Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-03-11
ECLI:NL:RBROT:2026:2386
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/6962 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen Vereniging Bewoners Tegen Vliegtuigoverlast (BTV), uit Rotterdam, eiseres (gemachtigden: A.B. Blokhuizen en mr. N. Krol), en het bestuur van Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) (gemachtigde: mr. A. Brandenburg). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de weigering om openbaarmaking van de gesprekken tussen verkeersleiders en piloten via radio en telefonie (verkort aangeduid als R/T) op een aantal gespecificeerde vluchten. BTV is het daar niet mee eens. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat LVNL de openbaarmaking niet heeft kunnen weigeren op basis van artikel 8.8 van de Wet open overheid (Woo) en wel heeft kunnen weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo. BTV krijgt dus gedeeltelijk gelijk, namelijk voor zover het de primaire juridische grondslag van de weigering van de gevraagde R/T betreft. Alleen in zoverre is het beroep gegrond. De gevraagde R/T hoeft als gevolg van deze uitspraak niet openbaar te worden gemaakt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. BTV heeft op 6 januari 2025 op grond van de Woo verzocht om openbaarmaking – in de vorm van de geluidsopnames dan wel volledige transcripties – van een deel (de eerste twaalf minuten) van R/T voor tien gespecificeerde vluchten waarvan negen vluchten vanaf Rotterdam The Hague Airport (RTHA). Het gaat BTV in ieder geval om het deel van de R/T waarin toestemming wordt gevraagd en/of verkregen om af te wijken van de voorgeschreven route. 2.1. Bij besluit van 20 februari 2025 (primair besluit) heeft LVNL de openbaarmaking geweigerd op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo. 2.2. Met het bestreden besluit van 1 augustus 2025 op het bezwaar van BTV heeft LVNL de openbaarmaking primair geweigerd op grond van artikel 8.8 van de Woo in samenhang met artikel 7.1, vierde lid, van de Wet luchtvaart en subsidiair op grond van artikel 5.1, tweede lid aanhef, onder i en onder e, van de Woo. Met dit besluit heeft LVNL ook een tweede Woo-verzoek van 27 mei 2025 van BTV afgewezen, op grond van artikel 4:6, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.3. BTV heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. LVNL heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en heeft hierbij niet de door BTV verzochte R/T in het geding gebracht. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van BTV, en voor LVNL zijn gemachtigde en [naam] Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de door BTV ingediende beroepsgronden of het bestreden besluit in stand kan blijven. 4. Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst de rechtbank naar de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak. Beroepsgronden 5. BTV betwist dat artikel 8.8 van de Woo van toepassing is. Verder voert zij aan dat de motivering onjuist is voor de afwijzing van haar verzoek op grond van artikel 5.1, tweede lid aanhef onder i, van de Woo, dat deze uitzonderingsgrond niet van toepassing is en dat er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. 6. Partijen zijn het erover eens dat BTV met instemming van LVNL rechtstreeks beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van haar tweede Woo-verzoek op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. BTV voert tegen dit onderdeel echter afzonderlijk geen beroepsgronden aan, zodat de rechtbank dit bij haar beoordeling verder buiten beschouwing laat. Artikel 8:8 van de Woo van toepassing? 7. Op grond van artikel 8.8 van de Woo zijn onder meer artikel 4.1 (het artikel dat de openbaarmaking op verzoek regelt) en artikel 5.1, eerste en tweede lid (uitzonderings-gronden voor openbaarmaking) niet van toepassing op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij de Woo. De bij De bestuursrechter toetst dus of het bestuursorgaan zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemeen belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang. Bij deze afweging weegt zwaar het uitgangspunt van de Woo dat er een recht op toegang tot informatie bestaat. Artikel 5, tweede lid, aanhef onder i, van de Woo 13. LVNL stelt zich terecht op het standpunt dat uit een oogpunt van het goed functioneren van LVNL belang bestaat bij geheimhouding van R/T en verwijst hiervoor terecht met name naar de ‘cultuur van billijkheid’ zoals die onder andere is beschreven in de Verordening voorvallen (zie o.a. artikel 2 onder 12 en preambule overwegingen 34, 36, 37, 40 en 44) en is vermeld in de wetsgeschiedenis bij de Wet luchtvaart. LVNL onderbouwt de aanwezigheid van het belang bij zijn goed functioneren voldoende met de volgende toelichting. Het is van levensbelang dat iedere verantwoordelijke tijdens een vluchtafhandeling zich vrij en veilig moet voelen het werk naar behoren te kunnen doen en dus om melding te kunnen maken van alles dat naar zijn of haar oordeel van belang is of is geweest tijdens de vlucht. Als R/T (uit het verleden en/of voor de toekomst) openbaar wordt gemaakt op grond van de Woo, en daarmee voor eenieder voor altijd openbaar is, wordt hieraan ernstig afbreuk gedaan. Piloten en luchtverkeersleiders zullen zich – in de wetenschap dat hun mededelingen openbaar kunnen worden – minder vrij en veilig kunnen voelen om tijdens de vlucht in onderling contact volledige openheid van zaken te geven. Dat kan ertoe leiden dat belangrijke informatie niet wordt gedeeld en dat adequaat optreden bij veiligheidsincidenten wordt belemmerd. De veiligheid van de luchtvaart in algemene zin komt hiermee in het gedrang. Dat zou het goed functioneren van een veiligheidsorganisatie zoals LVNL met als taak luchtverkeersbegeleiding van het gehele Nederlandse luchtruim, in gevaar brengen. LVNL wil niet dat een website als www.LiveATC.net R/T beschikbaar stelt, zodat het enkele feit dat een website dit toch doet, de onderbouwing van LVNL niet zwakker maakt. Bovendien stelt LVNL onweersproken dat het opslaan en gebruiken van R/T via een dergelijke site niet mogelijk en in ieder geval verboden is. Belangenafweging 14. Het recht op openbaarmaking op grond van de Woo is er uitsluitend voor het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering. Bij de te verrichten belangenafweging wordt het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie afgewogen tegen de door de uitzonderingsgronden te beschermen belangen, maar niet het specifieke belang van de verzoeker. Dit betekent dat bij het oordeel dat BTV vraagt aan de rechtbank, het eigen belang van BTV dat zij daarvoor stelt, buiten beschouwing moet blijven (onder andere het belang om te controleren of vliegtuigen met een geldige reden over woningen van haar leden vliegen). 15. Met de toelichting zoals hiervoor vermeld heeft LVNL zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van het goed functioneren van zijn organisatie (inclusief de cultuur van billijkheid) zwaarder weegt dan het – op zich zwaarwegende – belang van algemene openbaarheid van R/T. Dit zou anders kunnen zijn als aannemelijk is dat zonder openbaarmaking misstanden verborgen blijven. Dat is niet aannemelijk geworden. LVNL heeft aannemelijk gemaakt dat ILT toezicht houdt op de uitvoering van de wettelijke taak door LVNL (mede door verzoeken van BTV) en dat ILT dit doet op basis van voldoende informatie (inclusief R/T) en met kennis van de specifieke context. Conclusie over artikel 5.1, tweede lid, aanhef onder i, van de Woo 16. LVNL heeft de openbaarmaking van de gevraagde informatie in redelijkheid kunnen weigeren op deze grond. Hierdoor behoeft de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef onder e, van de Woo geen bespreking meer. 16.1. Ten overvloede vermeldt de rechtbank dat LVNL zich heeft ingespan Verhouding met andere wetten De artikelen […] 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, […] zijn niet van toepassing op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij deze wet. Bijlage bij artikel 8.8 van de Wet open overheid […] Wet luchtvaart: de artikelen 7.1 en […] Wet luchtvaart Artikel 7.1 van de Wet luchtvaart 1. Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden regels gesteld met betrekking tot: a. de inrichting en de werking van een systeem ten behoeve van het verplicht melden van voorvallen als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de verordening voorvallen; b. de inrichting en de werking van een systeem ten behoeve van het vrijwillig melden van voorvallen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de verordening voorvallen; c. de inrichting en werking van een mechanisme voor het onafhankelijk verrichten van de verzameling, beoordeling, verwerking, analyse en opslag van de bijzonderheden over de overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van de verordening voorvallen gemelde voorvallen. 2 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen overeenkomstig artikel 5, zevende lid, van de verordening voorvallen regels worden gesteld voor het verzamelen en verwerken van veiligheidsinformatie, teneinde bijzonderheden over voorvallen te verzamelen die mogelijkerwijs niet worden opgenomen in de meldingssystemen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de verordening voorvallen. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de verordening voorvallen op voorvallen en andere veiligheid gerelateerde informatie met betrekking tot luchtvaartuigen waarop de basisverordening niet van toepassing is. 4 Gegevens die op grond van de artikelen 4, 5 en 10 van de verordening voorvallen zijn ontvangen of verzameld door of namens bestuursorganen, zijn niet openbaar. Verordening voorvallen Artikel 4 Verplichte melding 1. Door middel van de systemen voor verplichte melding overeenkomstig dit artikel melden de in lid 6 bedoelde personen de voorvallen die een belangrijk risico voor de luchtvaartveiligheid kunnen inhouden en die tot de hierna vermelde categorieën behoren: a. a) voorvallen in verband met de vluchtuitvoering, zoals: […] b) voorvallen in verband met technische voorschriften, onderhoud en herstelling van luchtvaartuigen, zoals: […] c) voorvallen in verband met luchtvaartnavigatiediensten en -faciliteiten, zoals: […] d) voorvallen in verband met luchtvaartterreinen en gronddiensten, zoals: […] 2. Elke in een lidstaat gevestigde organisatie zet een systeem voor verplichte melding op teneinde het verzamelen van de bijzonderheden over de in lid 1 bedoelde voorvallen te faciliteren. 3. Elke lidstaat zet een systeem voor verplichte melding op teneinde het verzamelen van de bijzonderheden over voor vallen te faciliteren, met inbegrip van het verzamelen van de bijzonderheden over voorvallen die overeenkomstig lid 2 door organisaties zijn verzameld. 4. Het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart („het Agentschap”) zet een systeem voor verplichte melding op teneinde het verzamelen van de bijzonderheden over voorvallen te faciliteren, met inbegrip van de bijzonderheden over voorvallen die overeenkomstig lid 2 zijn verzameld door organisaties die door het Agentschap zijn gecertificeerd of goedgekeurd. 6. De volgende natuurlijke personen melden de in lid 1 bedoelde voorvallen via het systeem dat overeenkomstig lid 2 is opgezet door de organisatie die de melder in dienst heeft, contracteert of een beroep doet op zijn diensten, of, bij gebreke daarvan, via het systeem dat overeenkomstig lid 3 is opgezet door de lidstaat waar die organisatie gevestigd is of door de staat die het bewijs van bevoegdheid van de piloot heeft afgegeven, gevalideerd of omgezet, of via een systeem dat overeenkomstig lid 4 is opgezet door het Agentschap: a. a) de gezagvoerder of, in gevallen waarin de gezagvoerder niet in staat is het voorval Dat systeem omvat ook, doch niet uitsluitend, het verzamelen van de informatie die overeenkomstig lid 5 is overgemaakt door organisaties die door het Agentschap zijn gecertificeerd of goedgekeurd. 4. De systemen voor vrijwillige melding worden gebruikt voor het faciliteren van het verzamelen van bijzonderheden over voorvallen en andere veiligheidsgerelateerde informatie: a. a) die niet vallen onder de verplichte melding overeenkomstig artikel 4, lid 1; b) die worden gemeld door personen die niet in artikel 4, lid 6, zijn opgenomen. 5. Elke in een lidstaat gevestigde organisatie die door het Agentschap is gecertificeerd of goedgekeurd, meldt het Agentschap tijdig de bijzonderheden over voorvallen en andere veiligheidsgerelateerde informatie die overeenkomstig lid 1 zijn verzameld en die misschien een feitelijk of potentieel luchtvaartveiligheidsrisico inhouden. 6. Elke in een lidstaat gevestigde organisatie die niet door het Agentschap is gecertificeerd of goedgekeurd, meldt de overeenkomstig artikel 6, lid 3, aangewezen bevoegde autoriteit van die lidstaat tijdig de bijzonderheden over voorvallen en andere veiligheidsgerelateerde informatie die zijn verzameld overeenkomstig lid 1 van dit artikel en die misschien een feitelijk of potentieel luchtvaartveiligheidsrisico inhouden. De lidstaten kunnen van elke op hun grondgebied gevestigde organisatie eisen dat deze de bijzonderheden over alle overeenkomstig lid 1 van dit artikel verzamelde voorvallen meldt. 7. De lidstaten, het Agentschap en organisaties kunnen andere systemen voor het verzamelen en verwerken van veiligheidsinformatie opzetten om de bijzonderheden te verzamelen over voorvallen die mogelijkerwijs niet in de in artikel 4 en in de leden 1, 2 en 3 van het onderhavige artikel bedoelde meldingssystemen worden opgenomen. Die systemen kunnen het melden aan andere entiteiten dan de in artikel 6, lid 3, bepaalde omvatten, en kunnen een actieve deelname behelzen van: a. a) de luchtvaartindustrie; b) de beroepsorganisaties van het luchtvaartpersoneel. 8. Informatie kan in één enkel systeem worden opgenomen, ongeacht of die informatie uit vrijwillige dan wel uit verplichte melding afkomstig is. Artikel 10 Verspreiding van in het Europees centraal register opgeslagen informatie 1. Alle met het reguleren van de veiligheid van de burgerluchtvaart belaste instanties of veiligheidsonderzoeksinstanties in de Unie hebben beveiligde, volledige onlinetoegang tot de in het Europees centraal register opgenomen informatie over voorvallen. Op het gebruik van de informatie zijn de artikelen 15 en 16 van toepassing. 2. De in bijlage II vermelde belanghebbenden kunnen toegang vragen tot bepaalde informatie in het Europees centraal register. In de Unie gevestigde belanghebbenden richten hun verzoeken om informatie tot het contactpunt in de lidstaat waarin zij zijn gevestigd. Belanghebbenden die buiten de Unie zijn gevestigd, richten hun verzoek tot de Commissie. De Commissie stelt de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat in kennis van de overeenkomstig dit lid ingediende verzoeken. 3. Onder voorbehoud van artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. 996/2010 mag de in het Europees centraal register opgenomen informatie over lopende, overeenkomstig die verordening verrichte veiligheidsonderzoeken niet overeenkomstig het onderhavige artikel ter kennis van belanghebbenden worden gebracht. 4. Om veiligheidsredenen wordt aan belanghebbenden geen rechtstreekse toegang tot het Europees centraal register verleend. Artikel 15 Vertrouwelijkheid en passend gebruik van informatie 1. De lidstaten en de organisaties, overeenkomstig hun nationale recht, alsook het Agentschap, nemen de nodige maatregelen om een passende vertrouwelijkheid te waarborgen van de bijzonderheden over voorvallen die zij overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 10 hebben ontvangen. Elke lidstaat, elke in een lidstaat gevestigde organisatie of het Agentschap verwerkt persoonsgegevens uitsluitend voor zover dit nodig is voor het doel