Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-04
ECLI:NL:RBROT:2026:1959
RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/685916 / HA ZA 24-793 Vonnis van 4 februari 2026 in de zaak van 1 ING LEASE (NEDERLAND) B.V., gevestigd in Amsterdam,2. TANKCLEANING BENELUX B.V. , gevestigd in Castricum, eiseressen, advocaat mr. D.B. Holthinrichs te Amsterdam, tegen HOOGWERKER CENTRUM NEDERLAND B.V. , gevestigd in Groot-Ammers, gedaagde, advocaat mr. M.W. Huijzer te Papendrecht. Partijen zullen hierna ING Lease, Tankcleaning en HCN worden genoemd. Eiseressen worden gezamenlijk Tankcleaning c.s. genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. Tankcleaning heeft een autohoogwerker van HCN gekocht. Tegelijkertijd heeft Tankcleaning (een deel van) haar rechten en verplichtingen uit de koopovereenkomst aan ING Lease overgedragen en de autohoogwerker van haar in huurkoop gekregen. Tankcleaning c.s. stellen dat de autohoogwerker vanaf het begin af aan verschillende gebreken vertoont – namelijk: valbewegingen maakt, diverse storingen heeft gehad en een ongeldige EU-conformiteitsverklaring heeft – en daarmee niet beantwoordt aan de koopovereenkomst. Daarnaast zou HCN haar garantieverplichtingen hebben geschonden door niet op eerste verzoek de defecten aan de autohoogwerker te verhelpen. In deze procedure vordert ING Lease daarom ontbinding van de koopovereenkomst en vorderen Tankcleaning c.s. schadevergoeding. HCN voert verweer. Zij betwist het bestaan van de gestelde gebreken (bij aflevering), althans dat die ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigen. De rechtbank acht – kort gezegd – voorshands bewezen dat de hoogwerker twee door Tankcleaning’s deskundigen genoemde bewegingen maakt, waardoor die niet voldoet aan de daaraan gestelde veiligheidseisen, welke gebreken al bij aflevering aanwezig waren. HCN mag tegenbewijs leveren. In dat kader heeft de rechtbank het voornemen een deskundigenonderzoek te laten uitvoeren, waarin ook vragen worden gesteld over de EU-conformiteitsverklaring. Partijen mogen zich eerst nog over een aantal aspecten van een deskundigenbericht uitlaten. Deze beslissing wordt hierna toegelicht. 2. De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 september 2024, met producties 1 tot en met 44;- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 13; - de oproepingsbrief van de rechtbank van 22 november 2024; - de aanvullende producties 45 tot en met 49 van Tankcleaning c.s.; - de aanvullende productie 50 van Tankcleaning c.s.; - de mondelinge behandeling gehouden op 21 maart 2025 en de daar door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen; - de akte toelichting eiswijziging / uitlating deskundige en voorwaardelijk verzoek ex artikel 200 Rv van 23 april 2025; - de antwoordakte van HCN van 21 mei 2025; - het (op verzoek van HCN opgestelde) proces-verbaal van de afsluiting van de mondelinge behandeling van 21 maart 2025; - het B16-formulier van mr. Huijzer van 22 mei 2025, met het verzoek om vonnis te wijzen; - het B16-formulier van 26 mei 2025 en de brief van 27 mei 2025 van mr. Holthinrichs, met aanvullende productie 51 en met het verzoek om vonnis te wijzen. 2.2. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat de zaak op de rol zou komen van 23 april 2025 voor het nemen van een akte door Tankcleaning c.s., vervolgens op de rol van 21 mei 2025 voor het nemen van een antwoordakte door HCN en dat daarna vonnis wordt gewezen. 3 De feiten 3.1. Tankcleaning houdt zich bezig met het reinigen, schilderen en bestickeren van de buitenkant van cryogene gastanks. Daarvoor maakt zij gebruik van autohoogwerkers. 3.2. HCN houdt zich onder meer bezig met de verkoop, reparatie, service en het onderhoud van autohoogwerkers. 3.3. In juni 2022 heeft Tankcleaning van HCN een autohoogwerker gekocht (hierna: de koopovereenkomst). Het betreft een autohoogwerker die is gebouwd in 2019 en die een bereik van 31 meter hoog en een zijwaarts bereik van 17 meter heeft. De koopprijs bedroeg € 189.970,- inclusief btw. Op 20 juni 2022 heeft Tankcleani Hierna zal vooralsnog worden gesproken over Tankcleaning c.s., in meervoud, waar Tankcleaning en ING Lease zich op dezelfde stellingen beroepen. Moet de koopovereenkomst worden ontbonden? 5.2. De eerste vraag die voorligt is of de koopovereenkomst moet worden ontbonden. Niet ter discussie staat dat ING Lease de partij is die als gevolg van de contractsoverneming het eventuele beroep op ontbinding toekomt. ING Lease heeft ter zitting aangegeven dat zij de koopovereenkomst niet buitengerechtelijk heeft ontbonden, zodat de daarop gerichte gevorderde verklaring voor recht in elk geval niet toewijsbaar is. Beoordeeld moet worden of er een grond is voor ontbinding door een uitspraak van de rechtbank. Is sprake van non-conformiteit? 5.3. De eerste grondslag die ING Lease aanvoert is non-conformiteit. 5.4. Bij koop geldt dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden (zie artikel 7:17 lid 1 BW). De zaak doet dat niet als zij, mede gelet op haar aard en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen (artikel 7:17 lid 2 BW). Beoordeeld moet dus worden of de autohoogwerker gebreken vertoont die een normaal gebruik daarvan in de weg staan. Valbeweging 5.5. Tankcleaning c.s. stellen allereerst dat de autohoogwerker vanaf het begin af aan een defect heeft waardoor de knikarm in bepaalde situaties plotseling ongecontroleerd zakt, met als gevolg dat het hoogwerkerbakje een (forse) beweging omlaag c.q. een vrije val van soms wel 1 of 2 meter maakt. Die valbeweging wordt veroorzaakt door het wegvallen van de spanning op het voorwaardeventiel van de knikarm of door het inzakken van de raiser hefcilinder (met 7 mm) tijdens het zakken met de knikarm in een bepaalde stand. Dit levert gevaarlijke situaties en een onveilig gevoel op bij de medewerker in het hoogwerkerbakje. De valbewegingen vinden steeds onverwachts en soms op grote hoogte plaats in de buurt van gevaarlijke industriële gasinstallaties en kunnen ernstige fysieke verwondingen en/of schade aan de tankinstallatie tot gevolg hebben, met gevaar voor explosie, brand en bedwelming. Door dit gebrek voldoet de hoogwerker niet aan de daaraan gestelde veiligheidseisen: op grond van artikel 5.7.1 van NEN-EN 280 (2015) mag de machine immers geen beweging maken zonder dat die wordt bediend en volgens artikel 5.7.6 moeten de hydraulisch of elektrisch bediende ventielen er voor zorgen dat de beweging stopt bij het wegvallen van de stuurdruk of -spanning. De autohoogwerker is hierop afgekeurd en mag van de Arbeidsinspectie niet worden gebruikt. Door dit ernstige veiligheidsgebrek bezit de autohoogwerker niet die eigenschappen die voor het normaal gebruik daarvan nodig zijn, zo stellen Tankcleaning c.s. 5.6. Ter onderbouwing van hun stellingen hebben Tankcleaning c.s. de volgende stukken overgelegd: e-mailverslagen van 24 oktober 2022 en 5 november 2022 (met bijlagen) van mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ), een medewerkster van Tankcleaning die de autohoogwerker gebruikte, waarin zij onder andere schrijft dat de autohoogwerker op 4 augustus, 19 augustus en 21 oktober 2022 een valbeweging maakte; een video met, volgens Tankcleaning c.s., “een demonstratie van een dergelijke plotselinge valbeweging”, waarop te zien is dat de arm van de hoogwerker en het bakje tijdens het zakken op enig moment een schokkende neergaande beweging maken; een rapport en twee verklaringen (producties 14, 20 en 46 van Tankcleaning c.s.) van de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) van BSE Ymond B.V., een door Tankcleaning ingeschakelde deskundige die de autohoogwerker heeft onderzocht; een rapport en een verklaring (producties 30 en 45 van Tankcleaning c.s.) van de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) van CERTIFER HHC/DRS B.V., een door Tankcleaning ingesc zich beroepen op de rechtsgevolgen van hun standpunt dat – kort gezegd – de autohoogwerker sinds de aflevering een gebrek heeft waardoor de knikarm plotselinge valbewegingen maakt, daardoor niet voldoet aan de daarvoor geldende veiligheidseisen en van de Arbeidsinspectie niet mag worden gebruikt, rusten op hen de stelplicht en bewijslast voor dat standpunt (artikel 150 Rv). 5.11. Hoewel Tankcleaning c.s. dat onderscheid niet hebben gemaakt in hun stukken en [naam 3] en [naam 2] daarover ook niet volledig duidelijk zijn, moeten – naar de rechtbank begrijpt – volgens de verklaring van [naam 2] (productie 46 van Tankcleaning c.s.) twee soorten bewegingen worden onderscheiden. De eerste is de hierna te noemen ‘7 mm-beweging’, die [naam 3] in zijn rapport (productie 30 van Tankcleaning c.s.) beschrijft: “Tijdens het zakken met de telemast onder een bepaalde minimale hoek, zakt de raiser hefcilinder 7 mm in, wat tot een ongewenste en onverwachte beweging van de gehele bovenbouw leidt”. Volgens [naam 2] zakt de werkbak hierdoor “meer dan ca. 10 cm” en volgens [naam 3] “komt de telemast waaraan de werkbak is gemonteerd, en zeker indien volledig uitgeschoven, een behoorlijk eind naar beneden”. Volgens Tankcleaning c.s. is deze beweging op het door hen overgelegde filmpje zichtbaar. De tweede is de hierna te noemen ‘(grotere) valbeweging’, die blijkens het rapport van [naam 2] (productie 20 van Tankcleaning c.s.) plaatsvindt als de spanning van het voorwaardeventiel van de schaarmast wegvalt, welke situatie zich kan voordoen als (1) dat ventiel wordt uitgeschakeld door de besturing, (2) als de spanning wegvalt door een storing of (3) als de spanning te laag wordt door een storing of fout. In zijn verklaring schrijft [naam 2] hierover: “Naast de valbeweging die ik hiervoor noemde onder punt 5 ontstond de valbeweging ook in een andere situatie. Namelijk bij een te groot spanningsverlies tussen het chassis en de hoogwerker. Ik verwijs naar mijn rapport van 23 november 2022 pagina 1 en 2 (situatie 3). HCN heeft hiervoor aanpassingen gedaan nadat [naam 6] 2m naar beneden is gevallen aan het elektrische systeem omdat de spanningsval vanaf de onderwagen naar de hoogwerker te groot was. Dit doormiddel van een extra draad te trekken en een relais de plaatsen. Door een te grote spanningsval kan het veiligheidsventiel spontaan afvallen. Dat is waarschijnlijk gebeurd toen [naam 6] zonder iets te bedienen 2m naar beneden viel. Tijdens ons onderzoek hebben we nog steeds een spanningsverschil geconstateerd van 3V tussen chassis en hoogwerker. Er bestaat nu nog steeds de kans dat het veiligheidsventiel afvalt bij een iets te lage accuspanning”. In zijn rapport schreef [naam 2] destijds: “Situatie 3 is tijdens het testen niet geconstateerd. Wel valt op dat de elektrische spanning op het ventiel maar 9 V is. Terwijl de hoofdspanning 12V is, en als de motor draait is de hoofdspanning zelfs 14 V. Dan is 9 V op een ventiel erg laag en is het aannemelijk dat het ventiel uitvalt als de spanning nog iets lager wordt (bijvoorbeeld als de motor uit gaat, of als er een andere verbruiker ingeschakeld wordt)”. Tankcleaning c.s. hebben dit onderscheid ter zitting bevestigd. 5.12. Op basis van alles wat Tankcleaning c.s. tot nu toe hebben aangevoerd en met stukken hebben onderbouwd, acht de rechtbank voorshands bewezen dat: (1) de autohoogwerker de volgende gebreken vertoont: - de onder 5.11 genoemde 7 mm-beweging maakt; - als gevolg van het wegvallen van de spanning op het voorwaardeventiel van de schaarmast een grotere valbeweging maakt; (2) deze gebreken al bij aflevering op 29 juli 2022 aanwezig waren; (3) de autohoogwerker daardoor niet voldoet aan de daaraan gestelde veiligheidseisen uit de norm NEN-EN 280 (2015). HCN heeft die stellingen wel uitvoerig betwist, maar die betwisting heeft in dit stadium nog onvoldoende handen en voeten gekregen. 5.13. Gelet op het door haar gedane bewijsaanbod laat de rechtbank HCN toe, op de voet van artikel 151 lid 2 Rv, tegenb Blijkens de afgegeven verklaring is alleen getoetst aan de stabiliteitseisen uit de geharmoniseerde norm NEN-EN 280 (en dus niet aan die gehele norm) en is alleen een interne beoordelingsprocedure gevolgd. Op grond van artikel 12 lid 4 van de Machinerichtlijn had in dat geval echter een ‘notified body’ moeten worden ingeschakeld, die blijkens bijlage II van de Machinerichtlijn op die verklaring moet worden vermeld. Tankcleaning kan en mag de autohoogwerker door het ontbreken van een geldige EU-conformiteitsverklaring niet gebruiken. Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 7.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit moet Tankcleaning beschikken over een geldige en volwaardige EU-conformiteitsverklaring. Zonder die verklaring kan zij niet aantonen dat de machine aan de veiligheidseisen voldoet. Gebruikt zij de autohoogwerker wel, dan levert dit een beboetbaar feit op (op grond van artikel 9.9b lid 1onder g van Arbeidsomstandighedenbesluit) en riskeert Tankcleaning aansprakelijkheid, het ontbreken van verzekeringsdekking en imagoschade bij een veiligheidsincident. Het niet voldoen aan geldende regelgeving staat aan het normaal gebruik van de autohoogwerker in de weg, zo stellen Tankcleaning c.s. 5.21. HCN betwist dat de ‘CE-verklaring’ ongeldig is. De autohoogwerker is ontworpen en gebouwd overeenkomstig geharmoniseerde normen die alle relevante veiligheids- en gezondheidseisen dekken. CO.ME.T. mocht dus op grond van artikel 12 lid 3 onder a van de Machinerichtlijn volstaan met een interne controle en het werken met een notified body was dus niet verplicht, aldus HCN. 5.22. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen bestaat discussie over hoe de door Tankcleaning c.s. als productie 4B overgelegde verklaring moet worden aangemerkt. Naar de rechtbank begrijpt bedoelen Tankcleaning c.s. met ‘EU-conformiteitsverklaring’ de EG-verklaring van overeenstemming zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 onder e van de Machinerichtlijn. Gelet op de titel “CE declaration of conformity” en de tekst van de overgelegde verklaring in het licht van bijlage II van de Machinerichtlijn, gaat de rechtbank er van uit dat het een dergelijke verklaring betreft. Niet gebleken is dat HCN met de termen ‘CE-certificaat’ of ‘CE-verklaring’ iets anders bedoelt. In de overgelegde verklaring staat, voor zover van belang: “COMPLIES TO STABILITY REQUIREMENTS OF THE FOLLOWING ARMONIZED [Harmonised, toevoeging Rb.] REGULATIONS: EN 280:2015”. Voor zover de rechtbank kan beoordelen is daarop geen melding gemaakt van een notified body. Dat had blijkens bijlage II onder A, punt 5 en 6 van de Machinerichtlijn wel gemoeten als daarvan gebruik is gemaakt. Het voert echter te ver om al op basis hiervan aan te nemen dat slechts aan de stabiliteitseisen uit de norm NEN-EN 280 is getoetst, geen notified body is ingeschakeld en dus niet aan de eisen uit de Machinerichtlijn is voldaan. Er bestaat ook een mogelijkheid dat wel is voldaan aan de eisen uit de Machinerichtlijn, maar dat de verklaring niet correct is opgesteld. Naar de rechtbank begrijpt zal dat uit het technisch dossier van CO.ME.T. moeten blijken, maar dat is in deze procedure niet voorhanden. Als vast komt te staan dat de verklaring niet voldoet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van non-conformiteit. Tankcleaning c.s. kunnen daarmee dan logischerwijs niet aantonen dat de machine is gebouwd in overeenstemming met en voldoet aan de veiligheidseisen, wat aan een normaal gebruik van de machine in de weg staat. De vraag is dan of het gebrek de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. In dat kader acht de rechtbank van belang of, en zo ja, hoe dat gebrek kan worden hersteld. Tankcleaning c.s. lijken zich op het standpunt te stellen dat herstel mogelijk is, maar geven niet precies aan hoe; de door Tankcleaning ingeschakelde deskundigen hebben zich hierover niet uitgelaten. Vanwege deze onduidelijkheid kan de rechtbank hierover nu geen beslissing nemen en acht zij het noodzakelijk om hierover vragen Partijen hebben zich al uitgelaten over de te stellen vragen met betrekking tot dit onderwerp en zijn het daarover eens. De rechtbank ziet echter, gelet op het hiervoor overwogene, aanleiding om specifiekere vragen te stellen en stelt in dat kader de volgende vragen voor: Ten aanzien van de gestelde 7 mm-beweging: Constateert u de onder 5.11 genoemde ‘7 mm-beweging’ bij normale bediening/normaal gebruik van de hoogwerker? Zo ja: a) Kunt u een beschrijving geven van wat er dan gebeurt? b) Hoever zakt/kan het hoogwerkerbakje hierdoor naar beneden zakken? c) Wat is de oorzaak van deze beweging? d) Is een dergelijke beweging toelaatbaar onder de norm NEN-EN 280 uit 2015? e) Staat dit ‘gebrek’ volgens u aan een normaal gebruik van de hoogwerker in de weg? Waarom wel/niet? f) Acht u het aannemelijk dat dit ‘gebrek’ al bij de aflevering van de machine op 29 juli 2022 aanwezig was of is dat mogelijk later ontstaan? Graag uw antwoord toelichten. g) Kan dit ‘gebrek’ worden hersteld? Zo ja, kunt u een inschatting geven van de herstelkosten daarvan? 3. Als het antwoord op vraag 1 ‘nee’ luidt: Is het mogelijk dat een dergelijke beweging in het verleden wel heeft plaatsgevonden als gevolg van onjuiste bediening of het uitschakelen het veiligheidsventiel? Ten aanzien van de gestelde grotere valbeweging : 4. Constateert u de onder genoemde 5.11 ‘grotere valbeweging’ bij normale bediening/normaal gebruik? 5. Zo ja: a) In welke situatie(s)? b) Kunt u een beschrijving geven van wat er dan gebeurt? c) Hoever zakt/kan het hoogwerkerbakje hierdoor naar beneden zakken? d) Wat is hiervan de oorzaak? Kan dit zijn veroorzaakt door het wegvallen van de spanning op het voorwaardeventiel van de schaarmast? e) Is een dergelijke beweging toelaatbaar onder de norm NEN-EN 280 uit 2015? f) Staat dit ‘gebrek’ volgens u aan een normaal gebruik van de hoogwerker in de weg? Waarom wel/niet? g) Acht u het aannemelijk dat dit ‘gebrek’ al bij de aflevering van de machine op 29 juli 2022 aanwezig was of is dat mogelijk later ontstaan? Graag uw antwoord toelichten. h) Kan dit ‘gebrek’ worden hersteld? Zo ja, kunt u een inschatting geven van de herstelkosten daarvan? 6. Als het antwoord op vraag 1 ‘nee’ is: a) Is het mogelijk dat een dergelijke beweging in het verleden wel heeft plaatsgevonden? b) Zo ja: Welke oorzaak/oorzaken kan dat hebben? Kan dit zijn veroorzaakt door het wegvallen van de spanning op het voorwaardeventiel van de schaarmast? Of door onjuiste bediening of het uitschakelen het veiligheidsventiel? Hoe waarschijnlijk acht u elk van die oorzaken? c) Heeft u tijdens het testen van de hoogwerker een (te) lage spanning op het voorwaardeventiel van de schaarmast gemeten? Ten aanzien van de EG-verklaring van overeenstemming: 7. Is voor de hoogwerker, blijkens het technisch dossier daarvan, de juiste certificeringsprocedure gevolgd zoals bedoeld in artikel 12 van de Machinerichtlijn? Waarom wel/niet? De rechtbank verzoekt u om bij de beantwoording van deze vraag de antwoorden op de volgende vragen te betrekken: a) Is de hoogwerker, blijkens het technisch dossier daarvan, volledig gebouwd volgens de NEN-EN 280-norm uit 2015 of alleen volgens de stabiliteitseisen uit die norm? b) Is de hoogwerker, blijkens het technisch dossier daarvan, volledig gebouwd volgens geharmoniseerde normen die alle relevante essentiële gezondheids- en veiligheidseisen dekken (zoals bedoeld in artikel 12 lid 3 van de Machinerichtlijn)? c) Heeft er, blijkens het technisch dossier van de hoogwerker, (alleen) een interne beoordelingsprocedure plaatsgevonden of is er (ook) een notified body ingeschakeld? 8. Als niet de juiste certificeringsprocedure is gevolgd: Kan dit nog worden hersteld, en zo ja: Hoe? Wie kan dit laten doen? Hoe moeilijk/eenvoudig is dat? Hoeveel kost dat? 9. Als wel de juiste certificeringsprocedure is gevolgd: Klopt de tekst van de verstrekte EG-verklaring van overeenstemming, gelet op het technische dossier (meer specifiek conform welke normen is gebouwd en of een not