Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-06
ECLI:NL:RBROT:2026:2331
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,344 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:2331 text/xml public 2026-03-25T13:10:51 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-06 11970082 CV EXPL 25-24783 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2331 text/html public 2026-03-25T13:10:14 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2331 Rechtbank Rotterdam , 06-03-2026 / 11970082 CV EXPL 25-24783 Betalingsachterstand zorgverzekering toegewezen. Kosten van repliek blijven voor rekening van eiser, vanwege onduidelijke brieven. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11970082 CV EXPL 25-24783 datum uitspraak: 6 maart 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van VGZ Zorgverzekeraar N.V. , vestigingsplaats: Arnhem, eiseres, gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso, tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘VGZ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding, met bijlagen; de samenvatting van de griffier van de mondelinge reactie van [gedaagde] ; de repliek, met bijlagen. 1.2. [gedaagde] heeft de gelegenheid gekregen om te reageren op de repliek, maar dat heeft hij niet gedaan. 2 De beoordeling [gedaagde] had een achterstand van € 2.266,86 2.1. [gedaagde] heeft een zorgverzekering bij VGZ. Volgens VGZ had hij een betalingsachterstand van € 2.266,86. Bij de dagvaarding zit een overzicht waarin is te zien waaruit die achterstand bestaat. Het gaat om premie voor de zorgverzekering en om zorgkosten uit de periode april 2017 tot en met juli 2025. [gedaagde] heeft dat niet betwist, dus de kantonrechter gaat ervan uit dat dit klopt. [gedaagde] moet rente betalen 2.2. [gedaagde] heeft de premie en de zorgkosten niet op tijd betaald. Hij moet daarom rente betalen (artikel 6:119 BW). Volgens VGZ gaat het berekend tot 26 september 2025 om € 305,13. [gedaagde] heeft dat niet betwist. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat dit klopt. Dit is een groot bedrag geworden, omdat sommige bedragen dus al sinds 2017 openstaan. [gedaagde] moest € 163,17 aan buitengerechtelijke kosten betalen 2.3. VGZ heeft [gedaagde] aanmaningen gestuurd. Ze heeft recht op een vergoeding van de kosten die ze daarbij heeft gemaakt (artikel 6:96 BW). De vergoeding van € 163,17 die VGZ in rekening heeft gebracht is berekend volgens de wet (Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten). Er staat nog € 1.501,81 open 2.4. Volgens VGZ heeft [gedaagde] € 1.233,35 betaald. Omdat [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd gaat de kantonrechter ervan uit dat dit klopt. [gedaagde] heeft daarmee de buitengerechtelijke kosten en de rente tot 26 september 2025 betaald (artikel 6:44 BW). De rest gaat van de achterstand af. Er staat dan nog een achterstand van € 1.501,81 open. [gedaagde] wordt dus veroordeeld om die te betalen, met de rente over dit bedrag vanaf 26 september 2025. 2.5. In de repliek heeft VGZ aangegeven dat [gedaagde] na de dagvaarding nog betaald heeft. Ze heeft haar eis niet verminderd. Als dit betalingen zijn voor deze achterstand, dan moeten die uiteraard nog van het bedrag van € 1.501,81 worden afgetrokken. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 2.6. [gedaagde] heeft in zijn mondelinge reactie aangegeven dat hij al een betalingsregeling had lopen. De kantonrechter begrijpt daaruit dat hij deze procedure en de kosten daarvan onnodig vindt. Dat verweer gaat niet op. VGZ heeft namelijk in de repliek aangegeven dat die betalingsregeling ging over een andere achterstand. [gedaagde] heeft daar niet meer op gereageerd, dus de kantonrechter gaat ervan uit dat dit klopt. VGZ is in dat geval terecht deze procedure begonnen. De kantonrechter kan wel begrijpen dat het voor [gedaagde] niet duidelijk was waar de betalingsregeling op ziet. In de bevestiging staat namelijk niet voor welke achterstand de betalingsregeling is. Als VGZ dat wel duidelijk had vermeld, dan had VGZ dat niet in de repliek hoeven uitleggen. De kosten van de repliek blijven daarom voor rekening van VGZ. 2.7. De proceskosten komen verder voor rekening van [gedaagde] omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan VGZ moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 385,- aan griffierecht, € 217,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 108,50 aan nakosten (1/2 punt). Dat is in totaal € 856,64. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 2.8. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat VGZ dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ € 1.501,81 te betalen, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 26 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald; 3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van VGZ worden begroot op € 856,64; 3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken. 33394