Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-19
ECLI:NL:RBROT:2026:1648
Bestuursrecht
Proces-verbaal
1,380 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:1648 text/xml public 2026-03-05T09:30:16 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-19 26/1388 Uitspraak Proces-verbaal NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1648 text/html public 2026-03-05T09:29:27 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:1648 Rechtbank Rotterdam , 19-02-2026 / 26/1388 Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft maatschappelijke opvang gevraagd voor haar en haar twee minderjarige kinderen. Verzoekster is zelfredzaam. Het is een erg verdrietige situatie dat verzoekster en haar twee minderjarige kinderen geen woning kunnen vinden, maar de Wmo is niet bedoeld om in die situatie toch opvang te verlenen. Het verzoek wordt afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/1388 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (gemachtigde: mr. D. Gogar). Inleiding 1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang voor haar en haar twee minderjarige kinderen. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 februari 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, mr. M. Gommans (namens verzoekster), de gemachtigde van het college en mr. J.M. Tang (namens het college). 3. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter Wat is er gebeurd? 4. Verzoekster en haar kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster is na een scheiding in 2024 met haar kinderen vanuit Engeland naar Nederland gekomen. Zij hebben eerst bij verzoeksters moeder verbleven. In december 2025 heeft verzoeksters moeder hen gevraagd om te vertrekken. Zij hebben daarna verbleven bij een vriendin en daarna bij aangetrouwde familie, maar daar konden zij niet langer blijven. Verzoekster en haar kinderen zijn via het Rode Kruis tijdelijk ondergebracht in een hotel, maar dit verblijf eindigt op 20 februari 2026. Waar gaat het in deze zaak om? 5. Verzoekster heeft op 3 februari 2026 een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Volgens het college is verzoekster in staat om zich op eigen kracht (met gebruikelijke hulp) te handhaven in de samenleving. Zij dient daarom zelf in het onderdak van haar en haar kinderen te voorzien. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij per direct worden toegelaten tot de (nood)opvang. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af 6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verzoekster heeft een spoedeisend belang bij deze procedure. Voor recht op maatschappelijke opvang is van belang of iemand zich kan handhaven in de samenleving. Het gaat dus om de vraag of iemand zelfredzaam is. Als een zelfredzaam iemand een woning krijgt, dan zijn de problemen van die persoon daarmee ook opgelost. Bij iemand die niet zelfredzaam is, is dat niet het geval. De persoon die niet zelfredzaam is, zal ondanks het krijgen van een woning nog steeds geholpen moeten worden om zijn dagelijks leven te organiseren. Uit het dossier en wat er tijdens de zitting is aangevoerd, komt naar voren dat verzoekster zelfredzaam is. De omstandigheid dat er volgens de Kindintake een sisa-melding is gedaan, maakt dat niet anders. Verzoekster is zelf steeds in staat gebleken om onderdak te vinden voor haarzelf en haar kinderen. Daarnaast zijn er geen zorgen ten aanzien van de ontwikkeling van haar kinderen. Verzoeksters jongste kind heeft een epi-pen vanwege allergieën. Dit maakt niet dat er een hulpvraag is in de zin van de Wmo. Het is een erg verdrietige situatie dat verzoekster en haar twee minderjarige kinderen geen woning kunnen vinden, maar de Wmo is niet bedoeld om in die situatie toch opvang te verlenen. De Centrale Raad van Beroep heeft ook meerdere uitspraken gedaan waarin wordt geoordeeld dat het aan de landelijke politiek is om een oplossing te vinden voor de woningnood. Conclusie en gevolgen 7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college verzoekster en haar kinderen vooralsnog geen opvang hoeft te verlenen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 8. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026 door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) SISA is een computersysteem waarin professionals kunnen signaleren dat zij betrokken zijn bij een kind/jongere van 0 tot 23 jaar.