Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-11
ECLI:NL:RBROT:2026:1645
Bestuursrecht
Proces-verbaal
1,808 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:1645 text/xml public 2026-03-05T09:20:46 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-11 26/576, 26/577 en 26/578 Uitspraak Proces-verbaal NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1645 text/html public 2026-03-05T09:20:23 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:1645 Rechtbank Rotterdam , 11-02-2026 / 26/576, 26/577 en 26/578 Verzoek om een voorlopige voorziening. Het college heeft de aanvraag van verzoeksters om een briefadres afgewezen op basis van een summier ingevuld aanvraagformulier. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het had op de weg van het college gelegen om nadere informatie op te vragen bij verzoeksters. Het lijkt erop dat verzoeksters op dit moment geen woonadres hebben. Het verzoek wordt toegewezen. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: ROT 26/576, 26/577 en 26/578 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 februari 2026 op de verzoeken om een voorlopige voorziening in de zaken tussen [verzoekster 1] , [verzoekster 2] en [verzoekster 3] , zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzoeksters (gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert). Inleiding 1. Verzoeksters hebben een aanvraag ingediend voor een briefadres. Het college heeft deze aanvragen met besluiten van 15 december 2025 afgewezen. Verzoeksters hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De verzoeken zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de zaaknummers ROT 26/576 ( [verzoekster 3] ), ROT 26/577 ( [verzoekster 2] ) en ROT 26/578 ( [verzoekster 1] ). 2. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeksters [verzoekster 1] en [verzoekster 3] , de gemachtigde van verzoeksters, [persoon A] (namens verzoeksters) en de gemachtigde van het college. 3. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter Wat is er gebeurd? 4. Verzoeksters (moeder [verzoekster 1] en haar twee dochters) woonden op het adres [adres 1] in Rotterdam, samen met twee minderjarige kinderen. De hoofdbewoonster van die woning (een andere dochter van [verzoekster 1] ) heeft de huur opgezegd, waardoor verzoeksters per 1 oktober 2025 de woning moesten verlaten. Zij hebben vervolgens op 28 oktober 2025 een aanvraag ingediend bij het college voor inschrijving in de basisregistratie personen (brp) met een briefadres. Waar gaat het in deze zaken om? 5. Het college heeft de aanvragen om een briefadres afgewezen. Volgens het college kan er alleen een briefadres worden gegeven als verzoeksters geen woonadres hebben. Uit de aanvraag van verzoeksters is niet duidelijk geworden waar verzoeksters wonen (in de zin van de brp). Verzoeksters zijn het hier niet mee eens. Zij willen met de verzoeken om een voorlopige voorziening bereiken dat zij worden behandeld alsof zij een briefadres hebben. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe 6. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 7.1. Verzoeksters hebben om een briefadres gevraagd. Op de aanvraagformulieren hebben zij aangegeven dat zij dak- of thuisloos zijn. Ook valt uit één van de drie aanvraagformulieren af te leiden dat verzoeksters niet meer kunnen verblijven in de woning aan de [adres 1] . Verzoeksters hebben op het formulier niet ingevuld op welke adressen zij de komende drie tot zes maanden wonen. Het college heeft de aanvragen op basis van deze summiere gegevens direct afgewezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het besluit onzorgvuldig (en dus in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht) tot stand is gekomen. Het had op de weg van het college gelegen om nadere informatie op te vragen bij verzoeksters. Dit is temeer het geval omdat verzoekster hadden verklaard dat zij dak- of thuisloos waren geworden (en daarmee in een kwetsbare positie zitten), en zij dus een groot belang kunnen hebben bij een briefadres. 7.2. Verzoeksters hebben in het verzoekschrift van 20 januari 2025 aangegeven dat zij het merendeel van de week als bankslaper verblijven op het adres [adres 2] in Rotterdam. Op 10 februari 2026 hebben verzoeksters een verklaring overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat zij sinds 28 januari 2026 verblijven op het adres [adres 3] in Rotterdam en dat zij hier drie weken mogen verblijven. Tijdens de zitting hebben verzoeksters verklaard dat zij na 1 oktober 2025 in een vakantiehuisje in Dordrecht hebben verbleven, daarna in een vakantiehuisje in Capelle aan den IJssel en dat zij nu tijdelijk verblijven op het adres [adres 4] in Rotterdam. 8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter lijkt het erop dat verzoeksters op dit moment geen woonadres in de zin van de brp hebben. Zij hebben een groot belang bij een briefadres, onder meer om bereikbaar te zijn voor overheidsinstanties. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding de verzoeken toe te wijzen. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en treft de voorlopige voorzieningen dat verzoeksters per 11 februari 2026 ingeschreven dienen te worden met een briefadres in de brp, tot twee weken na de beslissing op het bezwaar. 10. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoeksters vergoeden. Verzoeksters krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoeksters een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Omdat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb, beschouwt de voorzieningenrechter de zaken voor wat betreft de kosten van rechtsbijstand als één zaak. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - bepaalt dat verzoeksters per 11 februari 2026 ingeschreven dienen te worden met een briefadres in de brp, tot twee weken na de beslissing op het bezwaar; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 600,- (drie maal € 200,-) aan verzoeksters moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeksters. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026 door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie artikel 1.1, aanhef en onder o, van de Wet brp.