Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-09
ECLI:NL:RBROT:2026:2319
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,709 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2319 text/xml public 2026-03-23T09:53:46 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-09 25/3652 en 25/3655 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2319 text/html public 2026-03-23T09:51:50 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2319 Rechtbank Rotterdam , 09-03-2026 / 25/3652 en 25/3655 MK-uitspraak; beroep boetebesluit gegrond; overtreding van artikel 15a van de Wav; geen grove schuld; boete wordt opnieuw vastgesteld; meest gunstige boetebeleid leidt tot dubbele matiging vanwege termijnoverschrijding; verdere matiging vanwege overschrijding redelijke termijn; beroep waarschuwing preventieve stillegging van werk ongegrond. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: ROT 25/3652 en ROT 25/3655 uitspraak van de meervoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen LT Foods Europe B.V., uit Maasvlakte Rotterdam, eiseres (gemachtigden: mr. A.C. van Vliet en mr. D. van Gerven), en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder (gemachtigden: mr. drs. S.J. Erades en mr. R. Struik). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de overtreding van artikel 15a van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en de gevolgen daarvan voor eiseres. De minister heeft aan eiseres een boete van € 149.625,- opgelegd omdat eiseres van 35 arbeidskrachten niet tijdig de identiteit heeft vastgesteld. Omdat de overtreding ziet op meer dan 20 arbeidskrachten is ook een waarschuwing preventieve stillegging van werk gegeven. Eiseres is het niet eens met de boete en de waarschuwing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de bestreden besluiten. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De minister is ten onrechte uitgegaan van grove schuld. Ook is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De boete wordt vastgesteld op € 97.250,-. De overige beroepsgronden treffen geen doel. Eiseres krijgt dus deels gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. De minister heeft met het besluit van 8 februari 2024 een boete van € 168.000,- opgelegd voor 42 overtredingen van artikel 15a van de Wav. Met een tweede besluit van 8 februari 2024 heeft de minister een waarschuwing preventieve stillegging van werk gegeven. 2.1. Met de bestreden besluiten van 20 maart 2025 heeft de minister het bezwaar tegen de boete (deels) gegrond verklaard en de boete gematigd tot € 149.625,-. Het bezwaar tegen de waarschuwing is ongegrond verklaard. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het beroep gericht tegen de boete is geregistreerd onder zaaknummer 25/3655. Het beroep gericht tegen de waarschuwing preventieve stillegging van werk is geregistreerd onder zaaknummer 25/3652. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft de beroepen op 13 januari 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens eiseres, de gemachtigden van eiseres en de gemachtigden van de minister. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van de bestreden besluiten 3. Eiseres is een groothandel in en bewerker van voedingsmiddelen (waaronder rijst). Voor haar werkzaamheden heeft zij uitzendkrachten ingeleend van (voorheen) Connecting People B.V. (uitlener). 3.1. Vanwege een melding over een mogelijke overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag door de uitlener is de Nederlandse Arbeidsinspectie (Arbeidsinspectie) op 27 januari 2021 een onderzoek gestart. De Arbeidsinspectie heeft eiseres op 22 maart 2021 in het kader van controle en toezicht bezocht. Tijdens dit bezoek zijn bij eiseres mondeling urenstaten en facturen opgevraagd. Op 6 april 202 zijn per e-mail onder meer de volgende documenten opgevraagd: Lijst en/of overzicht van de namen en Burgerservicenummer van zowel eigen personeel als ingeleend personeel over de periode van 1 september 2020 tot en met 28 februari 2021; en De WID (Wet op de Identificatieplicht) administratie. 3.2. Ook bij de uitlener heeft de Arbeidsinspectie (meermaals) gegevens opgevraagd over de uitzendkrachten die arbeid hebben verricht bij eiseres. Eiseres heeft urenlijsten overgelegd van werknemers van de uitlener en gemeld dat de verantwoordelijkheid voor de WID administratie bij de uitlener is gelegd. Aan de hand van de overlegde bescheiden heeft de Arbeidsinspectie een lijst van werknemers opgesteld die via de uitlener bij eiseres hebben gewerkt. Van 81 arbeidskrachten heeft de Arbeidsinspectie de identiteit niet kunnen vaststellen. Op 13 april 2021 heeft de Arbeidsinspectie op grond van artikel 15a van de Wav, eerst mondeling en later op schrift, bij eiseres gevorderd om binnen 48 uur de identiteit van 81 arbeidskrachten vast te stellen aan de hand van een WID-document en daarvan een afschrift te verstrekken (artikel 15a-vordering). Omdat eiseres niet (tijdig) de juiste gegevens heeft aangeleverd, heeft de Arbeidsinspectie een overtreding van artikel 15a van de Wav vastgesteld. Op 15 september 2022 is een boeterapport opgesteld. 3.3. Op 11 april 2023 is aan eiseres het voornemen tot het opleggen van een boete uitgebracht ter hoogte van € 264.000,- voor uiteindelijk 66 overtredingen van artikel 15a van de Wav. Daarbij is uitgegaan van normale verwijtbaarheid en een boetebedrag van € 4.000,- per arbeidskracht waarvan de identiteit niet is vastgesteld. Ook heeft de minister aangekondigd voornemens te zijn de inspectiegegevens en de opgelegde boete openbaar te maken. Op 11 april 2023 is aan eiseres ook het voornemen tot het geven van een waarschuwing preventieve stillegging van werk gestuurd. Eiseres heeft op 14 mei 2023 voor beide voorgenomen besluiten een zienswijze ingediend. 3.4. Op 8 februari 2024 heeft de minister twee besluiten genomen. Het aantal arbeidskrachten waarvan de identiteit niet is vastgesteld, is door dubbelingen en het alsnog (tijdig) overleggen van WID-documenten van aanvankelijk 66 teruggebracht naar 42. Omdat sprake is van normale verwijtbaarheid is met het eerste besluit een boete opgelegd van € 168.000,-.Voor het overige heeft de minister in de zienswijze geen aanleiding gezien om anders te beslissen. Daarom is met het tweede besluit van 8 februari 2024 een waarschuwing preventieve stillegging van werk gegeven. 3.5. Eiseres heeft op 19 maart 2024 bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten. Eiseres stelt onder meer dat geen sprake is van een sanctioneerbare overtreding omdat zij – gelet op de eisen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) – geen kopieën van WID-documenten mag bewaren en daarom niet aan de verplichting onder artikel 15a van de Wav kan voldoen. Bovendien is eiseres voor de nakoming afhankelijk van de uitlener, waarmee de samenwerking is beëindigd voordat de artikel 15a-vordering is gedaan. Eiseres voert in bezwaar verder aan dat sprake is van geen of in ieder geval verminderde verwijtbaarheid. De (later) getroffen maatregelen, de overschrijding van de redelijke termijn en een ongerechtvaardigde cumulatie van boetes geven volgens eiseres aanleiding om de boete tot nihil te matigen. Een waarschuwing preventieve stillegging van werk is in die situatie niet gerechtvaardigd. Nu feitelijk maar sprake is van één (administratieve) overtreding kan geen aanleiding bestaan een waarschuwing te geven. 3.6. De minister heeft het bezwaar tegen de boeteoplegging gedeeltelijk gegrond verklaard, omdat van (nog) een aantal namen wordt aangenomen dat het één en dezelfde arbeidskracht betreft. Het bestreden besluit van 20 maart 2025 ziet op 35 arbeidskrachten. De minister neemt echter aan dat geen sprake is van normale verwijtbaarheid maar van grove schuld. Het boetebedrag is om die reden bepaald op € 6.000,- per arbeidskracht (75% van het boetenormbedrag van € 8.000,-).
Volledig
De minister heeft de boete – naar de rechtbank begrijpt: gelet op het boetebeleid – wel met 25% verlaagd, omdat de periode tussen de laatste ambtshandeling en het boeterapport langer dan zes maanden heeft geduurd. Omdat ook de termijn van artikel 5:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is overschreden – tussen het boeterapport en het versturen van het voornemen tot het opleggen van de boete (de kennisgeving) zit meer dan een half jaar – is de boete verder gematigd met 5%. De boete bedraagt daarom in totaal € 149.625,-. Het bezwaar tegen de waarschuwing preventieve stillegging van werk is bij afzonderlijk besluit van 20 maart 2025 ongegrond verklaard. 3.7. Eiseres is tegen de bestreden besluiten in beroep gegaan. Toetsingskader 4. Een werkgever moet de identiteit van personen die voor hem arbeid verrichten, vaststellen en registreren. De Arbeidsinspectie kan aan de hand van die gegevens (onder meer) controleren of aan de verplichtingen onder de Wav wordt voldaan en of iemand in Nederland mag werken. Indien voornoemde gegevens op verzoek niet ter beschikking worden gesteld, kan de Arbeidsinspectie op grond van artikel 15a van de Wav vorderen deze gegevens binnen 48 uur alsnog te verstrekken. Als aan dat verzoek niet wordt voldaan, is sprake van een overtreding en kan de minister een boete opleggen. De hoogte van de boete is onder meer afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid en het treffen van adequate maatregelen voor en na de overtreding om een overtreding te voorkomen. Bij een ernstige overtreding waarbij meer dan 20 arbeidskrachten zijn betrokken, kan de minister ook een waarschuwing geven dat bij een volgende overtreding het werk wordt stilgelegd voor ten hoogste drie maanden. 4.1. Het wettelijk kader van deze zaak is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Ten aanzien van het beroep tegen de boete (zaaknummer 25/3655) Kan eiseres voldoen aan artikel 15a van de Wav? 5. Eiseres stelt als meest verstrekkende argument dat zij als inlener niet kan voldoen aan de verplichting onder artikel 15a van de Wav en daarom geen sprake kan zijn van een beboetbare overtreding. Eiseres stelt dat zij op grond van de AVG geen kopieën van identiteitsbewijzen van uitzendkrachten uit de EU/EER, Zwitserland of Turkije mag bewaren. Ook volgt uit artikel 15, derde lid, van de Wav dat de uitlener geen kopieën mag verstrekken aan de inlener. Hierdoor is het niet mogelijk om binnen 48 uur de kopieën van identiteitsbewijzen van arbeidskrachten te verzamelen. De boete moet daarom volgens eiseres op nihil worden vastgesteld. 5.1. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat op een werkgever een eigen verantwoordelijkheid rust om, voorafgaand aan het verrichten van enige werkzaamheden, te controleren of arbeidskrachten in Nederland mogen werken. Dat geldt ook voor zover een werkgever gebruik maakt van uitzendkrachten. Om hieraan te voldoen zal een werkgever de identiteit van de arbeidskrachten moeten controleren aan de hand van een origineel identiteitsbewijs . Als arbeidskrachten niet in dienst zijn bij de werkgever en afkomstig zijn uit lidstaten van de Europese Economische Ruimte , Zwitserland en Turkije (hierna EU-burgers), mag de werkgever, gelet op de bepalingen uit de AVG, geen kopie van het identiteitsbewijs maken en bewaren. De AVG verhindert echter niet dat kan en moet worden voldaan aan de verplichting onder artikel 15a van de Wav. 5.2. De rechtbank stelt vast dat eiseres erkent dat zij niet heeft voldaan aan de verplichting onder artikel 15a van de Wav. Anders dan eiseres stelt, is het voor haar niet onmogelijk om te voldoen aan artikel 15a van de Wav. Hoewel eiseres van uitzendkrachten die ook EU-burgers zijn, geen kopieën van WID-documenten mag maken en bewaren, volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat eiseres de identiteit van deze uitzendkrachten voorafgaand aan de start van de werkzaamheden wel had moeten controleren en daarvan de nodige gegevens had moeten registreren. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat voor EU-burgers kan worden volstaan met het registreren van de naam, geboortedatum, Burgerservicenummer, nationaliteit en het registratienummer van het WID-document in bijvoorbeeld een Excel-sheet. Dit is ook expliciet vastgelegd in het Stappenplan Verificatieplicht van de Arbeidsinspectie. Niet is gesteld of gebleken dat deze systematiek anders was tijdens de artikel 15a-vordering. Bij een controle door de Arbeidsinspectie, kan met deze Excel-sheet worden vastgesteld of de uitzendkrachten EU-burgers zijn. De minister heeft aangegeven dat in die situatie aan een artikel 15a-vordering niet wordt toegekomen, omdat geen sprake is van vreemdelingen als bedoeld in de Wav. De rechtbank begrijpt deze uitleg zo dat ook als er wel een artikel 15a-vordering ligt, voor EU-burgers kan worden volstaan met – bijvoorbeeld – een Excelsheet met voornoemde identiteitsgegevens, omdat daarmee alsnog de identiteit van de EU-arbeidskrachten kan worden vastgesteld waarvoor geen afschrift van het WID-document mag (en kan) worden overgelegd. In dit kader overweegt de rechtbank dat – anders dan eiseres stelt – de minister voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de benodigde informatie over de identiteit van de arbeidskrachten eerst mondeling en per e-mail is opgevraagd voordat een artikel 15a-vordering is gedaan. Daarmee is artikel 15a van de Wav als sluitstuk van de informatievergaring onder de Wav gebruikt. 5.3. Hoewel de rechtbank onderkent dat in de informatieverzoeken en de artikel 15a-vordering steeds is gevraagd om (een afschrift van) de WID-documenten, doet dat niet af aan de mogelijkheid (of zelfs verplichting) om voor EU-burgers te volstaan met voornoemde identiteitsgegevens. Dat dit is uitgewerkt in een stappenplan en niet in een wet in formele zin, zoals eiseres betoogt, doet hieraan niet af. Het Stappenplan geeft een praktische uitwerking hoe kan worden voldaan aan de verplichtingen onder de Wav. Daarmee kan worden aangetoond dat sprake is van EU-burgers die in Nederland mogen werken zonder dat van die persoon een afschrift van het WID-document wordt bewaard. Daarbij is uitgangspunt dat de werkgever – ook een inlener – de identiteit controleert voorafgaand aan de start van de werkzaamheden en dat later kan verantwoorden. Eiseres heeft naar voren gebracht dat controle en registratie van de identiteit van de uitzendkrachten wel heeft plaatsgevonden. Een dergelijke registratie heeft eiseres echter niet kunnen overleggen. Daaruit leidt de rechtbank af dat zij op het moment van de artikel 15a-vordering niet beschikte over de informatie die de Arbeidsinspectie moet kunnen inzien in geval van EU-burgers. De rechtbank oordeelt dat van 35 arbeidskrachten niet is vastgesteld of zij EU-burgers zijn en van die 35 arbeidskrachten ook geen afschrift van de WID-documenten is afgegeven, zodat sprake is van 35 overtredingen van artikel 15a van de Wav. 5.4. Deze beroepsgrond slaag niet. Is sprake van grove schuld? 6. Eiseres stelt dat de minister zonder een daartoe strekkende motivering in het bestreden besluit voor de mate van verwijtbaarheid is uitgegaan van grove schuld. Daarmee wijkt de minister af van het voornemen en het primaire besluit waarbij de minister op basis van dezelfde feiten en omstandigheden oordeelde dat sprake was van normale verwijtbaarheid. Door de aanpassing is de boete volgens eiseres ten onrechte vastgesteld op 75% in plaats van 50% van het boetenormbedrag (van € 8.000,-). 6.1. De minister heeft zich hieromtrent, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 , op het standpunt gesteld dat anders wordt gekeken naar de maatregelen die voorafgaand aan de vordering zijn getroffen. Deze maatregelen zijn bij de volledige heroverweging in bezwaar betrokken en hebben geleid tot een aanpassing van normale verwijtbaarheid naar grove schuld. Omdat de boete uiteindelijk ziet op minder overtredingen, en de boete verder is verlaagd wegens overschrijding van de termijnen (zoals hiervoor onder 3.6. weergegeven), stelt de minister dat de uiteindelijke boete lager is dan aanvankelijk is opgelegd. In zoverre wordt eiseres volgens de minister niet benadeeld. 6.2.
Volledig
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat het opleggen van een boete voor een overtreding van artikel 15a van de Wav een discretionaire bevoegdheid van de minister betreft. Op grond van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb moet de hoogte van de boete worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Op grond van artikel 19d, zesde lid, van de Wav heeft de minister beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Ook bij toepassing van die beleidsregels moet de minister in elk voorkomend geval beoordelen of de toepassing is afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en dus evenredig is. Zo nodig moet de boete in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig worden vastgesteld dat deze evenredig is. De rechtbank toetst zonder terughoudendheid of het besluit van de minister met betrekking tot de boete voldoet aan de eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie. Ten aanzien van de (mate van) verwijtbaarheid overweegt de rechtbank dat een overtreding met een normale verwijtbaarheid leidt tot 50% van het boetenormbedrag. Bij verminderde verwijtbaarheid is dat 25%. Onder verminderde verwijtbaarheid wordt verstaan situaties waarin het de werkgever niet volledig valt aan te rekenen dat hij de Wav heeft overtreden. Bij opzet of grove schuld wordt de boete hoger dan 50% van het boetenormbedrag, namelijk respectievelijk 100% en 75%. Grove schuld is aan de orde wanneer de mate van verwijtbaarheid hoger ligt dan de normale verwijtbaarheid, maar er geen sprake is van opzet. Bijvoorbeeld in het geval van een ernstige, aan opzet grenzende, mate van verwijtbaarheid. Het gaat dan om ernstige nalatigheid, ernstige onzorgvuldigheid of ernstige onachtzaamheid met als gevolg dat de Wav niet of niet behoorlijk is nageleefd. Van grove schuld kan ook sprake zijn wanneer er omstandigheden zijn die elk op zich normale verwijtbaarheid opleveren, maar in onderlinge samenhang bezien wel leiden tot grove schuld. Het is aan de minister om aan te tonen dat de werkgever met opzet of grove schuld heeft gehandeld. 6.3. De rechtbank overweegt dat de minister aan het bestreden besluit van 20 maart 2025 ten aanzien van het opleggen van de boete geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd dan aan het besluit van 8 februari 2024. In het besluit van 8 februari 2024 heeft de minister uitgebreid gemotiveerd waarom hij uitgaat van normale verwijtbaarheid. Daarbij heeft de minister overwogen dat uit het boeterapport en de zienswijze blijkt dat eiseres wel aan de vordering heeft willen voldoen, maar dat dit onmogelijk was voor haar omdat de relatie met de uitlener al was beëindigd. Ook noemt de minister daarbij dat eiseres is misleid door de uitlener doordat zij dacht dat de uitlener een gecertificeerd uitzendbureau was. De minister overweegt verder dat door eiseres steekproefsgewijs identiteitscontroles werden uitgevoerd op de werkvloer, maar dat die niet werden opgeslagen en bewaard. Eiseres controleerde ook welke arbeidskrachten zich vanuit de uitlener bij haar meldden. De minister betrekt ook dat uit de bijlage van de zienswijze blijkt dat eisers bezig is om de identiteitscontrole verder aan te scherpen en dat eiseres de medewerkers erop heeft geattendeerd de verspreide memo goed na te leven. Tot slot weegt de minister mee dat de overtredingen met elkaar verband houden, in die zin dat het gaat om identieke overtredingen met dezelfde uitlener en dat het gaat om een eerste overtreding. Volgens de minister is op basis daarvan niet gebleken van opzet of grove schuld. De minister is in het bestreden besluit, uitgaande van dezelfde feiten, gekomen tot grove schuld als de mate van verwijtbaarheid. De rechtbank acht deze verzwaring onvoldoende gemotiveerd. Waarom de minister in tegenstelling tot het expliciet gemotiveerde primaire besluit in bezwaar tot deze zwaardere verwijtbaarheid komt is in het bestreden besluit niet toegelicht. De enkele toelichting van de minister ter zitting dat de zwaardere verwijtbaarheid is aangenomen gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 acht de rechtbank als motivering ontoereikend. Dat betekent dat de door de minister opgelegde (hogere) boete geen stand kan houden en dat het bestreden besluit in zoverre moet worden vernietigd. 6.4. Deze beroepsgrond slaagt. Wat is de mate van verwijtbaarheid volgens de rechtbank? 7. Omdat de rechtbank de grondslag voor de hoogte van de boete voor de overtredingen van artikel 15a van de Wav vernietigt, zal de rechtbank de boete op grond van artikel 8:72a van de Awb zelf vaststellen. De rechtbank gaat daarbij – onder verwijzing naar de motivering van de minister in het boetebesluit van 8 februari 2024, zoals opgenomen in 6.3. – uit van een normale verwijtbaarheid. Dat leidt (ingevolge het eerdere meest gunstige beleid) tot een boetebedrag van € 4.000,- per overtreding (50% van het boetenormbedrag). Uitgaande van 35 overtredingen van artikel 15a van de Wav komt dat vóór matiging uit op een boete van € 140.000,-. De rechtbank handhaaft – conform de toelichting op de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2025 (de beleidsregel) – de door de minister in het bestreden besluit toegepaste matiging van 25% vanwege de termijnoverschrijding tussen de laatste ambtshandeling en het opstellen van het boeterapport en de verdere matiging van 5% vanwege de lange duur tussen het boeterapport en het voornemen . Daarmee wordt voornoemd boetebedrag gematigd van € 140.000,- naar € 105.000,- (€ 140.000,- x 0,75) naar € 99.750,- (€ 105.000,- x 0,95). De rechtbank acht dit (boetebedrag) ook passend en geboden, in het licht van de navolgende overwegingen. 7.1. De rechtbank ziet geen aanleiding eiseres te volgen in haar standpunt dat zij verminderd verwijtbaar is. De rechtbank overweegt dat uit 6.2. volgt dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid als het de werkgever niet volledig valt aan te rekenen dat hij de Wav heeft overtreden. De bewijslast rust daarbij op eiseres. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij verminderd verwijtbaar is. Anders dan eiseres stelt, moet eiseres al voorafgaand aan de werkzaamheden beschikken over de gegevens als bedoeld in artikel 15a van de Wav. In 5.1. heeft de rechtbank al vastgesteld dat het niet onmogelijk is die gegevens te verzamelen, zodat om die reden geen aanleiding bestaat uit te gaan van verminderde verwijtbaarheid. Ook de gestelde maatregelen die eiseres stelt vooraf te hebben geïmplementeerd, geven geen aanleiding voor een verminderde verwijtbaarheid. Uit de stukken blijkt niet dat met het zogenaamde access key cards systeem de juiste persoonsgegevens, zoals nationaliteit en Burgerservicenummer werden vastgesteld dan wel geregistreerd. Ook is niet duidelijk of met dit systeem beoogd is een overtreding van de Wav te voorkomen. Eiseres heeft ter zitting niet duidelijk gemaakt welke andere maatregelen een overtreding van artikel 15a van de Wav zouden hebben kunnen voorkomen. Voor zover eiseres verwijst naar de verklaringen van medewerkers van 13 mei 2023 dat de identiteit wel werd vastgesteld, geldt dat zij alleen verklaren dat zij op de werkvloer steekproefsgewijs identiteitsbewijzen hebben gecontroleerd ( random checks ). Daaruit leidt de rechtbank niet af dat zij alle uitzendkrachten voorafgaand aan de werkzaamheden controleerden en registreerden. Voor de verklaring van 30 april 2024 van een derde medewerker over de Poolse identiteit van 27 medewerkers geldt hetzelfde. Ook daarvan staat niet vast dat de identiteitsbewijzen zijn gecontroleerd voorafgaand aan de werkzaamheden of dat gegevens zijn geregistreerd. Door het gebrek aan deze gegevens kan niet worden vastgesteld of sprake is van EU-burgers zodat artikel 15a van de Wav van toepassing is. In zoverre wijkt deze zaak af van de uitspraak waar eiseres naar verwijst.
Volledig
In het kader van de verwijtbaarheid van de overtreding van artikel 15 van de Wav wordt in die uitspraak zowel door de minister als de rechtbank rekening gehouden met het feit dat uit Suwinet volgt dat sprake is van EU-burgers. Dat is hier niet aan de orde. De verklaringen die eiseres heeft ingebracht, zijn onvoldoende objectief en verifieerbaar. In dit verband weegt de rechtbank mee dat de HR-medewerker van eiseres tijdens de controle van 22 maart 2021 heeft verklaard dat eiseres de identiteit van de uitzendkrachten zelf niet controleerde. Deze werkwijze wordt bevestigd in de e-mail van de HR-medewerker van eiseres van 13 april 2021 en tijdens het horen van voornoemde HR-medewerker. Verder overweegt de rechtbank dat op eiseres een eigen verantwoordelijkheid rust om de identiteit van uitzendkrachten te controleren en te registreren. Om die reden zijn de omstandigheden rondom de uitlener en de samenwerking tussen eiseres en de uitlener voor de beoordeling of eiseres verminderd verwijtbaar is, niet doorslaggevend. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiseres niet met stukken heeft onderbouwd op welke wijze met de uitlener invulling is gegeven om – tijdens en na afloop van de samenwerking – aan de verplichting onder de Wav te kunnen voldoen. Tot slot volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat op eiseres een medewerkingsverplichting rust en medewerking op zichzelf niet kan leiden tot verminderde verwijtbaarheid. 7.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Bieden de getroffen maatregelen aanleiding tot matiging van de boete? 8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de maatregelen die zij heeft getroffen na de overtreding ertoe leiden dat de boete moet worden gematigd in het kader van de bredere evenredigheidstoets. Eiseres verwijst naar het eerdergenoemde access key cards systeem en bijbehorend memo, die vrijwel direct na de overtreding (opnieuw) onder de aandacht van de medewerkers zijn gebracht. Verder is eiseres vanaf maart 2024 gestart met het registreren van persoonsgegevens inclusief nationaliteit. Ook worden inmiddels afschriften van WID-documenten van alle arbeidskrachten (dus ook EU-burgers) bewaard. 8.1. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat inspanningen van na de overtreding geen invloed hebben op de mate van verwijtbaarheid, maar wel van betekenis zijn voor de beoordeling of de opgelegde boetes in het kader van de bredere evenredigheidstoets passend en geboden zijn. Bij die toets moet de minister rekening houden met maatregelen die de overtreder na de overtreding en voor het boetebesluit heeft getroffen. Die maatregelen moeten voldoende adequaat zijn om een overtreding te voorkomen. Uit wat de rechtbank heeft hiervoor heeft overwogen, volgt dat met het access key cards systeem niet de juiste gegevens worden gecontroleerd en geregistreerd. Ook uit de door eiseres ingebrachte memo volgt niet dat het systeem is ingevoerd met oog op voorkoming van een overtreding van de Wav. Met de maatregelen werd immers niet de nationaliteit vastgesteld. Niet is gebleken dat het systeem na de overtreding anders is toegepast. Voor de maatregelen die vanaf maart 2024 zijn getroffen, stelt de rechtbank dat – als de maatregelen al adequaat zijn en een overtreding van de Wav kunnen voorkomen – de maatregelen dusdanig laat zijn ingevoerd (3 jaar na de overtreding en 1 jaar na het voornemen) dat hierin geen aanleiding bestaat voor (verdere) matiging in het kader van een bredere evenredigheidstoets. 8.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Moet de cumulatie van boetes leiden tot een matiging van de boete? 9. Eiseres stelt onder verwijzing naar rechtspraak dat de boete moet worden gematigd omdat hier sprake is van één ‘misser’ en niet van 35 individuele overtredingen. 9.1. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat de cumulatie van boetes voor een overtreding van artikel 15a van de Wav rechtstreeks volgt uit de cumulatiebepaling in artikel 19a, tweede lid, van de Wav. In dit geval heeft eiseres 35 op zichzelf staande overtredingen begaan, die elk afzonderlijk beboetbaar zijn. De hoogte van de boete moet echter wel worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat hier sprake is van een ander feitencomplex dan in de door eiseres aangehaalde uitspraak. Hoewel het in die zaak ook ging om overtredingen van artikel 15a van de Wav, was het steeds dezelfde medewerker die betrokken was bij de overtredingen. Daarbij stond vast dat de medewerker daadwerkelijk de identiteitscontrole uitvoerde voordat de arbeidskrachten werk verrichtten, alleen had deze medewerker steeds nagelaten de gegevens te registreren. Ook is in die zaak meegewogen dat de werkgever tijdig andere adequate maatregelen had doorgevoerd om de werkprocessen te verbeteren. In deze zaak heeft de rechtbank hiervoor overwogen dat eiseres de identiteit van de arbeidskrachten niet controleerde voorafgaand aan het verrichten van werkzaamheden, maar deze controle heeft overgelaten aan de uitlener. De eigen controles waren incidenteel en niet bedoeld om een overtreding van de Wav te voorkomen. Daarbij, zoals de minister ook heeft overwogen, heeft eiseres onvoldoende snel en adequaat maatregelen genomen om een nieuwe overtreding van de Wav te voorkomen. In deze omstandigheden bestaat geen aanleiding om de boete te matigen wegens cumulatie van boetes. 9.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. De overschrijding van de redelijke termijn 10. Tot slot stelt eiseres dat de boete moet worden gematigd omdat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het EVRM . Omdat sprake is van een overschrijding van (in ieder geval) 6 tot 12 maanden is een boetematiging van 10% over het volledige boetebedrag gerechtvaardigd, aldus eiseres. 10.1. De rechtbank overweegt dat in bestuurlijke boetezaken geldt dat de redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase langer dan twee jaar heeft geduurd, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die een langere termijn rechtvaardigen. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete wordt opgelegd. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat dit kan worden vastgesteld op het moment van het voornemen tot boeteoplegging op 11 april 2023. Vanaf dat moment tot aan de datum van deze uitspraak is een periode van twee jaar en (bijna) elf maanden verstreken. De redelijke termijn is dus overschreden met meer dan zes maanden, maar minder dan twaalf maanden. Van bijzondere omstandigheden die een verlenging van die termijn rechtvaardigen is niet gebleken. Uit rechtspraak volgt dat in geval van een overschrijding van meer dan zes maanden, maar niet meer dan twaalf maanden, de boete wordt verminderd met 10% met een maximum van € 2.500,-. Anders dan eiseres ter zitting heeft betoogd, geldt dat maximum voor het volledige boetebedrag. Uit de genoemde rechtspraak volgt dat het bedrag een vorm van immateriële schadevergoeding is vanwege ondervonden spanning en frustratie als gevolg van de lange duur van de procedure. De hoogte van de matiging beweegt daarbij enigszins mee met de hoogte van de boete, maar vindt bij een overschrijding van de redelijke termijn tot twaalf maanden zijn grens in het maximum van € 2.500,-. Bij die overschrijding wordt ervan uitgegaan dat de ondervonden spanning en frustratie afdoende zijn gecompenseerd met dat bedrag, ongeacht de hoogte van de totale boete. Bij de berekening van de matiging voor de overschrijding van de redelijke termijn wordt verder uitgegaan van het boetebedrag na de matigingen zoals die door de minister in bezwaar, en nu ook door de rechtbank, zijn toegepast en dus niet van het oorspronkelijke boetebedrag. Met inachtneming van de overweging onder 7, leidt dat tot een boetebedrag van € 97.250,- (€ 99.750,- -/- € 2.500,-). 10.2. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Volledig
Ten aanzien van het beroep tegen de waarschuwing preventieve stillegging van werk (zaaknummer 25/3652) Is ten onrechte een waarschuwing preventieve stillegging werk gegeven? 11. Eiseres stelt dat de minister ten onrechte een waarschuwing preventieve stillegging van werk heeft gegeven omdat feitelijk maar sprake is van één (administratieve) overtreding, die haar bovendien niet of verminderd kan worden verweten. Daarbij stelt eiseres dat de gevolgen voor derden dusdanig groot zijn, dat om die reden moet worden afgezien van een waarschuwing. Dit moet volgens eiseres al bij het geven van de waarschuwing worden betrokken en mag niet worden doorgeschoven naar een (eventueel in de toekomst te nemen) besluit tot preventieve stillegging. 11.1. De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat sprake is van 35 individuele overtredingen van artikel 15a van de Wav waarbij 35 arbeidskrachten betrokken zijn. Anders dan eiseres meent, is dus geen sprake van één administratieve overtreding. Omdat sprake is van ten minste twintig werkenden, kwalificeert de overtreding als ernstige overtreding en mocht de minister een waarschuwing opleggen. Hoewel het beroep van eiseres ten aanzien van de mate van verwijtbaarheid gegrond is, stelt de rechtbank vast dat geen sprake is van een verminderde verwijtbaarheid of een matiging vanwege het treffen van adequate maatregelen in het kader van de bredere evenredigheidstoets. Er blijft aldus aanleiding om de waarschuwing te geven. De rechtbank volgt verder niet het standpunt van eiseres dat de (financiële) gevolgen voor de klanten van eiseres dusdanig groot zijn dat van de waarschuwing moet worden afgezien. De minister heeft in dat verband overwogen dat een preventieve stillegging van de werkzaamheden in de onderneming van eiseres geen maatschappelijke gevolgen zal hebben en ook geen grote gevolgen voor derden zal hebben omdat klanten van eiseres dan naar een vergelijkbare onderneming kunnen gaan. Daarmee heeft de minister – anders dan eiseres stelt – de gevolgen betrokken in de besluitvorming en dus niet doorgeschoven naar een besluit tot stillegging. Hoewel de rechtbank begrijpt dat een eventuele stillegging gevolgen heeft voor klanten van eiseres, heeft eiseres niet met stukken onderbouwd wat die gevolgen zijn en dat die niet op een andere manier kunnen worden opgelost. De minister heeft het belang dat is gediend met handhaving zwaarder kunnen laten wegen. Ook heeft de minister kunnen betrekken dat eiseres het in eigen hand heeft een herhaling van de overtreding te voorkomen door de verplichtingen uit de Wav na te leven. Ook bestaat ruimte om, zoals in het bestreden besluit is opgenomen, bij de minister om opheffing van de waarschuwing te verzoeken indien eiseres van mening is dat voldoende adequate maatregelen zijn getroffen om herhaling van overtreding te voorkomen. 12. Deze grond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep tegen het boetebesluit is gegrond. Weliswaar is sprake van 35 overtredingen van artikel 15a van de Wav, maar de boetebedragen moeten worden verlaagd omdat ten onrechte is uitgegaan van grove schuld en de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit ten aanzien van de boeteoplegging, maar alleen wat betreft de hoogte van de boete. Verder bepaalt de rechtbank met toepassing van artikel 8:72a van de Awb dat het primaire besluit ten aanzien van de boeteoplegging ook op dit punt wordt herroepen en stelt zij de boete zelf vast. Het totaalbedrag van de boete is € 97.250,-,-. Het beroep tegen de waarschuwing preventieve stillegging is ongegrond. 13.1. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. 13.2. De rechtbank veroordeelt de minister ook in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De door eiseres opgevoerde, maar niet onderbouwde koerierskosten zijn geen proceskosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen het boetebesluit gegrond; vernietigt het bestreden besluit van de minister van 20 maart 2024 (met kenmerk [kenmerk 1]) wat betreft de hoogte van de boete; herroept het boetebesluit van 8 februari 2024 (met kenmerk [kenmerk 2]) wat betreft de hoogte van de boete; stelt het bedrag van de opgelegde boete vast op € 97.250,-; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit; bepaalt dat de minister aan eiseres het betaalde griffierecht van € 385,- vergoedt; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1868,-; verklaart het beroep tegen de waarschuwing preventieve stillegging van werk ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, voorzitter, en mr. A.M.J. Adriaansen en mr. A. Dingemanse, leden, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026. De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:46 2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Wet arbeid vreemdelingen Artikel 15 3. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, om een afschrift van het document te verstrekken, aan de andere werkgever is niet van toepassing, indien de vreemdeling die onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie, dan wel de Europese Economische Ruimte dan wel van Zwitserland, tenzij ten aanzien van de vreemdeling de artikelen 1 tot en met 5 van Verordening (EU) Nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PbEU 2011, L 141) niet van toepassing zijn. Artikel 15a De werkgever is verplicht om binnen 48 uren na een daartoe strekkende vordering van de toezichthouder de identiteit vast te stellen van een persoon van wie op grond van feiten en omstandigheden het vermoeden bestaat dat hij arbeid voor hem verricht of heeft verricht, aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en de toezichthouder te informeren door een afschrift van dit document te verstrekken. Artikel 17b 4.
Volledig
Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar kan, nadat een overtreding van een voorschrift of verbod bij of krachtens deze wet is geconstateerd die bestuurlijk beboetbaar is gesteld, aan de werkgever een schriftelijke waarschuwing geven dat bij herhaling van de overtreding of bij een latere overtreding van eenzelfde in de waarschuwing aangegeven wettelijke verplichting of verbod of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen of verboden, door hem een bevel kan worden opgelegd dat door hem aangewezen werkzaamheden voor ten hoogste drie maanden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen. Artikel 19a 1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt namens hem de bestuurlijke boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een overtreding. 2. De terzake van deze wet gestelde overtredingen, gelden ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een overtreding is begaan. Wet op de identificatieplicht Artikel 1 3. Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen: een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of een Nederlandse identiteitskaart en vervangende Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet; de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie; een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit; Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 Artikel 10.1 2. Indien een ernstige overtreding is geconstateerd, wordt in afwijking van het eerste lid, een waarschuwing als bedoeld in artikel 17b, eerste lid, van de wet gegeven bij de eerste overtreding en wordt, indien opnieuw dezelfde of een soortgelijke overtreding is geconstateerd die eveneens ernstig is, een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen. 3. Als een ernstige overtreding als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt aangemerkt de overtreding waarbij ten minste 20 werkenden zijn betrokken. Beleidsregel preventieve stillegging arbeidswetten Artikel 4 1. Bij de overweging een waarschuwing of een bevel tot preventieve stillegging achterwege te laten in verband met de aard van de overtreding of de met de overtreding samenhangende omstandigheden wordt onder meer rekening gehouden met het type overtreding en de omvang van de overtreding. 2. Bij de overweging een waarschuwing of een bevel tot preventieve stillegging achterwege te laten in verband met de gevolgen van de overtreding wordt onder meer rekening gehouden met de maatschappelijke gevolgen en met de economische gevolgen voor derden. 3. Bij de overweging een waarschuwing of een bevel tot preventieve stillegging achterwege te laten kan rekening worden gehouden met het feit dat de toezichthouder de opgelegde boete heeft gematigd. Toelichting op Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2025 Lex mitior beginsel Op grond van het lex mitior beginsel – dat inhoudt dat bij verandering in de wet- en regelgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast geldt het meest gunstige beleid ten aanzien van de matiging vanwege de lange duur van de procedure bij de Arbeidsinspectie. Ter verduidelijking geldt daarom het volgende: bij onderzoeken die zijn aangevangen na inwerkingtreding van de wijziging, wordt het gewijzigd beleid toegepast. Bij onderzoeken die zijn aangevangen voor deze wijziging van de Beleidsregel, wordt op grond van de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020 een matiging van 25% toegepast indien meer dan een halfjaar is verstreken tussen de laatste ambtshandeling van de inspecteur en de dagtekening van het boeterapport. In aanvulling daarop kan in die gevallen een matiging van 5% worden toegekend indien meer dan een halfjaar is verstreken tussen de datum dagtekening boeterapport en datum dagtekening boetekennisgeving. Dit geldt ook voor boetes die in bezwaar en (hoger) beroep in behandeling zijn. Het boeterapport is opgesteld door de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW). Per 1 januari 2022 heet de Inspectie SZW de Nederlandse Arbeidsinspectie. Dit volgt uit artikel 18 in samenhang met de artikelen 15a en 19a van de Wav. Dit volgt uit artikel 17b van de Wav. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 oktober 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB4694), onder 2.3.1. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:585), onder 6.4. Wat in het kader van artikel 15a van de Wav wordt verstaan onder een identiteitsbewijs volgt uit artikel 1, eerste lid, onder 1-3, van de Wet op de identificatieplicht (WID). Bij de EER horen alle EU-landen plus Liechtenstein, Noorwegen en IJsland. Dit geldt voor personen met de Turkse nationaliteit die legaal in Nederland mogen verblijven. Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4367), onder 7.3. Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4367), onder 7.3. De uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 ((ECLI:NL:RVS:2024:4367). Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4367), onder 10.1. Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1973), onder 7.2. Staatscourant 2025 nr. 3117, p. 8. Gelet op de toelichting op de beleidsregel onder ‘Lex mitior beginsel’. De uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 februari 2024 (ECLI:NL:RBZWB:2024:1272). Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:873), onder 5.3. Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4367), onder 10.9. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:873). Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1750), onder 8.1. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie ook de uitspraken van de Afdeling van 11 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4181) en 16 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1722), onder 6.1. Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 juni 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:353) maar ook de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1415). Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2014 ECLI:NL:RVS:2014:2511.