ECLI:NL:RBROT:2026:2344
RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/714568 / JE RK 26-249 Datum uitspraak: 23 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming , regio Rotterdam-Dordrecht , gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [naam vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. M.F.A. van Pelt, kantoorhoudende in Rotterdam. De kinderrechter merkt als informant aan: [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 6 februari 2026, ontvangen op 6 februari 2026; de berichten van de Raad van 13 en 20 februari 2026; het raadsrapport van 16 februari 2026, ontvangen op diezelfde datum; de brief van [minderjarige] , ontvangen op 18 februari 2026; het bericht van de moeder van 23 februari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ; - een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, [naam 2] . 1.3. Opgeroepen en niet verschenen is de moeder, met bericht van afwezigheid. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] hierin heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft op een geheime locatie. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 november 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 28 februari 2026 en een machtiging verleend [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 28 november 2025 tot 26 december 2025, waarbij het verzoek voor het overige is aangehouden. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft voorts bij beschikking van 11 december 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 28 februari 2026. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en verwijst hierbij naar het raadsrapport. [minderjarige] wil zelf graag bij haar moeder wonen, maar deze wens moet nog verder worden onderzocht. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij niet terug wilt naar haar vader, zij voelt zich onveilig bij hem. In de aankomende periode moet worden onderzocht in hoeverre de moeder een rol kan spelen in het leven van [minderjarige] en of de relatie van [minderjarige] met haar vader hersteld kan worden, zo lang dit op een veilige manier kan. [minderjarige] kan bij de oma moederszijde geplaatst worden. Dit is voor nu ook de wens van [minderjarige] . 4 De standpunten 4.1. De GI heeft zich tijdens de mondelinge behandeling aangesloten bij het verzoek van de Raad en daar het volgende aan toegevoegd. De plek bij oma moederszijde is een geschikte plek voor [minderjarige] . De halfbroer van [minderjarige] , [naam 3] , verblijft ook bij oma moederszijde. [naam 3] en [minderjarige] zijn heel hecht samen, daarom staat de GI ook achter deze plaatsing. De plek bij oma moederszijde wordt op dit moment gescreend. [minderjarige] is up to date met school. Ze heeft nu een laptop waarop zij lessen kan volgen. Ze heeft net tentamens gehad. De GI heeft desgevraagd aangegeven dat de zorgen van de vader, dat er tegenover [minderjarige] negatief over hem wordt gesproken door de familie van de moeder, een punt is van aandacht voor de komende periode. 4.2. Namens en door de vader is verweer gevoerd. De vader zou het liefst zien dat [minderjarige] bij hem wordt teruggeplaatst, maar hij begrijpt dat dat nu geen optie is. De vader erkent dat hij te streng is geweest voor [minderjarige] , maar hij is nooit fysiek geweest naar [minderjarige] . De vader acht Fier, locatie Veilige Veste in Capelle aan den IJssel, op dit moment de beste plek voor [minderjarige] . De vader zal [minderjarige] ook met rust laten als zij hier geplaatst zal worden. [minderjarige] is hier op een neutrale plek en de vader acht dit beter voor haar. Eerder is [minderjarige] vanuit de woning van oma moederszijde uiteindelijk door haar moeder ontvoerd naar Syrië. De vader is hier weer bang voor en hij vreest dat [minderjarige] negatief zal worden beïnvloed over de vader door moeders netwerk. Desgevraagd is volgens de vader de eerdere crisisplaatsing van [minderjarige] niet gelukt, omdat zij toen in Groningen verbleef en niet in deze regio. Hierdoor kan zij niet naar haar school gaan en geen contact hebben met haar vriendinnen. 5 De beoordeling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. 5.2. Uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat er grote zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] , waardoor gesproken kan worden van een ernstige ontwikkelingsbedreiging als bedoeld in artikel 255, eerste lid, van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. [minderjarige] heeft al veel in haar leven meegemaakt en zij heeft weinig stabiliteit en veiligheid gekend. De moeder geeft aan dat er sprake is geweest van huiselijk geweld in de relatie van de ouders. [minderjarige] is op vijfjarige leeftijd, samen met haar halfbroer, door de moeder meegenomen naar Syrië. [minderjarige] heeft daar zes jaren verbleven en heeft zeer waarschijnlijk ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. [minderjarige] is op elfjarige leeftijd, dankzij de inzet van de vader, door de Nederlandse overheid weer naar Nederland gehaald. Zij verbleef toen eerst achtereenvolgens op twee verschillende groepen en daarna verbleef zij bij haar vader. Het verblijf van [minderjarige] bij haar vader verliep goed en de hulpverlening en de betrokkenheid vanuit jeugdbescherming werd destijds afgesloten. 5.3. Op dit moment zijn er zorgen over de opvoedsituatie bij de vader. De verhalen van [minderjarige] en de vader over wat er in de huiselijke sfeer gebeurt, komen niet met elkaar overeen. [minderjarige] geeft aan dat zij vaak alleen was, omdat vader vaak bij zijn nieuwe vriendin in Almere verbleef. Als de vader thuis was, kon hij boos zijn naar [minderjarige] over onvoldoende uitgevoerde taken in het huishouden, slechte schoolcijfers of het verzuimen van een volleybaltraining. [minderjarige] noemt dat zij het laatste anderhalf jaar bij de vader door hem is geslagen, geschopt en gewurgd en dat zij hier ook letsel van had. [minderjarige] heeft zich op een gegeven moment, toen haar vader in het buitenland zat, bij de politie gemeld en aangegeven dat zij zich onveilig voelt bij de vader thuis en door hem wordt mishandeld. Er zouden verschillende foto’s bij de politie en bij de jeugdbescherming bekend zijn, waarop letsel bij [minderjarige] te zien zou zijn. De vader erkent dat hij soms te streng is voor [minderjarige] en dat hij dreigend over kan komen, maar hij ontkent stellig dat hij ooit fysiek geweld jegens [minderjarige] heeft gebruikt. De vader erkent ook dat hij [minderjarige] de afgelopen periode wellicht te vaak alleen heeft gelaten als hij bij zijn nieuwe vriendin was. 5.4.