Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-26
ECLI:NL:RBROT:2026:1897
Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 71/223098-25 Datum uitspraak: 26 februari 2026 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboorteplaats] 2001 in [geboortedatum] , ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting gedetineerd in de [detentieadres] , raadsman mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam. 1 Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 5 en 26 februari 2026. 2 Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3 Eis officier van justitie De officier van justitie mr. T.J. Kodrzycki heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Bewezenverklaring zonder nadere motivering Het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 14 augustus 2025 te Erp, althans in Nederland, vuurwapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten - een omgebouwd gaspistool van het merk/type Zoraki 918, kaliber 9x17mm (wapenomschrijving 14) en - een kogel- grendelgeweer van het merk/type Mauser 98, kaliber 7,92x57mm (wapenomschrijving 3) en - een kogel- grendelgeweer van het merk/type Chatellerault Mle 1892 Md, kaliber 8x50mmR (wapenomschrijving 9) en - een revolver van het merk/type Bulldog, kaliber .320 Velodog (wapenomschrijving 5) en - een revolver van het merk/type Brevet Nagant 1883, kaliber 9,4mm Velodog (wapenomschrijving 6) en - een gaspistool van het merk/type Zoraki 917, kaliber 9mm P.A.K. (wapenbeschrijving 10), en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van categorie III in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten: - 209 kogelpatronen van diverse kalibers en fabrikanten (wapenomschrijving 15, 17 en 19) en - 48 knalpatronen van het merk Geco, kaliber 9mm P.A.K (wapenbeschrijving 12 en 13), en onderdelen en hulpstukken als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie en gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van Wet wapens en munitie, te weten - 25 patroonmagazijnen bestemd voor diverse vuurwapens (wapenomschrijving 7) en - een patroonmagazijn en een deel van de kast bestemd voor een pistool van het merk/type Beretta 1935, kaliber 7,65mm (wapenbeschrijving 39) en - 2 patroonmagazijnen bestemd voor een vuurwapen van het merk/type BRNO-Enfield BREN-gun, kaliber .303 (wapenbeschrijving 41) en - een loop inclusief kamer en trekkergroep van het merk/type Mauser 98, kaliber 7,92x57mm (wapenbeschrijving 1) en - een vuurwapen met dichtgelaste loop van merk/type M1 karabijn, kaliber 7,62x33mm (wapenbeschrijving 8) en - een deel van een vuurwapenloop bestemd voor een pistool van merk FN, kaliber 7,65mm br (wapenbeschrijving 24) en en onderdelen van munitie als bedoeld in art. 3 lid 2 Wet wapens en munitie en De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het ongeautoriseerde bezit van (vuur)wapens brengt een groot en onaanvaardbaar risico met zich mee. Bijna dagelijks wordt de Nederlandse samenleving geconfronteerd met (dodelijk) (vuur)wapengeweld. Tegen het voorhanden hebben en het gebruiken van wapens wordt hard opgetreden. Dit soort feiten worden zwaar gestraft. Verdachte heeft naar eigen zeggen al jaren een fascinatie voor wapens en hun werking. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij de aangetroffen wapens niet had om te gebruiken. Hij was vooral een verzamelaar. Het door hem omgebouwde gaspistool en de daarbij behorende door hem vervaardigde munitie heeft hij niet durven gebruiken, omdat hij dacht dat het niet veilig zou zijn. Daarmee weerspreekt verdachte zichzelf. Hij gebruikte het wapen kennelijk niet omdat hij dat niet wilde, maar omdat hij het niet durfde. Hij was bang dat het pistool in zijn hand zou ontploffen. In zijn woning zijn verder zeer veel voorwerpen, gereedschap en handleidingen en instructies aangetroffen bedoeld om zelf wapens en munitie te vervaardigen, waaronder voor (een gedeelte van) de vuurwapens die verdachte in zijn bezit had. Ook dat weerspreekt dat verdachte geen enkele intentie zou hebben gehad om (één van) de wapens daadwerkelijk te gebruiken. Indien die intentie er namelijk niet zou zijn, valt niet in te zien waarom de verdachte wel over scherpe (gebruiksklare) munitie voor die wapens wenste te beschikken. Gebleken is dat hij over de kennis en de vaardigheden beschikte om diverse soorten munitie zelf te vervaardigen. Op zijn laptop is een handleiding aangetroffen voor het maken van explosieven. Op een USB-stick staan handleidingen voor maken van een semtex bom, antipersoonsmijnen, traangas en 3D-printbare wapens. Voor wat betreft de antieke wapens is de rechtbank van oordeel, dat deze wapens wel degelijk voor gevaarlijke situaties kunnen zorgen. Deze oude wapens waren immers mechanisch in orde, ook al heeft de politie vanwege gebrek aan geschikte munitie niet alle wapens kunnen testen. Het argument dat er heel moeilijk munitie verkregen kan worden voor deze wapens maakt dat oordeel niet anders. Het is niet onmogelijk om de betreffende munitie te verkrijgen of zelf te vervaardigen. Zeker niet buiten het formele circuit, waar verdachte zijn weg goed weet te vinden. Dat laatste leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat wat de verdachte wel in zijn bezit had, wegens het ontbreken van enig verlof of vergunning, ook niet via het formele circuit is verkregen. Deze feiten hebben zich afgespeeld tegen de achtergrond van het politieke activisme van verdachte. Door de verdediging is aangevoerd dat zijn gedachtengoed geen rol mag spelen bij de strafbepaling. De rechtbank is van oordeel dat zijn interesses en denkbeelden wel degelijk medebepalend zijn voor de strafoplegging en de daarbij op te leggen bijzondere voorwaarden. Verdachte is naar eigen zeggen geen extremist en ook niet bereid om geweld te gebruiken om zijn idealen te bereiken. Uit de aangetroffen goederen in zijn woning en de data uit zijn gegevensdragers komt echter een heel ander beeld naar voren. Daarnaast was verdachte bereid om daadwerkelijk wapens te gebruiken, hetgeen wordt bevestigd door zijn aanmelding bij een militaire opleiding in Oekraïne om te strijden tegen de Russen. Dit baart de rechtbank zorgen. Deze zorgen worden door de reclassering bevestigd. Rapport van de reclassering De reclassering heeft in haar advies van 23 januari 2026 aangegeven dat verdachte zich bevindt in een grijs gebied tussen activisme en rechtsextremisme. Hij heeft een berekenende en grens opzoekende houding die risicobepalend is voor zijn toekomst. Hij erkent bewust risico’s te hebben genomen om bepaalde wapens in huis 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 10 Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 11 Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden ; bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaren ; tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden; stelt als algemene voorwaarde: - de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken; stelt als bijzondere voorwaarden: 1. de veroordeelde zal zich (op de dag van vrijlating uit detentie) melden bij [naam 1] ( [telefoonnummer 1] ) of [naam 2] ( [telefoonnummer 2] ) van Reclassering Nederland en blijft zich melden zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken. De meldplicht heeft tot doel betrokkene te kunnen begeleiden bij en controleren op de naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden. De reclassering bepaalt welke gespreksonderwerpen van belang zijn om een inschatting te kunnen maken van de recidive- en veiligheidsrisico’s, waarbij de privacy van de verdachte zoveel mogelijk gerespecteerd zal worden. De veroordeelde moet op een constructieve wijze meewerken aan deze gesprekken en openheid van zaken geven over de door de reclassering bepaalde gespreksonderwerpen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht; 2. de veroordeelde zal, gezien zijn hang naar spanning en grenzen, meewerken aan diagnostisch onderzoek door ambulante forensische behandelinstelling De Waag, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Indien behandeling nodig wordt geacht, werkt de verdachte mee aan deze behandeling, ook als dit het ProZorg-programma van De Waag betreft. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; 3. de veroordeelde zal een passende en zinvolle dagbesteding vinden in de vorm van een opleiding dan wel betaald werk. verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden - de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden; - de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht; geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op