Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-14
ECLI:NL:RBROT:2026:2083
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/686368 / HA ZA 24-828 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van OLYMPUS BOUW B.V. , gevestigd in Capelle aan den IJssel, eiseres, advocaat mr. D.E. Kocer te Rotterdam, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf] , wonend in [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. G.S. Snippe te Etten-Leur. Partijen worden hierna Olympus en [gedaagde] genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. Olympus heeft, op basis van met [gedaagde] gesloten overeenkomsten, bemiddeld bij de totstandkoming van overeenkomsten van aanneming van werk tussen [gedaagde] en opdrachtgevers in de bouw, waaronder Burgy Bouwbedrijf B.V. (Burgy) en [naam] B.V. ( [naam] ). In verband met zijn werkzaamheden voor Burgy en [naam] heeft [gedaagde] factoringovereenkomsten gesloten met Activum Bouwdiensten N.V. (Activum). Uit de bemiddelings- en factoringovereenkomsten volgt dat [gedaagde] tot drie jaar na zijn laatste werkzaamheden voor Burgy en [naam] bemiddelings- en factoringvergoedingen is verschuldigd aan Olympus en Activum als hij zonder tussenkomst van Olympus en Activum opnieuw voor Burgy en [naam] gaat werken. In deze procedure vordert Olympus – mede als lasthebber van Activum – onder andere betaling van contractuele boetes, omdat [gedaagde] in 2023 respectievelijk 2024 heeft gewerkt voor Burgy en [naam] zonder vergoedingen af te dragen aan Olympus en Activum. 1.2. In het tussenvonnis van 23 juli 2025 (het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] , door in 2023 en 2024 via een ander bemiddelingsbureau voor Burgy en [naam] te werken zonder dat te melden aan Olympus en Activum en zonder vergoedingen aan hen af te dragen, heeft gehandeld in strijd met de bemiddelings- en factoringovereenkomsten. De rechtbank heeft [gedaagde] opgedragen afschriften over te leggen van alle facturen die betrekking hebben op zijn werkzaamheden voor Burgy van 14 december 2020 tot en met 14 december 2023 en zijn werkzaamheden voor [naam] vanaf 3 oktober 2022. 1.3. In dit eindvonnis beslist de rechtbank mede aan de hand van de na het tussenvonnis door [gedaagde] overgelegde facturen op de vorderingen van Olympus. De rechtbank wijst deze vorderingen grotendeels af. 2 Het verloop van de procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis en de daarin vermelde processtukken; - de akte ex artikel 22 Rv – overlegging facturen van [gedaagde] , met producties genummerd 1 en 2; - het bericht van de rechtbank, waarbij partijen onder meer zijn ingelicht over een wisseling van de behandelend rechter; - de antwoordakte tevens inhoudende akte eiswijziging van Olympus, met producties 37A tot en met 37D; - de akte van antwoord op eiswijziging van [gedaagde] , met producties genummerd 1 en 2; - de akte overlegging producties van Olympus, met producties 38A tot en met 38D; - de akte overlegging producties tevens akte eiswijziging van Olympus, met producties 39A tot en met 41; - de spreekaantekeningen van partijen voor de mondelinge behandeling op 1 december 2025. 2.2. Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. Voor een weergave van de vaststaande feiten verwijst de rechtbank naar rubriek 3 van het tussenvonnis. Daarnaast zijn inmiddels de volgende feiten komen vast te staan. 3.2. [gedaagde] heeft van 5 juni 2023 tot en met 14 juli 2023 gewerkt voor Burgy, zonder in verband met deze werkzaamheden vergoedingen aan Olympus of Activum af te dragen. Voor deze werkzaamheden heeft [gedaagde] wekelijks een factuur gestuurd (in totaal zes facturen). Het totaalbedrag van deze facturen is na aftrek van betalingskortingen € 8.254,70. 3.3. [gedaagde] heeft van 6 mei 2024 tot en met 7 juni 2024 gewerkt voor [naam] , zonder in verband met deze werkzaamheden vergoedingen aan Olympus of Activum af te dragen. Voor deze werkzaamheden heeft [gedaagde] wekelijks een factuur gestuurd (in totaal vijf facturen). Het totaalbedrag van deze facturen (“normale uren” plus “declaratie” Olympus betoogt dat zij [gedaagde] niet ter beschikking heeft gesteld aan Burgy of [naam] in de zin van de Waadi. Olympus heeft [gedaagde] alleen in contact gebracht met deze opdrachtgevers. Daarvoor heeft zij uitsluitend een vergoeding ontvangen van [gedaagde] , niet (ook) van Burgy of [naam] . Tussen Olympus en [gedaagde] heeft ook nooit een arbeidsverhouding bestaan; [gedaagde] sloot als zzp’er een overeenkomst van aanneming van werk met Burgy en [naam] . Olympus was daarbij geen partij. 5.5. [gedaagde] heeft de feitelijke stellingen die Olympus aan haar betoog ten grondslag legt niet weersproken. Daarvan uitgaande is niet komen vast te staan dat Olympus [gedaagde] als arbeidskracht ter beschikking heeft gesteld aan Burgy en [naam] in de zin van de Waadi. Zoals kan worden afgeleid uit de tekst van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Waadi en wordt bevestigd in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel inzake de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (TK 2023-2024, 36 446, nr. 3, blz. 22), is voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de zin van de Waadi onder meer vereist dat (in dit geval) Olympus een vergoeding ontvangt van de inlener, dus (in dit geval) van Burgy of [naam] . Een dergelijke vergoeding is naar Olympus onweersproken stelt niet betaald. [gedaagde] heeft ook niet gesteld dat het door Olympus gehanteerde model, waarin zij voor haar bemiddeling uitsluitend van [gedaagde] een vergoeding ontvangt, als zodanig in strijd is met de Waadi. Dat [gedaagde] benadrukt dat de Waadi niet alleen van toepassing is op klassieke uitzendrelaties en dat de feitelijke verhouding en uitvoering bepalend zijn, neemt niet weg dat gelet op het voorgaande niet is voldaan aan alle elementen van de wettelijke definitie van ‘ter beschikking stellen van arbeidskrachten’. Of Olympus daarnaast terecht weerspreekt dat tussen haar en [gedaagde] een arbeidsverhouding heeft bestaan (en of dat gelet op de wettelijke definitie relevant is), hoeft de rechtbank daarom niet te beoordelen. Het beroep van [gedaagde] op artikel 9a, eerste lid, van de Waadi slaagt niet. Onverkorte toepassing van de overeenkomsten is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar 5.6. [gedaagde] betoogt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om hem na beëindiging van de door Olympus bemiddelde werkzaamheden nog drie jaar onverkort aan de overeenkomsten te houden. [gedaagde] benadrukt in dit verband dat hij pas na langere tijd opnieuw voor Burgy en [naam] is gaan werken en dat de gevorderde boetes in een wanverhouding staan tot de volgens Olympus verschuldigde vergoedingen. [gedaagde] doet hiermee (onder meer) een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW en artikel 6:94 lid 1 van deze wet. 5.7. Olympus weerspreekt het betoog van [gedaagde] . Zij benadrukt dat zij en Activum voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van de overeengekomen vergoedingen. Zij hebben er een gerechtvaardigd belang bij dat zzp’ers zoals [gedaagde] niet buiten hen om verder gaan met opdrachtgevers en zij hebben daarom ook belang bij een sterke prikkel tot nakoming van de gesloten overeenkomsten. De in dit verband overeengekomen termijn van drie jaar is volgens hen niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. 5.8. Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW is een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. 5.9. [gedaagde] heeft voor het laatst in week 50 van 2020 een weekstaat naar Olympus gestuurd voor zijn werkzaamheden bij Burgy (zie 3.9 van het tussenvonnis). Ruim twee jaar en vijf maanden later is hij opnieuw aan de slag gegaan bij Burgy, in totaal voor zes weken (zie 3.2 van dit vonnis).[gedaagde] heeft voor het laatst in week 40 van 2022 een weekstaat naar Olympus gestuurd voor zijn werkzaamheden bij [naam] (zie 3.9 van het tussenvo