Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-10
ECLI:NL:RBROT:2026:1860
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
7,186 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:1860 text/xml public 2026-05-13T11:32:26 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-10 C/10/713245 / JE RK 26-69 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1860 text/html public 2026-05-13T11:31:18 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:1860 Rechtbank Rotterdam , 10-02-2026 / C/10/713245 / JE RK 26-69 Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Aangezien de ouders binnenkort starten met hulpverleningstrajecten en het enige tijd zal kosten om deze trajecten te doorlopen, acht de rechtbank een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de verzochte duur van zes maanden passend. RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/713245 / JE RK 26-69 Datum uitspraak: 10 februari 2026 Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond , gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. S.R. van Laar, kantoorhoudende in Arnhem, [naam vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. M. Metin, kantoorhoudende in Arnhem, [naam oma (mz)] , hierna te noemen oma (moederszijde), wonende in [woonplaats] . 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 20 januari 2026 met de daarin genoemde stukken en bijbehorende herstelbeschikking van 28 januari 2026; - de verklaring van oma van 2 februari 2026. 1.2. Op 10 februari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat; de vader met zijn advocaat; - twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] . 1.3. Oma is niet verschenen, met bericht van verhindering. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . 2.2. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven bij oma. 2.3. Bij beschikking van 20 januari 2026 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 14 februari 2026. De kinderrechter heeft bij diezelfde beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 februari 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden. 3 Het aangehouden verzoek 3.1. De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. De GI heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De rechtbank moet nog beslissen op het resterend deel van het verzoek, te weten een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van 14 februari 2026 tot 4 augustus 2026. 4 De standpunten 4.1. De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht het als volgt toe. De veiligheid van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] is nog altijd in het geding. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zijn in november 2024 met spoed uit huis geplaatst nadat bij [voornaam minderjarige 2] ernstig letsel was geconstateerd. Er is op tot op heden nog geen duidelijkheid gekomen over de oorzaak van het letsel van [voornaam minderjarige 2] . Het politieonderzoek, waaronder het forensisch onderzoek naar het letsel door het Nederlands Forensisch Instituut (het NFI), is nog niet afgerond. Het is de GI niet bekend wanneer dit onderzoek klaar is. Er is inmiddels gestart met verschillende hulpverleningstrajecten voor ouders. Op 24 februari 2026 staat er een intake gepland bij Werken met beeld. De bedoeling was dat de vader samen met [voornaam minderjarige 1] zou starten bij Werken met beeld, maar de vader heeft niet op tijd kunnen bevestigen of hij bij de intake aanwezig kan zijn. Om de plek bij Werken met beeld niet zomaar voorbij te laten gaan, heeft de GI voorgesteld om de moeder daar te laten starten. De moeder heeft het traject bij NIKA ook bijna afgerond. De vader kan hopelijk snel starten bij NIKA. Verder staan de ouders op de wachtlijst voor SPAM ambulante hulpverlening. Daarnaast zijn er zorgen over de omgang tussen de vader en [voornaam minderjarige 2] . Om die reden heeft de GI voorgesteld om begeleide bezoeken tussen de vader en [voornaam minderjarige 2] te organiseren. De vader wil echter pertinent niet dat die bezoeken op het kantoor van de GI plaatsvinden. Hij heeft voorgesteld om de bezoeken te laten plaatsvinden in de woning van de moeder van zijn broer. Daarvoor loopt nu een onderzoek om te kijken of dit kan. De GI wijst er verder op dat er in de afgelopen weken een aantal incidenten zijn geweest rond de omgang tussen de vader en [voornaam minderjarige 1] . Zo is er op 10 of 11 januari 2026 een voorval geweest bij de kapper. De afspraak was dat de vader aanwezig mocht zijn bij een bezoek van [voornaam minderjarige 1] aan de kapper en dat [voornaam minderjarige 1] na het kappersbezoek weer mee naar huis zou gaan met oma. De vader besloot die dag echter om [voornaam minderjarige 1] niet mee te geven aan oma. Daarna heeft er een ruzie plaatsgevonden in de woning van oma, waarbij fysiek geweld is gebruikt. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] waren op dat moment ook in de woning aanwezig. Enkele dagen later heeft de vader opnieuw bij oma voor de deur gestaan, waarna oma de politie heeft gebeld. Oma heeft na de incidenten aangegeven dat zij niet weet of zij nog pleegmoeder wil zijn voor de kinderen. Daarop is de GI in gesprek gegaan met oma om te bespreken wat ervoor nodig is dat de kinderen bij haar kunnen blijven. Oma heeft aangegeven dat het belangrijk is dat er goede afspraken zijn met de vader. Verder heeft oma hulp voor zichzelf gezocht bij de praktijkondersteuner bij de huisarts (POH). Oma geeft in haar brief aan dat er gesprekken zijn gevoerd en dat het voor iedereen duidelijk is hoe het nu verder gaat. Ook vraagt oma de omgangsregeling uit te breiden. De GI is van mening dat de omgang pas kan worden hervat na een gesprek tussen de ouders en de GI. De GI verwacht dat er over zes maanden meer duidelijkheid is over de trajecten bij NIKA, Werken met beeld en SPAM. Hopelijk zal tegen die tijd ook het politieonderzoek zijn afgerond. Het is belangrijk dat er dan ook duidelijkheid komt over het perspectief van de kinderen. 4.2. Namens en door de vader wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI, voor zover dat ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Tijdens een eerdere zitting is gezegd dat het strafrechtelijk onderzoek in juni 2025 zou zijn begonnen. De rechter heeft toen overwogen dat het onderzoek niet kan worden afgewacht en dat zo snel mogelijk moet worden uitgezocht wat de mogelijkheden zijn voor terugplaatsing van de kinderen bij de ouders. Toch zijn de kinderen al bijna anderhalf jaar gescheiden van de ouders. Opmerkelijk is dat de GI oma een belangrijke positie toebedeelt, maar niet luistert naar de mening van oma als het gaat om de terugkeer van de kinderen naar huis. Eerder heeft de advocaat van de vader al bepleit dat onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:1860 text/xml public 2026-05-13T11:32:26 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-10 C/10/713245 / JE RK 26-69 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1860 text/html public 2026-05-13T11:31:18 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:1860 Rechtbank Rotterdam , 10-02-2026 / C/10/713245 / JE RK 26-69 Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Aangezien de ouders binnenkort starten met hulpverleningstrajecten en het enige tijd zal kosten om deze trajecten te doorlopen, acht de rechtbank een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de verzochte duur van zes maanden passend. RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/713245 / JE RK 26-69 Datum uitspraak: 10 februari 2026 Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond , gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. S.R. van Laar, kantoorhoudende in Arnhem, [naam vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. M. Metin, kantoorhoudende in Arnhem, [naam oma (mz)] , hierna te noemen oma (moederszijde), wonende in [woonplaats] . 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 20 januari 2026 met de daarin genoemde stukken en bijbehorende herstelbeschikking van 28 januari 2026; - de verklaring van oma van 2 februari 2026. 1.2. Op 10 februari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat; de vader met zijn advocaat; - twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] . 1.3. Oma is niet verschenen, met bericht van verhindering. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . 2.2. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven bij oma. 2.3. Bij beschikking van 20 januari 2026 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 14 februari 2026. De kinderrechter heeft bij diezelfde beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 februari 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden. 3 Het aangehouden verzoek 3.1. De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. De GI heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De rechtbank moet nog beslissen op het resterend deel van het verzoek, te weten een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van 14 februari 2026 tot 4 augustus 2026. 4 De standpunten 4.1. De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht het als volgt toe. De veiligheid van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] is nog altijd in het geding. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zijn in november 2024 met spoed uit huis geplaatst nadat bij [voornaam minderjarige 2] ernstig letsel was geconstateerd. Er is op tot op heden nog geen duidelijkheid gekomen over de oorzaak van het letsel van [voornaam minderjarige 2] . Het politieonderzoek, waaronder het forensisch onderzoek naar het letsel door het Nederlands Forensisch Instituut (het NFI), is nog niet afgerond. Het is de GI niet bekend wanneer dit onderzoek klaar is. Er is inmiddels gestart met verschillende hulpverleningstrajecten voor ouders. Op 24 februari 2026 staat er een intake gepland bij Werken met beeld. De bedoeling was dat de vader samen met [voornaam minderjarige 1] zou starten bij Werken met beeld, maar de vader heeft niet op tijd kunnen bevestigen of hij bij de intake aanwezig kan zijn. Om de plek bij Werken met beeld niet zomaar voorbij te laten gaan, heeft de GI voorgesteld om de moeder daar te laten starten. De moeder heeft het traject bij NIKA ook bijna afgerond. De vader kan hopelijk snel starten bij NIKA. Verder staan de ouders op de wachtlijst voor SPAM ambulante hulpverlening. Daarnaast zijn er zorgen over de omgang tussen de vader en [voornaam minderjarige 2] . Om die reden heeft de GI voorgesteld om begeleide bezoeken tussen de vader en [voornaam minderjarige 2] te organiseren. De vader wil echter pertinent niet dat die bezoeken op het kantoor van de GI plaatsvinden. Hij heeft voorgesteld om de bezoeken te laten plaatsvinden in de woning van de moeder van zijn broer. Daarvoor loopt nu een onderzoek om te kijken of dit kan. De GI wijst er verder op dat er in de afgelopen weken een aantal incidenten zijn geweest rond de omgang tussen de vader en [voornaam minderjarige 1] . Zo is er op 10 of 11 januari 2026 een voorval geweest bij de kapper. De afspraak was dat de vader aanwezig mocht zijn bij een bezoek van [voornaam minderjarige 1] aan de kapper en dat [voornaam minderjarige 1] na het kappersbezoek weer mee naar huis zou gaan met oma. De vader besloot die dag echter om [voornaam minderjarige 1] niet mee te geven aan oma. Daarna heeft er een ruzie plaatsgevonden in de woning van oma, waarbij fysiek geweld is gebruikt. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] waren op dat moment ook in de woning aanwezig. Enkele dagen later heeft de vader opnieuw bij oma voor de deur gestaan, waarna oma de politie heeft gebeld. Oma heeft na de incidenten aangegeven dat zij niet weet of zij nog pleegmoeder wil zijn voor de kinderen. Daarop is de GI in gesprek gegaan met oma om te bespreken wat ervoor nodig is dat de kinderen bij haar kunnen blijven. Oma heeft aangegeven dat het belangrijk is dat er goede afspraken zijn met de vader. Verder heeft oma hulp voor zichzelf gezocht bij de praktijkondersteuner bij de huisarts (POH). Oma geeft in haar brief aan dat er gesprekken zijn gevoerd en dat het voor iedereen duidelijk is hoe het nu verder gaat. Ook vraagt oma de omgangsregeling uit te breiden. De GI is van mening dat de omgang pas kan worden hervat na een gesprek tussen de ouders en de GI. De GI verwacht dat er over zes maanden meer duidelijkheid is over de trajecten bij NIKA, Werken met beeld en SPAM. Hopelijk zal tegen die tijd ook het politieonderzoek zijn afgerond. Het is belangrijk dat er dan ook duidelijkheid komt over het perspectief van de kinderen. 4.2. Namens en door de vader wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI, voor zover dat ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Tijdens een eerdere zitting is gezegd dat het strafrechtelijk onderzoek in juni 2025 zou zijn begonnen. De rechter heeft toen overwogen dat het onderzoek niet kan worden afgewacht en dat zo snel mogelijk moet worden uitgezocht wat de mogelijkheden zijn voor terugplaatsing van de kinderen bij de ouders. Toch zijn de kinderen al bijna anderhalf jaar gescheiden van de ouders. Opmerkelijk is dat de GI oma een belangrijke positie toebedeelt, maar niet luistert naar de mening van oma als het gaat om de terugkeer van de kinderen naar huis. Eerder heeft de advocaat van de vader al bepleit dat onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
Volledig
[voornaam minderjarige 1] is ouder en minder kwetsbaar dan [voornaam minderjarige 2] . Hij zou wellicht al naar huis kunnen. Op zijn minst zou de omgang moeten worden uitgebreid. Wat de GI ter zitting heeft benoemd over de omgangsmomenten met [voornaam minderjarige 1] klopt niet. Van de ruzie bij oma thuis heeft [voornaam minderjarige 1] niet alles gezien omdat hij net naar boven ging. De vader wil niet meer de samenwerking met de GI aangaan. 4.3. Namens en door de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI, voor zover dat ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Primair verzoekt de moeder dit deel van het verzoek af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor een kortere duur dan is verzocht. Gekeken moet worden of de kinderen terug kunnen naar huis. De moeder werkt mee en wil laten zien dat zij goed voor de kinderen kan zorgen. Zij is al ver in het traject bij NIKA. De tips die de moeder daar krijgt, pakt zij goed op. Vanwege de beperking die [voornaam minderjarige 2] heeft, heeft zij andere dingen nodig dan [voornaam minderjarige 1] . De ouders moeten dat leren. Oma ziet hoe de ouders met de kinderen omgaan. In de brief van oma staat dat het goed gaat. De vraag is waarom de omgang dan niet wordt uitgebreid. Daarbij moet worden gekeken naar mogelijkheden om de kinderen, of in ieder geval [voornaam minderjarige 1] , stapsgewijs terug te plaatsen bij de ouders. Voor wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling refereert de moeder zich aan het oordeel van de rechtbank. 5 De beoordeling De ondertoezichtstelling 5.1. De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De ontwikkeling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Daartegen is ook geen verweer gevoerd. De machtiging tot uithuisplaatsing 5.2. Ook is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De rechtbank legt hieronder uit waarom. 5.3. In november 2024 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] met spoed uit huis geplaatst nadat bij [voornaam minderjarige 2] ernstig letsel was geconstateerd. Er is op tot op heden geen duidelijkheid over de oorzaak van het letsel van [voornaam minderjarige 2] . Het politieonderzoek, waaronder het forensisch onderzoek door het NFI naar dit letsel, is nog niet afgerond. Het is verder zorgelijk dat er in de afgelopen periode meerdere incidenten en conflicten tussen de ouders zijn geweest. Nog zorgelijker is dat de kinderen daar bij betrokkenen of getuige van zijn geweest. Dat mag niet meer gebeuren. Het is voorstelbaar dat het de ouders zwaar valt dat de kinderen al lange tijd niet thuis wonen, maar de veiligheid van de kinderen staat te allen tijde voorop. Daarom acht de rechtbank een voortzetting van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bij oma noodzakelijk. 5.4. Zoals eerder door de rechtbank is besloten, moet worden uitgezocht wat de mogelijkheden zijn voor (gedeeltelijke) terugplaatsing van de kinderen bij de ouders, zonder dat de kinderen gevaar lopen. Er staat niet vast wat er precies is gebeurd rondom het ontstaan van het letsel bij [voornaam minderjarige 2] . Daarom kan de inschatting van de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie alleen gemaakt worden door middel van het inzetten van hulpverleningstrajecten. Het is belangrijk dat daaraan wordt meegewerkt door de ouders. De GI heeft op zitting toelichting gegeven op de verschillende hulpverleningstrajecten. Uit de stukken en de toelichting tijdens de zitting blijkt dat vooral de vader hulpverlening lastig vindt en dat hij nog niet altijd meewerkt. Hier moet verandering in komen. De moeder zet zich wel in voor de hulpverlening, maar heeft nog een aantal stappen te zetten voordat haar traject is afgerond. 5.5. Aangezien de ouders binnenkort starten met de hulpverleningstrajecten bij Werken met beeld en NIKA en het enige tijd zal kosten om deze trajecten te doorlopen, acht de rechtbank een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de verzochte duur van zes maanden passend. Hopelijk is er over zes maanden ook meer duidelijkheid over het strafrechtelijk onderzoek en de uitkomst van het onderzoek door het NFI. In de tussentijd wordt van de ouders verwacht dat zij de samenwerking met de GI aangaan. In overleg met de GI kunnen afspraken worden gemaakt over de in te zetten hulpverlening en de omgang met de kinderen. De regie daarover ligt bij de GI. Conclusie 5.6. De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 4 augustus 2026. 5.7. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 4 augustus 2026; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 4 augustus 2026; 6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, mr. N. Doorduijn, en mr. J. Groot, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier, en op schrift gesteld op 24 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:260 BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Volledig
[voornaam minderjarige 1] is ouder en minder kwetsbaar dan [voornaam minderjarige 2] . Hij zou wellicht al naar huis kunnen. Op zijn minst zou de omgang moeten worden uitgebreid. Wat de GI ter zitting heeft benoemd over de omgangsmomenten met [voornaam minderjarige 1] klopt niet. Van de ruzie bij oma thuis heeft [voornaam minderjarige 1] niet alles gezien omdat hij net naar boven ging. De vader wil niet meer de samenwerking met de GI aangaan. 4.3. Namens en door de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI, voor zover dat ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Primair verzoekt de moeder dit deel van het verzoek af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor een kortere duur dan is verzocht. Gekeken moet worden of de kinderen terug kunnen naar huis. De moeder werkt mee en wil laten zien dat zij goed voor de kinderen kan zorgen. Zij is al ver in het traject bij NIKA. De tips die de moeder daar krijgt, pakt zij goed op. Vanwege de beperking die [voornaam minderjarige 2] heeft, heeft zij andere dingen nodig dan [voornaam minderjarige 1] . De ouders moeten dat leren. Oma ziet hoe de ouders met de kinderen omgaan. In de brief van oma staat dat het goed gaat. De vraag is waarom de omgang dan niet wordt uitgebreid. Daarbij moet worden gekeken naar mogelijkheden om de kinderen, of in ieder geval [voornaam minderjarige 1] , stapsgewijs terug te plaatsen bij de ouders. Voor wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling refereert de moeder zich aan het oordeel van de rechtbank. 5 De beoordeling De ondertoezichtstelling 5.1. De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De ontwikkeling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Daartegen is ook geen verweer gevoerd. De machtiging tot uithuisplaatsing 5.2. Ook is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De rechtbank legt hieronder uit waarom. 5.3. In november 2024 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] met spoed uit huis geplaatst nadat bij [voornaam minderjarige 2] ernstig letsel was geconstateerd. Er is op tot op heden geen duidelijkheid over de oorzaak van het letsel van [voornaam minderjarige 2] . Het politieonderzoek, waaronder het forensisch onderzoek door het NFI naar dit letsel, is nog niet afgerond. Het is verder zorgelijk dat er in de afgelopen periode meerdere incidenten en conflicten tussen de ouders zijn geweest. Nog zorgelijker is dat de kinderen daar bij betrokkenen of getuige van zijn geweest. Dat mag niet meer gebeuren. Het is voorstelbaar dat het de ouders zwaar valt dat de kinderen al lange tijd niet thuis wonen, maar de veiligheid van de kinderen staat te allen tijde voorop. Daarom acht de rechtbank een voortzetting van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bij oma noodzakelijk. 5.4. Zoals eerder door de rechtbank is besloten, moet worden uitgezocht wat de mogelijkheden zijn voor (gedeeltelijke) terugplaatsing van de kinderen bij de ouders, zonder dat de kinderen gevaar lopen. Er staat niet vast wat er precies is gebeurd rondom het ontstaan van het letsel bij [voornaam minderjarige 2] . Daarom kan de inschatting van de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie alleen gemaakt worden door middel van het inzetten van hulpverleningstrajecten. Het is belangrijk dat daaraan wordt meegewerkt door de ouders. De GI heeft op zitting toelichting gegeven op de verschillende hulpverleningstrajecten. Uit de stukken en de toelichting tijdens de zitting blijkt dat vooral de vader hulpverlening lastig vindt en dat hij nog niet altijd meewerkt. Hier moet verandering in komen. De moeder zet zich wel in voor de hulpverlening, maar heeft nog een aantal stappen te zetten voordat haar traject is afgerond. 5.5. Aangezien de ouders binnenkort starten met de hulpverleningstrajecten bij Werken met beeld en NIKA en het enige tijd zal kosten om deze trajecten te doorlopen, acht de rechtbank een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de verzochte duur van zes maanden passend. Hopelijk is er over zes maanden ook meer duidelijkheid over het strafrechtelijk onderzoek en de uitkomst van het onderzoek door het NFI. In de tussentijd wordt van de ouders verwacht dat zij de samenwerking met de GI aangaan. In overleg met de GI kunnen afspraken worden gemaakt over de in te zetten hulpverlening en de omgang met de kinderen. De regie daarover ligt bij de GI. Conclusie 5.6. De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 4 augustus 2026. 5.7. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 4 augustus 2026; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 4 augustus 2026; 6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, mr. N. Doorduijn, en mr. J. Groot, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier, en op schrift gesteld op 24 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:260 BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.