie en dat o Om die reden zal de rechtbank de volgende vragen bespreken: Had de verdachte contact met personen die verbonden waren aan de DGED? Indien ja: waarop waren die contacten gericht? Welke andere belastende omstandigheden zijn er, ook in onderlinge samenhang bezien? Ad 1) Had de verdachte contact met personen die verbonden waren aan de DGED? De stelling dat de verdachte in contact stond met personen van de DGED wordt gebaseerd op de in het ambtsbericht van 12 januari 2024 (hierna ook: het derde ambtsbericht) gemaakte koppeling tussen telefoonnummers waar de verdachte mee in contact stond en de in de tenlastelegging voorkomende personen, die aan de DGED verbonden zouden zijn. Het gaat om de volgende personen: [persoon 1] was volgens het derde ambtsbericht de Directeur-Generaal van de DGED en maakte gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Dat [persoon 1] het hoofd van de DGED is, blijkt uit openbare bronnen en wordt door de verdachte niet weersproken. Ook heeft de verdachte erkend dat hij en zijn familie sinds december 2015 in direct contact met [persoon 1] stonden om, kort gezegd, de problemen die de verdachte en zijn familie ondervonden bij in- en uitreizen naar en van Marokko op te lossen. In de Nokia die onder de verdachte in beslag is genomen, stond het nummer opgeslagen onder de naam ‘ [naam 9] ’ en ‘ [naam 10] ’. In deze telefoon bevond zich voorts een bericht van 20 februari 2016, waarin de verdachte, zo heeft hij ook verklaard, aan [persoon 1] op het hiervoor genoemde telefoonnummer liet weten dat hij ‘ goed is aangekomen ’. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat de verdachte in contact heeft gestaan met [persoon 1] , hoofd van de DGED. Dat dit contact ook heeft plaatsgevonden in de ten laste gelegde periode, blijkt echter niet uit het dossier. [persoon 3] is volgens openbare bronnen een medewerker van het Marokkaanse kadaster en volgens het derde ambtsbericht een ‘contact van de DGED en waarschijnlijk werkzaam voor de DGED’ . Hij maakte volgens het ambtsbericht gebruik van het Marokkaanse telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Dit nummer was onder de naam ‘ [naam 11] ’ of ‘ [naam 12] ’ opgeslagen op drie door de verdachte gebruikte telefoons . De verdachte heeft verklaard dat hij (in 2021 en 2022) telefonisch contact had met [persoon 3] in verband met het door de Marokkaanse overheid in 1971 stuk in beslag genomen familiegrond in Larache, waar de familie van de verdachte al langere tijd over procedeert. In het dossier bevinden zich enkele Whatsapp-berichten tussen de verdachte en [persoon 3] , die zien op een beoogde afspraak met ‘de conservator van Larache’ in september 2021 en februari 2022. Op een telefoon van de verdachte stond een foto van het kadaster in Rabat, gemaakt op 19 mei 2023. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat de verdachte in contact stond met [persoon 3] , werkzaam voor het kadaster in Rabat. De stelling dat [persoon 3] op enigerlei wijze verbonden was aan, of werkzaam was voor de DGED, wordt, afgezien van de in het ambtsbericht genoemde ‘waarschijnlijkheid’, in het dossier niet nader onderbouwd. [naam 13] Volgens het derde ambtsbericht is [naam 13] een inlichtingenofficier van de DGED en maakte hij gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 5] . Dit nummer stond onder de naam ‘ [naam 14] ’ opgeslagen in de iPhone 7 die onder de verdachte in beslag is genomen. Volgens de verdachte is [naam 13] , van wie hij geen achternaam wist, een voormalig politiek gevangene en werkzaam voor de Nationale Raad voor de Rechten van de Mens (hierna: NRRM) in Rabat. In die hoedanigheid regelde hij praktische zaken voor de door de familie van de verdachte ondernomen (mensenrechten-)activiteiten, zoals vliegtickets, vervoer van medicijnen en post. Uit de berichten tussen de verdachte en ‘ [naam 13] ’ is op te maken dat [naam 13] samenwerkte met ‘ [naam 15] ’. De rechtbank stelt vast dat de verdachte in contact heeft gestaan met ‘ [naam 13] ’. De stelling dat [naam 13] en [persoon 4] dezelfde persoon In drie van de telefoons die onder de verdachte in beslag zijn genomen, waren de telefoonnummers [telefoonnummer 6] en [telefoonnummer 7] opgeslagen als contactpersoon, waarbij verschillende namen werden gebruikt, zoals ‘ [naam 19] ’, ‘ [naam 20] ’, ‘ [naam 21] ’ en ook ‘ [naam 18] ’. Deze naamvermeldingen herhaalden zich ten aanzien van beide nummers, hetgeen de conclusie onderbouwt dat beide nummers bij dezelfde persoon horen, zoals in het derde ambtsbericht is gesteld. Ook stond in het ‘tekst message archive’ van de Nokia een bericht naar dit nummer ( [telefoonnummer 6] ), waarin de gebruiker van de Nokia op 20 februari 2016 meldde dat hij ‘ goed is aangekomen’ . Precies ditzelfde bericht werd, zoals hiervoor beschreven, door de verdachte een minuut eerder aan [persoon 1] verstuurd om te laten weten dat zijn reis zonder problemen was verlopen. De rechtbank wijst in dit verband ook op de aanvullende verklaring van de verdachte waarin hij uitleg geeft over het tot stand komen van de directe communicatie met hooggeplaatste inlichtingenofficieren over problemen bij in- en uitreizen en waar hij enkele namen noemt, waaronder [persoon 1] . Hoewel de verdachte hier niet de naam [naam 15] [persoon 2] noemt, geeft deze uitleg, ook in het licht van de hiervoor besproken berichten van 20 februari 2016, steun voor de stelling dat de [naam 15] met wie hij contact had, inderdaad de inlichtingenofficier [naam 15] [persoon 2] was. [naam 22] is volgens het ambtsbericht van 27 maart 2025 een medewerker van de DGED. Zijn naam wordt op vergelijkbare wijze als [naam 13] ( [naam 13] ) genoemd in berichtenverkeer tussen de verdachte en [naam 15] als degene die ‘een klein dingetje’ zou kunnen komen ophalen tijdens het verblijf van de verdachte in Marokko van 18 tot en met 27 februari 2023 . Het telefoonnummer [telefoonnummer 8] komt voor als [naam 23] en het WhatsApp account [account] in de telefoon F.01.001 iPhone 7 zwart die de verdachte bij zich had bij zijn aanhouding. Dit contact is created on 24-06-2023 12:58:33 , kennelijk tijdens de reis van de verdachte van 22 juni tot 2 juli 2023. Ook heeft *7610 ( [naam 15] ) een telefoonnummer van ene [naam 22] doorgezonden, welk nummer in genoemd ambtsbericht is vermeld als nummer waarvan [naam 22] gebruik heeft gemaakt. Uit een chatconversatie van de verdachte met [naam 15] blijkt onder meer dat [persoon 2] het telefoonnummer [telefoonnummer 9] stuurt aan de verdachte, waarop de verdachte antwoordt dat hij het goed ontvangen heeft, dat [naam 22] op dit moment niet bereikbaar is en dat hij het straks nog eens probeert. [persoon 2] verzoekt aan de verdachte hem nogmaals te bellen omdat hij bij de Hammam was. Conclusie ad 1) De rechtbank concludeert dat de verdachte met zijn uitleg over het telefoongebruik en de telefoonnummers de stelling van het derde ambtsbericht niet heeft ontzenuwd en dat de [naam 15] met wie hij reeds lange tijd contact onderhield, inderdaad [naam 15] is. Dat deze [naam 15] verbonden is aan de DGED, volgt uit hetzelfde ambtsbericht en wordt ondersteund door de aanvullende verklaring van de verdachte en door de inhoud van het bericht dat op 20 februari 2016 door de verdachte aan [persoon 1] wordt gestuurd over zijn goede aankomst in Marokko. Dat de verdachte in de tenlastegelegde periode in contact heeft gestaan met [persoon 1] , hoofd van de DGED, blijkt niet uit het dossier. Omdat uit de chatberichten tussen de verdachte en [persoon 2] volgt dat deze samenwerkte met [naam 13] , en voorts de naam van [naam 22] in een dergelijk chatbericht door de verdachte is vermeld, ziet de rechtbank ook een verband tussen [naam 13] respectievelijk [naam 22] en de DGED. Uit het dossier wordt niet duidelijk waaruit dit verband precies bestond. Ad 2) Waarop waren de contacten gericht? De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande in samenhang met de overige dossiergegevens dat de verdachte in de ten laste gelegde periode veelvuldig naar Marokko reisde, regelmatig contact had met [persoon 2] De verdachte heeft weliswaar uitgelegd dat en waarom hij en zijn familie in direct contact stonden met (hooggeplaatste) inlichtingenofficieren, maar heeft hierbij [persoon 2] uitdrukkelijk niet genoemd. Zijn verklaring over de contacten met ‘ [naam 15] ’ en ‘ [naam 13] ’ en de daarbij gegeven uitleg over het gebruik van telefoons laten veel vragen onbeantwoord. Hierin schuilt echter geen zelfstandig bewijs voor de stelling dat de verdachte deze contacten onderhield met de intentie om geheime informatie te delen. Tegenover de niet altijd navolgbare verklaringen van de verdachte staan de stellingen van het openbaar ministerie. Ook deze vinden op belangrijke onderdelen geen steun in het dossier. Zo kan niet worden vastgesteld dat de verdachte [persoon 2] of [naam 13] daadwerkelijk heeft ontmoet of dat de verdachte ooit iets aan één van hen of aan de DGED heeft verstrekt. In de ambtsberichten van de AIVD/MIVD wordt dit ook niet gemeld. Ad 3) Overige belastende omstandigheden, ook in samenhang bezien Bewijsredenering officier van justitie Naast de contacten met medewerkers van de DGED en afspraken om elkaar te treffen, de boekingen en deels betalingen van de reizen door die medewerkers, heeft de officier van justitie gewezen op toegang van de verdachte tot staatsgeheime documenten, het gedrag en de handelingen van de verdachte op kantoor (het meenemen van hardcopy documenten) en thuis en zijn bagage op het vliegveld in Nederland als het bewijs voor feit 2. Volgens de officier van justitie volgt dit bewijs uit het over of naast elkaar leggen van de verschillende onderzoeksresultaten. Verder heeft de officier van justitie een reeks omstandigheden en gegevens genoemd die kunnen worden gerangschikt onder het motto ‘voor wat hoort wat’ of ‘wat komt er voor terug voor de verdachte’ . In dit verband overweegt de rechtbank het volgende. De reizen in verband met het printen en scannen op kantoor, de tegenprestaties Er is een opvallende samenval in de tijd tussen de print- en scanactiviteiten door de verdachte op kantoor respectievelijk thuis, en zijn reizen. De verdachte heeft erkend te hebben geprint en gescand maar hij deed dit naar zijn zeggen voor zijn reguliere werkzaamheden en hij heeft steeds enige correlatie (de rechtbank begrijpt: in de zin van inhoudelijke samenhang) ontkend. Naar uiterlijk aanzien was er een aantal malen een drukte aan print- en scanactiviteiten (waaronder het aansluiten en loskoppelen van storage devices, het creëren van folders en pdf-documenten op een SD-kaart dan wel op zijn MSI computer) en aantekeningen in een notitieboekje op de dag van een reis . In een aantal andere gevallen gebeurde dit in de dagen tot weken ervoor . Gelet op de werkzaamheden van de verdachte, die hij (zoals onder 3.3.5. overwogen) ook in de periode zonder autorisatie op kantoor heeft voortgezet, kan de rechtbank niet uitsluiten dat deze activiteiten in de dagen tot weken ervoor, maar ook wel op het laatste moment plaatsvonden ten behoeve van die werkzaamheden. De reizen en de samenhang met de print- en scan-acties van de verdachte, door het openbaar ministerie aangeduid als ‘de treintjes van bewijs’, zouden kunnen passen in een scenario van spionage en onrechtmatige fysieke overdracht van geheime informatie per reis. Ook het betoog van de officier van justitie over het ‘voor wat hoort wat’ biedt daarvoor bouwstenen. Maar daarmee staat nog niet vast dat een andere uitleg voor die samenhang en die aangeduide ‘tegenprestaties’ redelijkerwijs is uitgesloten. De rechtbank kan zich enige frustratie voorstellen aan de kant van het openbaar ministerie bij de opbouw en de timing in de verklaringen van de verdachte. De officier van justitie heeft de verdachte één en andermaal terecht gewezen op de mogelijkheid om helderheid te verschaffen. Het lijkt er ook op dat de verdachte zichzelf niet steeds goede diensten heeft bewezen door zo ‘uitgesteld’ en in grote incomplete brokken te verklaren. De verklaringen van de verdachte zijn op punten onvolled 29 maart 2021, Digitaal, F.01.005 (Device nr.) met kenmerk DIS2021004605 zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk onder zich heeft gehouden; Feit 3 hij op of omstreeks 26 oktober 2023 te Rotterdam althans (elders) in Nederland, inlichtingen waarvan de geheimhouding door het belang van de staat en/of een of meer van zijn bondgenoten werd geboden, te weten: fysiek aangetroffen documenten: Inlichtingenanalyse, d.d. 31-05-2023, kenmerk 9746bdff-or1-1.4 en Inlichtingenbericht van 11 augustus 2023, Hardcopy, A.06.04.001.305 met kenmerk DIS2023016182 en Inlichtingenanalyse d.d. 6 juni 2023, Hardcopy, A.06.04.001.006 / A.06.04.001.262 met kenmerk DIS2023006176 en Intelligence Update Week 26, Hardcopy, A.06.04.001.266 / A.06.04.001.264 met kenmerk DIS2023013187 en Intelligence Update Week 21, Hardcopy, A.06.04.001.098 met kenmerk DIS2023010634 en op digitale gegevensdragers aangetroffen: Inlichtingenbericht, d.d. 31-05-2023, kenmerk 976a4f6e-or1-1.4 en Inlichtingenbericht, d.d. 06-06-2023, kenmerk 97888250-or1-1.5 en Inlichtingenbericht, d.d. 08-06-2023, kenmerk 97a412f8-or1-1.1 en Inlichtingenbericht, d.d. 19-06-2023, kenmerk 97b36755-or1-1.5 en Inlichtingenbericht, d.d. 21-06-2023, kenmerk 97aeae8d-or1-1.6 en Inlichtingenbericht, d.d. 10-08-2023, kenmerk 97cfb435-or1-1.1 en Inlichtingenbericht, d.d. 03-07-2023, kenmerk 97b585ea-or1-1.1 en Inlichtingenbericht, d.d. 15-08-2023, kenmerk 97d0af66-or1-1.5 en Inlichtingenbericht van 11 augustus 2023, kenmerk DIS2023016182 en Inlichtingenanalyse d.d. 6 juni 2023, kenmerk DIS2023006176 en Intelligence Update Week 21, kenmerk DIS2023010634 zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk onder zich heeft genomen en/of gehouden. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie Het bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: Feit 1 subsidiair opzettelijk enige inlichting als bedoeld in artikel 98 van het Wetboek van Strafrecht, zonder daartoe gerechtigd zijn, onder zich houden, meermalen gepleegd; Feit 3 opzettelijk enige inlichting als bedoeld in artikel 98 van het Wetboek van Strafrecht, zonder daartoe gerechtigd zijn, onder zich nemen en houden, meermalen gepleegd. 4.2. Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte Zoals overwogen in paragraaf 3.3.5., slaagt het door de verdediging ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 3 gedane beroep op afwezigheid van alle schuld niet. De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Straf 5.1. Eis van de officier van justitie De verdachte moet voor feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest. 5.2. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, en ook op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. 5.2.1. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte, die lange tijd bij de NCTV werkzaam is geweest, heeft zich schuldig gemaakt aan het onder zich nemen en houden van staatsgeheime stukken (‘een inlichting of gegevens’) in de zin van artikel 98 jo 98c (oud) Sr, zonder dat hij daartoe gerechtigd was. Hij beschikte daarover uit hoofde van zijn functie, dan wel, na de intrekking van zijn autorisatie, via het account van een collega. Die stukken heeft hij (onder meer na printen respectievelijk digitalisering ervan) in fysieke dan wel digitale vorm op gegevensdragers, buiten de beveiligde kantooromgeving gebracht. Hij heeft deze documenten - voor zover de rechtbank heeft kunnen vaststellen - zonder kwaadwillende intenties, maar op onverantwoord achteloze wijze thuis bewaard, dan wel – zoals bleek bij zijn aanhouding - tijdens verplaatsingen bij zich gehad. Daarmee heeft hij onacceptabele risico’s voor de staatsveiligheid gecreëerd. Dat (blijkens het in paragraaf 3.3.5. genoemde Auditrapport) de bewaardiscipline binnen de dienst in het algemeen wellicht t Rekening houdend met die overschrijding alsmede met het tijdsverloop sinds de bewezen verklaarde feiten, zou de rechtbank denken aan een bekorting van de op te leggen gevangenisstraf met 1 maand. 5.2.5. Oplegging straf De rechtbank houdt rekening met genoemde overschrijding, alsmede met de duur en het gewicht van de ondergane voorlopige hechtenis in de omstandigheden die de verdachte ter zitting heeft beschreven. Alles overwegende vindt de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan de ondergane voorlopige hechtenis, derhalve voor de duur van 20 maanden, een passende en geboden reactie. 6 Voorlopige hechtenis De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 2 juli 2025 geschorst. Omdat een gevangenisstraf wordt opgelegd die gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, wordt het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Het verzoek van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen. 7 Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straf is gebaseerd op artikel 98c (oud) van het Wetboek van Strafrecht. 8 Beslissingen De rechtbank: Voorvragen verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft feit 1 primair, de onder feit 2 primair opgenomen zinsnede ‘- een of meer andere staatsgeheim gerubriceerde en confidentiële documenten en/of documenten van internationale herkomst met een rubricering equivalent aan staatsgeheim geheim en/of staatsgeheim confidentieel en/of departementaal vertrouwelijk’ en feit 2 subsidiair; verklaart de dagvaarding voor het overige geldig; Vrijspraak verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 primair en feit 2 meer subsidiair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 subsidiair en feit 3, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd; Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) maanden ; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; Voorlopige hechtenis heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst. 9 Samenstelling rechtbank en ondertekening Dit vonnis is gewezen door: mr. J.J. Bade, voorzitter, en mrs. E.M. Havik en P.C. Tuinenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 maart 2026. Bijlage – Bewijsmiddelen aantreffen documenten Feit 1 1. Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de AIVD en MIVD documenten. Ik, [verbalisant] , algemeen opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering en werkzaam bij de Rijksrecherche, verklaar het volgende: Door de AIVD en de MIVD zijn door tussenkomst van de Landelijk Officier van Justitie Terrorismebestrijding middels een ambtsbericht een aantal documenten ter beschikking gesteld van het onderzoek 28Celestien met daarbij nadere informatie over het staatsgeheime karakter van de betreffende documenten. Ik heb hieronder beschreven waar de betreffende documenten in het onderzoek 28Celestien voorkomen, hoeveel documenten er die dag zijn geprint / gescand en eventueel bij welk 'treintje' ze horen. 1. Inlichtingenanalyse 'Normbeeld Marokkaanse inlichtingenactiviteiten in Nederland', d.d. 16-07-2021, kenmerk 92295c16-or1-1.9 Dit document is door de AIVD aangetroffen in het digitale beslag met locatiecode F.01 .005. Locatie Legenda: F = locatie Schiphol, 01 = schoudertas, 005 =nummerobject: ICT gegevensdrager, Samsung EVO SSD 4TB [verdachte] is op donderdag 26 oktober 202 BSG099-183; proces-verbaal van bevindingen m.b.t. het aantreffen van geclassificeerde documenten bij de doorzoeking in Pand A, DB00344/00345, proces-verbaal van bevindingen m.b.t. het aantreffen van ‘nieuwe’ geclassificeerde documenten, blz. DB00449-00451 Proces-verbaal aantreffen gerubriceerde documenten in digitaal beslag met locatiecode F (m.u.v. F.01 .005), blz. DB00538-00546; proces-verbaal aantreffen gerubriceerde documenten in digitaal beslag met locatiecode A, blz. DB00769-00811 Proces-verbaal van bevindingen totaal overzicht inbeslagname stg documenten, blz. DB01001-01006 Hierna ook: het eerste ambtsbericht; DB00001/00002 DB00028 Hierna ook: het derde ambtsbericht; DB00012/00013 DB00014/00015 DB00049-00052 DB00111/00112; DB00126/00127; DB00135/00136; DB00142/00143; DB00149/00150; DB00159/00160; DB00166/00167; DB00173/00174; DB00180/00181 DB01664 Feit 1: 1. Inlichtingenanalyse ‘Normbeeld Marokkaanse inlichtingenactiviteiten in Nederland’, d.d. 16-07-2021, kenmerk 92295c16-or1-1.9 : ambtsbericht d.d. 6 februari 2024, DB00014/00015 2. MIVD Inlichtingenbericht d.d. 29 maart 2021, Digitaal, F.01.005 (Device nr.) met kenmerk DIS2021004605 : ambtsbericht d.d. 1 juli 2024, DB00049-00052 Feit 2 en 3: 1. Inlichtingenanalyse, d.d. 31-05-2023, kenmerk 9746bdff-or1-1.4 : ambtsbericht d.d. 15 juli 2024, DB00111/00112 2. Inlichtingenbericht van 11 augustus 2023, Hardcopy, A.06.04.001.305 met kenmerk DIS2023016182; Inlichtingenanalyse d.d. 6 juni 2023, Hardcopy, A.06.04.001.006 / A.06.04.001.262 met kenmerk DIS2023006176; Intelligence Update Week 26, Hardcopy, A.06.04.001.266 / A.06.04.001.264 met kenmerk DIS2023013187; Intelligence Update Week 21, Hardcopy, A.06.04.001.098 met kenmerk DIS2023010634 : ambtsbericht d.d. 1 juli 2024, DB00049-00052 3. EU SECRET - EEAS (2023) 10242 - 28 April 2023 (pvb [nummer 6] ); EU SECRET EEAS (2023) 10243 02 May 2023 (pvb [nummer 6] ); EEAS (2023) 10235 28 April 2023 (pvb [nummer 6] ); EU SECRET EEAS (2023) 10232 27 April 2023: ambtsbericht d.d. 19 september 2024, DB01664, aangevuld bij pv bevindingen d.d. 30 september 2024, blz. DB01660-01663 4. Inlichtingenbericht, d.d. 31-05-2023, kenmerk 976a4f6e-or1-1.4 (par. 5.11.5) : ambtsbericht d.d. 15 juli 2024, DB00126/00127 5. Inlichtingenbericht, d.d. 06-06-2023, kenmerk 97888250-or1-1.5 (par. 5.12.3) : ambtsbericht d.d. 15 juli 2024, DB00135/00136 6. Inlichtingenbericht, d.d. 08-06-2023, kenmerk 97a412f8-or1-1.1 (par. 5.12.3) : ambtsbericht d.d. 15 juli 2024, DB00142/00143 7. Inlichtingenbericht, d.d. 19-06-2023, kenmerk 97b36755-or1-1.5 (par. 5.13.3) : ambtsbericht d.d. 15 juli 2024, DB00149/00150 8. Inlichtingenbericht, d.d. 21-06-2023, kenmerk 97aeae8d-or1-1.6 : ambtsbericht d.d. 15 juli 2024, DB00159/00160 9. Inlichtingenbericht, d.d. 10-08-2023, kenmerk 97cfb435-or1-1.1 : ambtsbericht d.d. 15 juli 2024, DB00166/00167 10. Inlichtingenbericht, d.d. 03-07-2023, kenmerk 97b585ea-or1-1.1 : ambtsbericht d.d. 15 juli 2024, DB00173/00174 11. Inlichtingenbericht, d.d. 15-08-2023, kenmerk 97d0af66-or1-1.5 : ambtsbericht d.d. 15 juli 2024, DB00180/00181 12. Inlichtingenbericht van 11 augustus 2023, Hardcopy, A.06.04.001.305 met kenmerk DIS2023016182; Inlichtingenanalyse d.d. 6 juni 2023, Hardcopy, A.06.04.001.006 / A.06.04.001.262 met kenmerk DIS2023006176; Intelligence Update Week 21, Hardcopy, A.06.04.001.098 met kenmerk DIS2023010634 : ambtsbericht d.d. 1 juli 2024, DB00049-00052 Feit 1 onder 1: pv bevindingen d.d. 4 februari 2024, blz. DB00027a-00027cFeit 1 onder 2: pv bevindingen d.d. 4 juli 2024, blz. DB00109/00110 Feit 3 onder 1, 4 t/m 11: pv bevindingen d.d. 15 juli 2024, blz. DB00186-00187 Feit 3 onder 2: pv bevindingen d.d. 4 juli 2024, blz. DB 00109/00110 Feit 3 onder 3: pv bevindingen 26 september 2024, blz. DB01665-01667 Blz. DB00027a-00027c Blz. DB00109/00110 Blz. DB00186-00187 RC-verhoor [naam 24], blz. 3/4 Zie verklaring [getuige 1] , blz. DB01010/01011: Rubrinet is een systeem dat gekoppeld is aan het gerubriceerde netwerk. Het Rubrinet is b