Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-03-04
ECLI:NL:RBROT:2026:2080
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: ROT 25/4027 en ROT 25/4399 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaken tussen [eiseres] , uit Yerseke, eiseres (gemachtigde: mr. B.M.J. van der Meulen), en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de staatssecretaris (gemachtigden: mr. K.R. van Welsum en mr. I.C.M. Nijland). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over in totaal drie bestuurlijke boetes die de staatssecretaris bij besluiten van 24 maart 2023 en 31 maart 2023 aan eiseres heeft opgelegd vanwege overtredingen van de Warenwet. Eiseres is het niet eens met deze boetes. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid en evenredigheid van de boetes. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris terecht de boetes aan eiseres heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaken. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissingen van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met twee afzonderlijke besluiten van 9 april 2025 op de bezwaren van eiseres is de staatssecretaris bij de boetebesluiten van 24 maart 2023 (ROT 25/4399) en 31 maart 2023 (ROT 25/4027) gebleven. Wel heeft de staatssecretaris in zaak ROT 25/4027 het bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft de wettelijke grondslag van overtreding 2. In beide zaken heeft de staatssecretaris de hoogte van de bestuurlijke boetes gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. 2.2. De staatssecretaris heeft op de beroepen gereageerd met afzonderlijke verweerschriften. 2.3. De rechtbank heeft de beroepen op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [directeur] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de staatssecretaris, vergezeld door N.W.M. de Bruin en G. Mainer, beiden werkzaam als toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Totstandkoming van de besluiten 3. De staatssecretaris heeft zijn besluiten gebaseerd op twee rapporten van bevindingen, opgemaakt door toezichthouders van de NVWA. In het beroep met kenmerk ROT 25/4399 3.1. In het rapport van bevindingen van 30 januari 2023 (2022/262160220/24296) staat onder meer het volgende: “(…) Aanleiding Een GFL melding met nummer GFL 11905508 gedaan door [eiseres] ontvangen bij de NVWA op 19 september 2022 om 10:07 uur. (bijlage 1) Ik las in de melding dat er een partij "Ierse mosselen" was verhandeld waarop een Azaspiracide AZP overschrijding zat. Ik las bij afwijking: "Te hoge Azaspiracide AZP gemeten 210 pg /kg-ppb. Voor Azaspiracide is de grens 160 pg /kg-ppb (zie bijlage III, sectie VII, hfdstk V van de Verordening (EG) 853/2004) (bijlage 2) Ik las bij welke conclusie trekt u n.a.v. de geconstateerde afwijking: "schadelijk". Ik las vervolgens ook bij de beoordeling van de NVWA dat het product als schadelijk was beoordeeld: aan te merken als een schadelijk levensmiddel, zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder a, van de Verordening (EG) 178/2002. Locatie: Naam bedrijf : [eiseres] (…) Bevinding(en): Datum en tijdstip bevindingen: 19 september 2022 omstreeks 11:00 uur. (…) Ik, toezichthouder, heb vanaf bovenstaande datum en tijdstip per telefoon en email contact gehad met [eiseres] en daarbij gesproken met: de heer [directeur] , functie: Directeur. (…) Inspectiebevindingen (… Locatie Naam: [eiseres] (…) Bevinding(en) Datum en tijdstip: 11 januari 2023 omstreeks 11:00 uur Aangesproken en gelegitimeerd aan: Naam: [directeur] Functie: directeur (…) Tijdens onze inspectie vroeg ik (…) betrokkene om een overzicht van de analyses van de microbiologische onderzoeken welke [eiseres] op verse mosselen had uitgevoerd. Betrokkene liet ons op een computerscherm een overzicht van de uitgevoerde analyses zien. Vervolgens vroeg ik (…) hem om het analyserapport van één van de onderzoeken uit dit overzicht, namelijk van een monster mosselen welke op 31-10-2022 was genomen. Hierop overhandigde hij mij (…) een print van dit analyserapport. Dit analyserapport met kenmerk AN22-27329 is als bijlage bij dit Rapport van Bevindingen gevoegd. Vervolgens zag wij op dit analyserapport dat in één van de vijf deelmonsters van de onderzochte partij mosselen salmonella was aangetoond in 25 gram. Salmonella is een pathogene bacterie die onder andere gastro-enteritis kan veroorzaken. (…) Hieruit bleek ons, verbalisanten, dat de partij mosselen waarop dit onderzoek had plaatsgevonden, een schadelijk product was. Desgevraagd verklaarde betrokkene dat de partij mosselen waarop dit onderzoek had plaatsgevonden, niet uit de handel waren genomen maar gewoon waren verhandeld aan derden. Hierop liet hij ons, verbalisanten, op zijn computerscherm een overzicht zien van de leveringen aan derden, van de mosselen uit de desbetreffende partij. Hieruit bleek ons dat levensmiddelen in de handel werden gebracht, die schadelijk zijn voor de gezondheid. (…) Wij, verbalisanten zagen in de bestanden van de NVWA dat [eiseres] naar aanleiding van de gevonden afwijking, namelijk de aanwezigheid van salmonella in mosselen, geen melding had gedaan bij de NVWA. Desgevraagd verklaarde betrokkene dat er door [eiseres] inderdaad een dergelijke melding niet was gedaan. Hieruit bleek ons dat de bevoegde autoriteit niet in kennis werd gesteld over het uit de handel nemen van een schadelijk (onveilig) levensmiddel. (…)” 3.2.1. Op 9 maart 2023 heeft de staatssecretaris zijn voornemen kenbaar gemaakt om aan eiseres een bestuurlijke boete op te leggen. Eiseres heeft geen zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. 3.2.2. Bij besluit van 31 maart 2023 (boetezaaknummer 2023-0010965-002) heeft de staatssecretaris aan eiseres een bestuurlijke boete van in totaal € 2.100,- (twee maal € 1.050,-) opgelegd vanwege de volgende beboetbare feiten: 1) Er werden levensmiddelen in de handel gebracht die onveilig zijn. Deze levensmiddelen worden als onveilig beschouwd omdat ze schadelijk zijn voor de gezondheid. 2) De exploitant van het levensmiddelenbedrijf, die van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat levensmiddelen welke hij heeft ingevoerd, geproduceerd, verwerkt, vervaardigd of gedistribueerd niet aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldoen, heeft niet onmiddellijk de procedures ingeleid om de betrokken levensmiddelen uit de handel te nemen en heeft niet de bevoegde autoriteit in kennis gesteld. Volgens de staatssecretaris heeft eiseres daarmee overtredingen begaan van artikel 2, vijfde lid, van het Warenwetbesluit bereiding en behandeling van levensmiddelen, in verbinding met artikel 14, eerste en tweede lid, van Vo. 178/2002 respectievelijk in verbinding met artikel 19, eerste lid, van Vo. 178/2002. Bij de vaststelling van de hoogte van de boetes heeft de staatssecretaris rekening gehouden met de omstandigheid dat eiseres op de dag van de overtredingen meer dan vijftig werknemers telde. Daarom heeft de staatssecretaris per overtreding een boete opgelegd van € 1.050,- in plaats van € 525,-. 3.2.3. Met het bestreden besluit van 9 april 2025 is de staatssecretaris bij het boetebesluit gebleven. Wel heeft hij de grondslag van overtreding 2 gewijzigd van artikel 19, eerste lid, in artikel 19, derde lid, van Vo. 178/2002. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn heeft de staatssecretaris de totale bestuurlijke boete gematigd met 15% e Uit het voorgaande volgt ook volgens de rechtbank dat de Europese en nationale wetgever voor ogen hebben gehad om levende tweekleppige weekdieren vanaf een vroeg stadium in het productieproces als levensmiddelen te beschouwen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank ook logisch, omdat deze dieren bestemd zijn om levend aan de consument te worden verkocht. De rechtbank vindt voor dit oordeel ook steun in de rechtspraak. 4.1.5. Net als de staatssecretaris ziet de rechtbank niet in dat de uitspraak van deze rechtbank van 1 oktober 2019 achterhaald zou zijn. De rechtbank onderschrijft de in die uitspraak gelegde relatie tussen artikel 1 van de Warenwet en de definitie van "levensmiddel" in artikel 2 van Vo. 178/2002. Ook onderschrijft de rechtbank het belang dat in die uitspraak is gehecht aan het feit dat Vo. 853/2004 specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong bevat, waarbij op grond van artikel 2 van Vo. 853/2004 de definitie van "levensmiddel" van artikel 2 van Vo. 178/2002 van toepassing is. 4.1.6. Verder volgt de rechtbank eiseres niet in haar vergelijking tussen levende tweekleppige weekdieren en levende kippen. Haar beroep op de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 14 november 2023 kan haar in zoverre dan ook niet baten. Weliswaar overweegt het CBb in rechtsoverweging 6.5 dat de omstandigheid dat levende dieren als pluimvee niet onder het begrip "levensmiddel" vallen, niet betekent dat de levensmiddelenwetgeving geen voorschriften over levende dieren kan omvatten, maar het relevante verschil tussen mosselen en kippen is nu juist dat mosselen wel levend aan de consument worden verkocht en kippen niet. De staatssecretaris stelt zich in het verweerschrift dan ook terecht op het standpunt dat deze uitspraak alleen duidelijkheid geeft met betrekking tot levende kippen, maar geen oordeel geeft over de vraag of levende tweekleppige weekdieren al dan niet als levensmiddelen moeten worden beschouwd. 4.1.7. Rechtsoverweging 6.6 van die uitspraak is naar het oordeel van de rechtbank veel meer van betekenis voor deze zaken. Daarin overweegt het CBb (voor zover voor deze zaken van belang) namelijk dat Vo. 178/2002, 852/2004 en 853/2004 in hoofdzaak ten doel hebben een hoog niveau van consumentenbescherming op het vlak van voedselveiligheid te garanderen en van toepassing zijn op alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen (artikel 1 van Vo. 178/2002 en overweging 7 en 8 van Vo. 852/2004). Meer in het bijzonder bepaalt overweging 12 van Vo. 178/2002 dat, teneinde de voedselveiligheid te waarborgen, alle aspecten van de voedselproductieketen als één geheel moeten worden beschouwd, vanaf de productie van diervoeders, met inbegrip van de primaire productie, tot en met het verkopen of verstrekken van voedsel aan de consument, aangezien elk onderdeel daarvan op de voedselveiligheid van invloed kan zijn. De rechtbank onderschrijft dit oordeel van het CBb en dit vormt dan ook het kader en de uitgangspunten waarbinnen de rechtbank in deze uitspraak de standpunten van partijen zal beoordelen. 4.1.8. Partijen zijn het weliswaar eens over de relevantie van de Richtsnoeren van (destijds) het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, maar leggen deze Richtsnoeren verschillend uit. De rechtbank stelt vast dat in onderdeel IV.3.3. van de Richtsnoeren wordt ingegaan op het in de handel brengen van levensmiddelen en dat daarbij is vermeld dat dit geen levensmiddelen omvat die nog worden verwerkt. In zoverre staat daar dus niet méér of anders dan al in artikel 2 en artikel 3, achtste lid, van Vo. 178/2002 staat. Wat moet worden verstaan onder "verwerkt" wordt op die plaats echter niet uitgelegd of ingevuld. 4.1.9. De definitie van verwerking staat in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder m, van Vo. 852/2004: een handeling die het oorspronkelijke product ingrijpend wijzigt, onder meer door middel van verhitten, roken, zouten, rijpen, drogen, 178/2002 volgt dat levensmiddelen in ieder stadium van de productie, verwerking en distributie, moeten voldoen aan de voorschriften van de levensmiddelenwetgeving. Het moment van het in de handel brengen kan daarom niet doorslaggevend zijn voor het antwoord op de vraag of sprake is van onveilige levensmiddelen. Verder is de rechtbank het met de staatssecretaris eens dat eiseres met haar standpunt dat op het etiket staat dat de mosselen moeten worden gekookt, de verantwoordelijkheid voor het doden van de salmonella ten onrechte bij de consument legt. Artikel 7, tweede lid, van Vo. 2073/2005 bepaalt dat de nadere behandeling (die verhitting is) alleen mag worden gedaan door de exploitant. Het advies op het etiket om de mosselen voor consumptie te verhitten kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat consumenten nooit een risico hebben gelopen. Zoals de staatssecretaris onweersproken heeft gesteld in het verweerschrift, is het namelijk ook de bedoeling dat kruisbesmetting wordt voorkomen. 4.2.5. De uitleg die eiseres geeft aan het begrip "partij" in artikel 14, zesde lid, van Vo. 178/2002 volgt de rechtbank niet. Zij stelt dat de partij mosselen na de zuivering niet meer dezelfde partij is als voor de zuivering. Daargelaten dat hiervóór al is overwogen dat zuivering niet kan leiden tot het oordeel dat de partij mosselen niet langer onveilig is, is het uitgangspunt van artikel 14, zesde lid, van Vo. 178/2002 dat een hele partij geldt als onveilig indien in een deel van die partij een besmetting is aangetroffen, tenzij een uitvoerig onderzoek geen aanwijzingen oplevert dat de rest van de partij of zending onveilig is. Juist dat uitvoerige onderzoek ontbreekt in deze zaken. 4.2.6. Uitgaande van het hoge niveau van bescherming van de volksgezondheid dat de Europese levensmiddelenwetgeving tot doel heeft, kan de rechtbank niet tot een andere conclusie komen dan dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt stelt dat de mosselen moeten worden aangemerkt als onveilige levensmiddelen. 4.3. De derde vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of eiseres onveilige levensmiddelen in de handel heeft gebracht. 4.3.1. Op grond van artikel 3, achtste lid, van Vo. 178/2002 wordt in deze verordening wordt verstaan onder "in de handel brengen" het voorhanden hebben van levensmiddelen of diervoeders met het oog op de verkoop, met inbegrip van het ten verkoop aanbieden, of enige andere vorm van al dan niet gratis overdracht, alsmede de eigenlijke verkoop, distributie en andere vormen van overdracht zelf. 4.3.2. De rechtbank is het met de staatssecretaris eens dat de drempel om aan te nemen dat een levensmiddel in de handel is gebracht, gelet op de redactie van artikel 3, achtste lid, van Vo. 178/2002, laag ligt. Eiseres heeft de mosselen geïmporteerd en heeft deze ook ontvangen. Zij had de mosselen dus voorhanden. Met de staatssecretaris is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake van is dat de mosselen eerst nog worden verwerkt voordat ze konden worden verkocht. De mosselen worden immers levend aan de consument verkocht en dienen in alle stadia van de productie aan de geldende eisen te voldoen. Uit het voorgaande volgt verder dat de rechtbank de staatssecretaris volgt in diens standpunt dat het zuiveren van mosselen niet is aan te merken als "verwerking", zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid onder m, van Vo. 852/2004. Ook verwatering is naar het oordeel van de rechtbank geen verwerking als bedoeld, nu dat geen actieve handeling is. Dat eiseres de mosselen met AZP als het ware had geparkeerd in een verwateringsperceel, doet er dus niet aan af dat zij deze mosselen steeds voorhanden had met het oog op de verkoop. 4.3.3. Het beroep van eiseres op de Richtsnoeren volgt de rechtbank niet, omdat in de Richtsnoeren met betrekking tot artikel 20 van Vo. 178/2002 niets staat dat moet leiden tot een andere conclusie over de uitleg van het begrip in de handel brengen als bedoeld in artikel 19, derde lid, van Vo. 178/2002: “V.3.2. Artikel 20, leden De rechtbank volgt ook niet het standpunt van eiseres dat zij niet meende dat sprake was van een levensmiddel dat schadelijk is voor de menselijke gezondheid en dat zij ook geen reden had om dat aan te nemen. Ook hiervoor verwijst de rechtbank naar wat zij heeft overwogen over de onveiligheid van de partijen mosselen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres in beide zaken een meldplicht had. 5.1.5. Op grond van artikel 19, derde lid, van Vo. 178/2002 – voor zover van belang – stelt een exploitant van een levensmiddelenbedrijf de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis als hij van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een door hem in de handel gebracht levensmiddel schadelijk voor de menselijke gezondheid kan zijn. 5.1.6. Op de zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat het begrip "onverwijld" met beleid is ingevuld. Op grond van dat beleid dient de melding binnen vier uur plaats te vinden. De rechtbank is van oordeel dat deze korte termijn volledig past binnen het doel en de strekking van de Europese levensmiddelenwetgeving. Eiseres heeft zich niet op het standpunt gesteld dat de termijn van vier uur te kort is. Tussen partijen is verder niet in geschil dat tussen de ontvangst van de mosselen en de melding door eiseres vijf dagen zijn verstreken. 5.1.7. Het standpunt van eiseres is dat de termijn van vier uur pas gaat lopen nadat zij de partijen in de handel heeft gebracht, dat daarvan nooit sprake is geweest en dat zij de melding dus onverplicht heeft gedaan. De rechtbank is dat niet met eiseres eens. Uit het voorgaande volgt namelijk dat de rechtbank van oordeel is dat eiseres de partijen al in de handel had gebracht op het moment dat zij deze voorhanden had met het oog op verkoop. Omdat daarvoor geen verwerking nodig was, moeten de partijen dus vanaf het moment van de ontvangst door eiseres worden beschouwd als in de handel te zijn gebracht. Dat betekent ook dat eiseres in beide zaken de termijn van vier uur ruimschoots heeft laten verstrijken en dus niet onverwijld de verplichte melding heeft gedaan bij de NVWA. 5.1.8. In beide zaken staat de overtreding van artikel 19, derde lid, van Vo. 178/2002 daarmee vast. De staatssecretaris was bevoegd om eiseres daarvoor bestuurlijke boetes op te leggen, gelet op het bepaalde in artikel 32a, eerste lid van de Warenwet en artikel 2, vijfde lid, van het Warenwetbesluit bereiding en behandeling van levensmiddelen, in verbinding met artikel 19, derde lid, van Vo. 178/2002. Bestaat aanleiding om prejudiciële vragen te stellen? 6. Eiseres verzoekt de rechtbank om, voor zover de rechtbank mocht overwegen de staatssecretaris te volgen in één of meer van diens eigenzinnige interpretaties van de Europeesrechtelijke begrippen 'bereid om in de handel te worden gebracht', 'schadelijk voor de gezondheid' en 'in de handel brengen', daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. 6.1. Aangezien naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de uitleg van de in deze uitspraak genoemde artikelen van Vo. 178/2002, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Is sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel? 7. Eiseres voert in het beroep met kenmerk ROT 25/4027 aan dat zij in bezwaar heeft aangevoerd dat belangrijke feiten, met name de zuivering, niet zijn vastgelegd in de rapport van bevindingen. Uit het bestreden besluit maakt eiseres op dat de staatssecretaris van mening is dat alleen feiten hoeven te worden vermeld die tegen de exploitant kunnen worden gebruikt en dat de toezichthouder naar eigen inzicht ontlastende feiten onvermeld kan laten. Eiseres verzoekt de rechtbank in de overwegingen het belang te onderstrepen van een evenwichtige weergave van de feiten in het rapport van bevindingen. 7.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. 7.1.1. Een evenwichtige weergave van de feiten in een rapport van bevindingen is uiteraard uit een o a) de normale omstandigheden van het gebruik van het levensmiddel door de consument, alsmede in alle stadia van productie, verwerking en distributie, en b) de informatie die aan de consument wordt verstrekt, inclusief de informatie op het etiket, of andere informatie die algemeen voor consumenten beschikbaar is betreffende het vermijden van specifieke nadelige gezondheidseffecten van een bepaald levensmiddel of een categorie levensmiddelen. 6. Wanneer een onveilig levensmiddel deel uitmaakt van een partij of zending van dezelfde klasse of omschrijving, wordt aangenomen dat alle levensmiddelen in die partij of zending onveilig zijn, tenzij een uitvoerig onderzoek geen aanwijzingen oplevert dat de rest van de partij of zending onveilig is. Artikel 19, derde lid Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf stelt de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis als hij van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een door hem in de handel gebracht levensmiddel schadelijk voor de menselijke gezondheid kan zijn. Hij stelt de bevoegde autoriteiten in kennis van de maatregelen die hij heeft genomen om risico's voor de eindgebruiker te voorkomen en verhindert of ontmoedigt niemand om overeenkomstig de nationale wetgeving en de juridische praktijk, met de bevoegde autoriteiten samen te werken, indien hierdoor een risico in verband met een levensmiddel kan worden voorkomen, beperkt of weggenomen. Verordening (EG) nr. 2073/2005 Artikel 7, eerste lid Indien bij het testen aan de hand van de in bijlage I vastgestelde criteria ontoereikende resultaten worden verkregen, nemen de exploitanten van levensmiddelenbedrijven de in de leden 2, 3 en 4 aangegeven maatregelen alsmede andere in hun op HACCP gebaseerde procedures vastgestelde corrigerende maatregelen en andere maatregelen die nodig zijn om de gezondheid van de consument te beschermen. Bovendien nemen zij maatregelen om de oorzaak van de ontoereikende resultaten op te sporen teneinde te voorkomen dat de onaanvaardbare microbiologische besmetting zich herhaalt. Die maatregelen kunnen wijzigingen van de op HACCP gebaseerde procedures of andere toegepaste maatregelen voor levensmiddelenhygiëne omvatten. Warenwetbesluit bereiding en behandeling van levensmiddelen Artikel 2, vijfde lid (voorheen: tiende lid) Het is verboden te handelen in strijd met de bij artikel 14, eerste lid (…) artikel 19 (…) van verordening (EG) 178/2002 vastgestelde bepalingen. Warenwet Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a Ten behoeve van het weren van waren die bij aanwending overeenkomstig redelijkerwijze te verwachten gebruik uit het oogpunt van gezondheid of veiligheid schadelijk kunnen zijn, kan bij algemene maatregel van bestuur worden verboden waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, te bereiden, te vervaardigen, te verhandelen of voor een bij het verbod aangegeven doel te verwerken of te bezigen, die niet voldoen aan de eisen, bij de maatregel gesteld met betrekking tot hun samenstelling of uitvoering of met betrekking tot hun hoedanigheid of eigenschappen. Artikel 32a, eerste en tweede lid 1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen (…) 4 (…). 2. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht bedraagt. Artikel 32b, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur wordt een bijlage vastgesteld, die bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de daarvoor op te leggen boete bepaalt, waarbij de hoogte van het bedrag mede gebaseerd kan worden op het aantal werknemers, de mate van verwijtbaarheid, de omzet of een gedeelte van de omzet van de desbetreffende natuurlijke persoon of rechtspersoon. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze w