Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-12
ECLI:NL:RBROT:2026:2140
RECHTBANK Rotterdam Team Insolventie Zittingsplaats Rotterdam Rekestnummer: [nummer] Uitspraak van 12 februari 2026 In de zaak van [verzoekster] , wonende te [adres], [postcode] te [plaatsnaam], verzoekster. 1 De procedure Verzoekster heeft op 22 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. In het vonnis van deze rechtbank van 22 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 4 februari 2026. Ter zitting van 4 februari 2026 zijn verschenen en gehoord: verzoekster; de heer mr. J. Pearson, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat); de heer A. van Gemert, werkzaam bij AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders, namens Stichting Woonplus Schiedam, gevestigd te Schiedam (hierna: verweerster). De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden. 2 Het verzoek Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de kantonrechter van 12 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen. Verzoekster heeft inkomsten uit onderneming van circa € 1.500,- per maand. Daarnaast ontvangt zij huurtoeslag en kindgebonden budget. De kale huur van verzoekster bedraagt € 746,51 per maand. De huurtermijnen van oktober, november en december 2025 zijn steeds op de eerste van de maand voldaan. De huurtermijn van januari 2026 is op 3 januari 2026 voldaan. Daarnaast is de huurtermijn van februari 2026 voldaan. Ook zal verzoekster haar inkomsten laten overmaken op een betalingsrekening van schuldhulpverlening, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. 3 Het verweer Verweerster heeft zich in haar verweerschrit – kort samengevat – op het volgende standpunt gesteld. Verzoekster heeft zich niet gehouden aan de afspraken zoals deze zijn gemaakt in het proces-verbaal van de kantonrechter van 12 september 2025. Tot op heden heeft verzoekster geen aflostermijnen voldaan. Ook houdt verzoekster zich niet aan de afspraak om de lopende huurtermijen tijdig (voor de eerste van de maand) te voldoen. Op dit moment bedraagt het totaal openstaand bedrag € 3.589,94. Verweerster verzoekt dan ook het verzoek af te wijzen. 4 De beoordeling Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het proces-verbaal van de kantonrechter van 12 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 15 januari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 5 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie. De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen. Artikel 287b lid 4 Fw omschrijft de voorzieningen die kunnen worden getroffen. In dit geval is verzocht om een voorziening te treffen die strekt tot het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw. Dat artikel bepaalt (voor zover relevant), dat de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis dat is uitgesproken wegens een financiële tekortkoming uit de huurovereenkomst, wordt opgeschort voor de duur van de wettelijke schuldsaneringsregeling indien het een tekortkoming van vóór de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling betreft, en de lopende verplichtingen inmiddels worden voldaan. Het gaat bij dergelijke tekortkomingen immers ook om financiële schulden, waarvoor de wettelijke schuldsaneringsregeling bedoeld is. Ontruimingsvonnissen die