Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-19
ECLI:NL:RBROT:2026:1737
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/6035 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres], zonder vaste woon- en/of verblijfplaats, eiseres (gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college (gemachtigde: mr. S. Duinhouwer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond “Uitstroom uit voorziening voor tijdelijke opvang van personen die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten” (de urgentiegrond uitstroom). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Ook heeft het college in redelijkheid geen toepassing hoeven geven aan de hardheidsclausule . Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Het college heeft het verzoek van eiseres om een urgentieverklaring met een besluit van 30 januari 2025 (het primaire besluit) buiten behandeling gesteld. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting afgewezen in de uitspraak van 4 april 2025. 2.1. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is het college met een gewijzigde grondslag bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Tevens heeft eiseres een nieuw verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek in de uitspraak van 26 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is voldaan. 2.3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres is met haar toen vierjarige kind op 2 augustus 2024 gaan samenwonen met haar (inmiddels) ex-partner. De relatie is beëindigd en eiseres heeft met haar toen vierjarige kind de woning verlaten zonder vervangende woonruimte. Als gevolg van een andere beroepsprocedure verbleef eiseres enige tijd met haar minderjarige kind in een hotel, op kosten van de gemeente Schiedam. Het college heeft van eiseres op 4 november 2024 een aanvraag ontvangen voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond uitstroom. Het college heeft op 5 november 2024 gevraagd om nadere informatie (inkomensverklaring Belastingdienst) omdat zij op basis van de beschikbare informatie geen besluit kon nemen. Eiseres heeft hierop gereageerd en het college heeft op 9 januari 2025 en op 16 januari 2025 om een nadere toelichting gevraagd over de urgentiegrond waar eiseres zich op beroept. Eiseres heeft een toelichting gegeven op haar situatie. Op 23 januari 2025 heeft het college specifiek gevraagd naar de urgentiegrond waar eiseres zich op beroept. Het college heeft hierop geen reactie van eiseres ontvangen. Het college heeft de aanvraag op 30 januari 2025 buiten behandeling gesteld. 4. Het college heeft in de heroverweging in bezwaar geconcludeerd dat het de aanvraag terecht buiten behandeling heeft gesteld vanwege ontbrekende informatie. Daarnaast heeft het college in het bestreden besluit de keuze gemaakt om op basis van de in bezwaar door eiseres aangeleverde informatie de aanvraag alsnog inhoudelijk te beoordelen. Op basis van deze beoordeling heeft het college besloten dat eiseres geen urgentieverklaring krijgt. Het college legt hieraan ten grondslag dat eiseres niet vol In beroep zijn geen dusdanig bijzondere omstandigheden gebleken die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen of die het bestreden besluit onevenredig maken. Van schending van artikel 3 van het IVRK is niet gebleken. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen urgentieverklaring krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Verdrag inzake de rechten van het kind, New York, 20-11-1989 Artikel 3 1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. 2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen. 3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht. Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:5 1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien: […] c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. […] Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 Artikel 1.1. Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […] w. urgentieverklaring: de urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.1 van Bijlage I zijnde de beschikking waarmee de indeling van woningzoekenden in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12, tweede lid van de wet plaatsvindt; […] Artikel 2.3.8. Voorrang voor bezitters van een urgentie- of herhuisvestingsverklaring 1. Een huishouden dat wegens een persoonlijke noodsituatie of wegens sloop of ingrijpende verbetering van zijn woonruimte een (andere) woonruimte nodig heeft en geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, kan in aanmerking komen voor een urgentieverklaring, dan wel een herhuisvestingsverklaring. 2. In Bijlage I bij deze verordening is aangegeven: a. door wie, bij wie en de wijze waarop de in het vorige lid bedoelde verklaringen kunnen worden aangevraagd, b. door wie en de gronden waarop deze verklaringen worden verstrekt, c. de inhoud van deze verklaringen en d. de gevolgen die deze verklaringen hebben