Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-24
ECLI:NL:RBROT:2026:2084
RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/713915 / KG ZA 26-83 Vonnis in kort geding van 24 februari 2026 in de zaak van [naam vader] , te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, advocaat: mr. S. Koçak, tegen [naam zoon] , te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, advocaat: mr. C.J.H. Anker Partijen worden hierna de vader en de zoon genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. Partijen zijn familie van elkaar: vader en zoon. Zij zijn sinds 2009 samen eigenaar van een woning. Zij woonden tot juli 2023 samen (met derden) in de woning. De verhoudingen tussen partijen zijn verslechterd. Sinds juli 2023 woont de zoon met zijn partner in de woning en verblijft de vader noodgedwongen op verschillende plekken elders. De zoon heeft een andere zoon van de vader ook de deur gewezen. De vader vindt dat deze situatie niet langer kan voortduren. Hij wil gebruik kunnen maken van zijn aandeel in de overwaarde van de woning om in zijn eigen woonbehoefte te kunnen voorzien. Daarom vordert hij – kort gezegd – primair dat de zoon onder druk van een dwangsom wordt veroordeeld om mee te werken aan de verkoop van de woning aan een derde en subsidiair dat de zoon wordt veroordeeld om de woning te ontruimen (zodat de vader daar zelf kan gaan wonen). De zoon is het niet eens met de vorderingen van de vader, onder andere omdat de zoon de gelegenheid wil krijgen om het eigendomsdeel van de vader in de woning over te nemen. Daarom vordert de zoon als tegenvordering – kort gezegd – dat de vader onder druk van een dwangsom wordt veroordeeld om mee te werken aan overname van het eigendomsdeel van de vader in de woning door de zoon. De voorzieningenrechter wijst alle (tegen)vorderingen af. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 28 januari 2026, met producties E1 tot en met E8; de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie (tegenvordering), met producties G1 tot en met G6; de mondelinge behandeling op 10 februari 2026; de pleitnota van mr. Koçak. 3 De vorderingen in conventie en in reconventie 3.1. De vader vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: Primair I. de zoon te veroordelen tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning gelegen te [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] aan een derde, waarbij de zoon veroordeeld wordt tot het opvolgen van de verkoopadviezen van een door de vader gekozen makelaar, inhoudende: Het opvolgen van de adviezen van de makelaar ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs; Het opvolgen van de aanwijzingen van de makelaar in verband met (bespoedigen van) de verkoop; Het verlenen van toestemming voor het maken van foto’s van en in de woning; Het toelaten van bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,= voor elke keer dat de zoon weigert hieraan te voldoen, met een maximum van € 5.000,=; II. de zoon te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de notariële levering van de woning aan een derde op de dag die is bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader met de koper(s) overeengekomen dag; III. te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking, wilsverklaring en handtekening van de zoon in de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst en de notariële akte van levering; Subsidiair IV. de zoon te veroordelen om uiterlijk drie dagen na dit vonnis de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] volledig te verlaten, met afgifte van de sleutels van de woning, en de woning aan de vader ter vrije beschikking te stellen en vervolgens verlaten te houden; V. de vader te machtigen om de tenuitvoerlegging van dit vonnis met behulp van de sterke arm van justitie en politie te bewerkstelligen indien de zoon in gebreke blijft aan het hiervoor gevorderde te voldoen; VI. de zoon in de kosten van dit gedin Ook als de voorzieningenrechter tot het oordeel zou zijn gekomen dat een van partijen wel voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen had, zouden die vorderingen zijn afgewezen. De voorzieningenrechter legt dit uit. 4.5. De vader vordert veroordeling van de zoon tot medewerking aan de verkoop van de woning aan een derde. Daarmee miskent de vader, zoals de zoon terecht aanvoert, dat de woning vanwege de toepasselijke zogenoemde Koopgarant-bepalingen niet zomaar aan een willekeurige derde kan worden verkocht. Artikel 11 van de notariële akte waarmee de ondererfpacht met betrekking tot de woning ten behoeve van partijen is gevestigd, houdt – voor zover voor de beoordeling van deze zaak van belang is – het volgende in (productie G1): “ Hoofdstuk C. Beperking bevoegdheid tot levering Registergoed Ondererfpachter is niet bevoegd het Registergoed geheel of gedeeltelijk te vervreemden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Woningcorporatie. De Woningcorporatie zal bedoelde toestemming verlenen onder de opschortende voorwaarde dat Ondererfpachter het Registergoed in zijn geheel aan de Woningcorporatie te koop aanbiedt en levert overeenkomstig het in hoofdstuk D (Terugkoopprocedure) bepaalde. (…) In afwijking van het hiervoor in dit hoofdstuk C bepaalde zal de Woningcorporatie Ondererfpachter in het algemeen toestemming verlenen tot vervreemding van het Registergoed aan één of meer personen die: - wettelijk erfgenaam zijn van Ondererfpachter; ofwel: - het Registergoed oorspronkelijk mede hebben verkregen; ofwel: - voor medehuur van de Woning in aanmerking zouden komen indien Ondererfpachter huurder van de Woning zou zijn ofwel: - kinderen zijn van degene die het Registergoed oorspronkelijk (mede) heeft verkregen; (…). ”. 4.6. Ter zitting is namens de vader aangevoerd dat zijn vordering zo kan worden begrepen dat de vader vordert dat de zoon moet worden veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan Woonbron (de hierboven in het citaat bedoelde “Woningcorporatie”). Ook zo begrepen, is de vordering op dit moment echter niet toewijsbaar. Het ligt op de weg van partijen – en hun advocaten – om eerst enkele punten beter uit te zoeken. Vervolgens kunnen zij overleg voeren over een te treffen minnelijke regeling. Als dat dan (nog steeds) niet mogelijk blijkt, kan de meest gerede partij de ander in een bodemprocedure betrekken om de (dan nog) bestaande geschillen te doen beslechten. Ook in dat geval is het wenselijk dat partijen al nadere informatie hebben ingewonnen zodat zij hun vorderingen en verweren daarmee dan kunnen onderbouwen. 4.7. De voorzieningenrechter zal ter facilitering van het tussen partijen te voeren overleg kort ingaan op enkele punten. 4.8. Tussen partijen bestaat enige onduidelijkheid over de eigendomsverhoudingen. De vader stelt – zonder duidelijke onderbouwing – dat hij voor 65% eigenaar is en de zoon voor 35%. Kennelijk is dat gebaseerd op de visie van de vader op de door hem als productie E2 overgelegde “KOOPOVEREENKOMST KOOPGARANT”. Daarin worden de vader en zijn inmiddels overleden echtgenote en de zoon alle drie genoemd onder het kopje “Koper(s)”. De zoon voert daartegen aan dat partijen ieder voor de helft eigenaar zijn van de woning. De visie van de zoon strookt met de inhoud van de notariële akte “VESTIGING ONDERERFPACHT APPARTEMENT KOOPGARANT (bepalingen 1-5-2008) STICHTING WOONBRON) (productie G1 onder 2a en 2b). Daarin worden de vader en de zoon samen aangeduid als “Ondererfpachter”. In het Kadaster is dan ook vermeld dat de vader en de zoon ieder een ½ aandeel hebben in het recht van erfpacht (productie E4). De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de koopovereenkomst zo moet worden begrepen dat de echtgenote van de man daar niet als koper is genoemd, maar als echtgenote van de man. 4.9. Ervan uitgaande dat de vader een ½ aandeel heeft in het recht van (onder)erfpacht, bestaat er op andere vlakken op dit moment nog teveel onduidelijkheid om enige vordering in