Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-18
ECLI:NL:RBROT:2026:1694
RECHTBANK Rotterdam team handel en haven Zaaknummer: C/10/703169 / HA ZA 25-581 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eiser, advocaat: mr. E.T. van den Hout, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde partij, advocaat: mr. I.M. Mos-Bolier. Partijen worden hierna ook “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ” genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. Deze zaak gaat over een leningsovereenkomst op grond waarvan [eiser] een bedrag van € 30.000,- aan [gedaagde] heeft geleend. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] de hoofdsom heeft afgelost, maar [eiser] vordert in deze procedure een bedrag van (i) € 5.000,- aan overeengekomen rente, administratie- en afsluitkosten, (ii) € 21.000,- aan contractueel verschuldigde boetes, en (iii) € 1.037,10 aan buitengerechtelijke incassokosten. 1.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat geen sprake is van een consumentenkrediet en wijst de gevorderde kosten van € 5.000,- toe. De rechtbank matigt de contractuele boete tot de wettelijke rente en wijst de buitengerechtelijke incassokosten af. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 juli 2025, met productie 1 t/m 9, - de conclusie van antwoord, met productie 1 t/m 8, - de brief van de rechtbank waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - de e-mail van de rechtbank met een zittingsagenda, - de aanvullende productie 10 van [eiser] , - de mondelinge behandeling van 12 januari 2026 en de daarbij door partijen gebruikte spreekaantekeningen. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [eiser] en [gedaagde] hebben op 11 maart 2025 een leningsovereenkomst gesloten op grond waarvan [eiser] een lening van € 30.000,- aan [gedaagde] heeft verstrekt met een looptijd van zes weken. 3.2. De overeenkomst bepaalt, onder andere, het volgende: “1. Leninggever: [eiser] handelend als privépersoon, hierna " Leninggever " genoemd; 2. Leningnemer: [gedaagde] , wonend in [adres] , te [woonplaats 3] . (…) . Handelend als privépersoon, hierna " Leningnemer " genoemd; (…) §2 Leningsvoorwaarden (1) Leningsbedrag: De Leninggever verstrekt aan de Leningnemer een lening van €30.000 (dertigduizendeuro). (2) Looptijd: De looptijd van de lening bedraagt 6 weken, beginnend op 11 maart 2025 en eindigend op 15 april 2025. (3) Kosten: • Rente : De lening wordt verstrekt tegen een rentepercentage van 1% per maand , wat voor 6 weken neerkomt op €450 . • Administratiekosten : €2.050 . • Afsluitkosten : €2.500 . (4) Terugbetaling : De Leningnemer verbindt zich ertoe om het volledige bedrag van €35.000 (€30.000 hoofdsom + €450 rente + €2.050 administratiekosten + €2.500 afsluitkosten) uiterlijk op 15 april 2025 in één keer aan de Leninggever terug te betalen. (…) (2) Volledige terugbetaling bij wanprestatie: • Indien de Leningnemer de betalingstermijn overschrijdt, stemt de leningnemer ermee in een boete van 300 euro per dag te betalen. Deze en het volledige openstaande bedrag, inclusief rente en eventuele bijkomende kosten zijn direct opeisbaar .” 3.3. [gedaagde] heeft op 30 april 2025 een bedrag van € 25.000,- en op 2 mei 2025 een bedrag van € 5.000,- aan [eiser] betaald. Daarmee heeft [gedaagde] het geleende bedrag volledig terugbetaald. 3.4. [eiser] heeft [gedaagde] vervolgens verzocht om betaling van de in de overeenkomst opgenomen kosten van € 5.000,-, vermeerderd met de contractuele boete. [gedaagde] heeft dat bedrag niet aan [eiser] betaald. 4 Het geschil 4.1. [eiser] vordert in deze procedure nakoming van de leningsovereenkomst die hij heeft gesloten met [gedaagde] , op grond waarvan [gedaagde] de volgende bedragen aan hem verschuldigd is: (i) € 450,- aan rente over de looptijd van de lening, (ii) € 4.550,- aan administratie- en afsluitkosten, (iii) € 21.000,- aan boete, (iv) € 1.037,10 aan buitengerechtelijke incassokosten 4.2. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] en doet als verweer een beroep op vernietiging van de leningsovereenkomst. Hij stelt zich op het Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat [eiser] de lening aan [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank niet bedrijfsmatig heeft verstrekt en dat geen sprake is van een consumentenkrediet in de zin van artikel 7:57 lid 1 sub c BW. [gedaagde] komt dan ook geen beroep toe op de dwingendrechtelijke bepalingen van consumentenrecht en kan de (bepalingen uit de) leningsovereenkomst niet op grond van dat consumentenrecht vernietigen. Dat geen sprake is van consumentenkrediet betekent ook dat er geen grond bestaat voor een verwijzing naar de kantonrechter. [gedaagde] moet de contractuele rente en administratie- en afsluitkosten van € 5.000,- betalen 5.7. De rechtbank volgt [gedaagde] ook niet in zijn betoog dat de in de leningsovereenkomst opgenomen rente, administratie- en afsluitkosten in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW of op grond van artikel 3:40 BW nietig zijn. 5.8. Zoals volgt uit de tekst van artikel 6:248 lid 2 BW geldt voor toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid de maatstaf dat het handhaven van de overeengekomen kosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze maatstaf brengt mee dat met terughoudendheid toepassing moet worden gegeven aan deze bepaling. 5.9. De door [gedaagde] aangedragen omstandigheid dat de rente, administratie- en afsluitkosten geen transparante vergoeding voor concrete diensten of kosten, maar een verkapte onevenredig hoge rente betreffen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze kosten in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. Dit maakt ook niet dat deze kosten in strijd zijn met de openbare of de goede zeden als bedoeld in artikel 3:40 BW. 5.10. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de overeenkomst duidelijk blijkt dat de kosten voor de lening in totaal € 5.000 bedroegen en dat [gedaagde] deze kosten heeft aanvaard toen hij de leningsovereenkomst aanging. Ook stond het [eiser] in beginsel vrij om te bepalen welke vergoeding hij vroeg, en stond het [gedaagde] vrij om te bepalen welke vergoeding hij bereid was te betalen voor de lening. Dat [gedaagde] de overeenkomst niet goed zou hebben gelezen en zich daarom niet bewust was van de hoogte van de vergoeding, zoals hij ter zitting heeft aangevoerd, komt voor zijn eigen rekening en maakt niet dat deze kosten onaanvaardbaar zouden zijn. Bovendien heeft [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord aangevoerd dat [persoon A] nog een derde partij heeft benaderd in verband met de door [gedaagde] benodigde lening en dat die derde een te hoge rente vroeg. Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [gedaagde] zich wel degelijk bewust was van de kosten van de lening, en die kosten heeft aanvaard. 5.11. Ook blijkt nergens uit dat [gedaagde] genoodzaakt was de lening tegen ongunstige voorwaarden af te sluiten en dat [eiser] daarvan misbruik heeft gemaakt in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW. 5.12. Voor een geslaagd beroep op artikel 3:44 lid 4 BW is vereist dat [gedaagde] door bijzondere omstandigheden is bewogen tot het aangaan van de leningsovereenkomst en dat [eiser] [gedaagde] op grond daarvan van het aangaan van de leningsovereenkomst had moeten weerhouden. [gedaagde] heeft in dit kader in zijn conclusie van antwoord aangevoerd dat hij zich in een financieel kwetsbare positie bevond en dringend liquiditeit nodig had voor de aankoop van een auto die noodzakelijk was voor zijn mobiliteit. Ter zitting heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij de lening nodig had voor het aflossen van privéschulden. Nog los van het feit dat [eiser] deze omstandigheden heeft betwist, heeft [gedaagde] niet onderbouwd dat en waarom de door hem aangedragen omstandigheden bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW zouden betreffen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de leningsovereenkomst door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. [gedaagde] kan de